RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.48671
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. H.M.M. van Doorn).
Inleiding
1. Eiser heeft op 29 november 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Abajebel als tolk en de gemachtigde van de minister. Ook waren namens Nidos aanwezig; [persoon1] en de voogd van eiser, [persoon2] .
Beoordeling door de rechtbank
Wat voert eiser aan in beroep?
Heeft eiser persoonlijk te vrezen voor vervolging?
Loopt eiser een reëel risico op ernstige schade?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser gegrond is. In de rest van de uitspraak zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Ethiopische nationaliteit, is geboren op [geboortedatum] 2008 en behoort tot de Oromo bevolkingsgroep. Zijn vader is in 2012 opgepakt en daarna vrijgelaten, vanwege problemen met de burgemeester en de autoriteiten. Een aantal maanden later is hij vermoord. Eiser vermoedt vanwege het feit dat de autoriteiten dachten dat hij een Oromo Liberation Front (OLF)-Shene sympathisant was. Na de dood van zijn vader werd de broer van eiser ervan beschuldigd dat hij sympathisant is van OLF-Shene en moest zijn broer vluchten. Hierna kreeg ook de familie van eiser problemen. Hun huis is vernield en de autoriteiten hebben
hoge belastingen opgelegd voor hun restaurant en winkel. Ook is eiser zelf meermaals mishandeld door de autoriteiten omdat ze wilden weten waar zijn broer was. Bij terugkeer naar Ethiopië is eiser bang voor problemen met de burgemeester en de autoriteiten omdat zij op zoek zijn naar zijn broer en ook omdat zij hem ervan verdenken een sympathisant van OLF-Shene te zijn.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met lokale autoriteiten vanwege beschuldigingen dat broer en vader OLF-Shene sympathisanten zijn.
7. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat beide asielmotieven geloofwaardig zijn. Volgens de minister is eiser geen vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Dit omdat eiser niet persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat alleen zijn vader en broer hebben te vrezen voor vervolging omdat zij sympathisanten van OLF-Shene zijn. Verder loopt eiser bij terugkeer naar Ethiopië geen reëel risico op ernstige schade. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’ers) omdat uit rapporten blijkt dat er voor alleenstaande minderjarigen adequate opvang aanwezig is in Ethiopië. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen.
8. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst. De minister heeft volgens eiser miskend dat hij meerdere keren heeft verklaard dat de autoriteiten ook naar hem persoonlijk op zoek waren. Op de zitting heeft eiser er op gewezen dat ook hij en de rest van zijn familie als OLF-Shene sympathisant worden gezien. Verder stelt de minister volgens eiser ten onrechte dat niet aannemelijk is geworden dat eiser vanwege zijn vader en broer te maken heeft gehad met negatieve overheidsaandacht. Hiervoor voert eiser aan dat hij meerdere keren is mishandeld door de autoriteiten. Dit is door de minister ook geloofwaardig gevonden. Eiser heeft op de zitting ook gewezen op de overige problemen die de familie als gevolg van de zoektocht naar zijn broer met de autoriteiten hebben gehad.
9. De rechtbank constateert dat in de gehoren verschillende keren door eiser is verklaard dat hij en zijn familie door de autoriteiten gezocht worden omdat zij (vermeend) sympathisant van OLF-Shene zijn. Zo heeft eiser onder andere in het nader gehoor verklaard ‘Wij worden beschuldigd dat wij sympathisanten zijn van Shene, net als mijn vader’ (p.7) en ook ‘zij verdenken dat ik sympathisant van Shene ben’ (p.18). Hoewel naar het oordeel van de rechtbank deze verklaringen in het bestreden besluit niet inzichtelijk zijn meegewogen bij de beoordeling, heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat hij persoonlijk problemen van de autoriteiten heeft ondervonden omdat hij
(vermeend) sympathisant van OLF-Shene is.
10. Wat betreft de mishandelingen heeft eiser verklaard dat dit gebeurde omdat zijn vader sympathisant was van OLF-Shene, en ook omdat de autoriteiten naar zijn broer op zoek waren (nader gehoor, p.6). Over de arrestatie heeft eiser verklaard dat hij aan het poolen was en de politie hem toen heeft opgepakt omdat hij volgens hen aan het gokken was. Vervolgens geeft eiser aan dat de politie soms mensen oppakt om geld van hen te krijgen. Ze betalen hen dan om vrij te komen (nader gehoor, p.9). Uit deze verklaringen volgt dat de reden van de arrestatie van eiser dus niet te maken heeft met de omstandigheid dat hij (vermeend) sympathisant van OLF-Shene zou zijn. Eiser heeft verder verklaard dat er een politieactie heeft plaatsgevonden waarbij de hele stad vol was met politie en dat niemand na 14:00 uur naar buiten mocht. Daarbij heeft hij verklaard dat hij niet wist waarom dat was (nader gehoor, p. 7 en p. 20). Uit deze verklaringen kan worden opgemaakt dat deze politieactie niet op eiser of zijn familie gericht was of anderszins verband hield met de verdenking dat eiser (vermeend) sympathisant is van OLF-Shene. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
11. De rechtbank constateert dat de minister geloofwaardig heeft gevonden dat de vader en broer problemen hebben ondervonden met OLF-Shene. Daarnaast vindt de minister het ook geloofwaardig dat eiser is mishandeld tijdens de zoektocht van de autoriteiten naar zijn broer. Dit is nogmaals bevestigd tijdens de zitting. Verder heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat zijn ouderlijk huis is vernield en dat de autoriteiten kwamen met een hoge belasting voor het restaurant (nader gehoor, p. 7). Deze verklaringen zijn door de minister niet in twijfel getrokken of betwist. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat de minister het geloofwaardig vindt dat eiser, vanwege de zoektocht naar zijn broer, ook persoonlijk problemen heeft ondervonden met de autoriteiten.
12. De rechtbank constateert verder dat de minister zich vervolgens op het standpunt stelt dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar het oordeel van de rechtbank motiveert de minister dit standpunt niet. De minister heeft uitsluitend verwezen naar de beoordeling van gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Die beoordeling betreft de vraag of eiser persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging als (vermeend) sympathisant van OLF-Shene. Daarmee heeft de minister miskend dat artikel 3 van het EVRM een eigen toetsingskader met zich brengt. Deze beroepsgrond slaagt.
13. De rechtbank concludeert dan ook dat het bestreden besluit onvoldoende inzicht geeft in de beoordeling van het door eiser gestelde reële risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM en dat de minister het standpunt dat van een dergelijk risico geen sprake is onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel vernietigen en de minister opdragen een nieuw besluit te nemen.
Buitenschuldbeleid voor AMV’ers
14. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat onvoldoende is gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM en de minister daar een nieuw besluit over moet nemen, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van deze beroepsgrond.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
16. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister een termijn van vier weken om een nieuw besluit te nemen.
17. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.