ECLI:NL:RBDHA:2026:6631

ECLI:NL:RBDHA:2026:6631

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-02-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer NL25.51498
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Tussenuitspraak, Syrië, buitenschuldbeleid AMV’ers, stamconflict, naamassociatie, artikel 15c, bestreden besluit is in strijd met het motiveringsbeginsel

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.51498 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G.E. Jans),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Isibor).

Inleiding

1. Eiser heeft op 29 september 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

3. De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Baban. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Buitenschuldbeleid voor AMV’ers
Artikel 15c van de Richtlijn 2004/32/EG

4. De rechtbank komt tot de conclusie dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om het gebrek te herstellen. In de rest van de uitspraak zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.

Het asielrelaas

5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2007 en is afkomstig uit [plaats] , Syrië. Hij is op zijn twaalfde samen met zijn zus en moeder naar Turkije gevlucht vanwege de oorlog in Syrië. Zijn vader is een aantal jaren eerder gevlucht naar Turkije vanwege problemen binnen zijn stam. Ook al zijn andere familieleden hebben Syrië verlaten. Eiser geeft aan dat hij niet kan terugkeren naar Syrië omdat hij daar geen sociaal netwerk meer heeft en ook vanwege een stamconflict van zijn vader en ooms. Eiser vreest voor eerwraak. Daarnaast kan eiser niet terugkeren naar Syrië omdat hij vreest problemen te krijgen met Koerden of Alawieten vanwege zijn naam. Er is in Syrië namelijk een terrorist die onder dezelfde naam bekend is als eiser. Die terrorist heeft grote problemen met de Koerden en als mensen achter de naam van eiser komen, dan

denken ze dat hij familie is van deze terrorist. Eiser wijst erop dat hij in Nederland in het AZC ook problemen heeft gehad met Koerden vanwege zijn naam.

Het bestreden besluit

6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister alleen het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst. Doordat eiser heeft verklaard dat hij geen problemen had toen hij Syrië verliet, zijn er volgens de minister niet meer asielmotieven die op geloofwaardigheid beoordeeld hoeven te worden.

7. De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Dit geloofwaardig gevonden asielmotief maakt volgens de minister niet dat eiser als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan worden aangemerkt. Daarnaast stelt de minister dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De minister neemt voor heel Syrië aan dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die aannemelijk maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het stamconflict en het feit dat hij dezelfde naam heeft als een bekende terrorist zullen leiden tot problemen bij terugkeer naar Syrië. Tot slot komt eiser volgens de minister niet in aanmerking voor het buitenschuldbeleid alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’ers). De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit.

8. Eiser voert aan dat hij met inachtneming van de verblijfsregels op basis van het buitenschuldbeleid AMV moet worden behandeld. Dit omdat eiser op het moment van de asielaanvraag minderjarig was. Door trage besluitvorming van de minister is hij meerderjarig geworden tijdens zijn asielprocedure. Tijdens de zitting heeft eiser hierop aangevuld dat het feit dat er contact is met zijn ouders en hun verblijfsplaats bekend is, nog niet voldoende is om te concluderen dat er sprake is van adequate opvang. Er moet namelijk ook een onderzoek gedaan worden waarbij alle individuele omstandigheden worden betrokken. Daarbij moet meegewogen worden dat zijn ouders niet in Syrië maar in Turkije verblijven en dat er op dit moment helemaal geen familieleden meer in Syrië wonen. Hierbij verwijst eiser naar de uitspraak van 24 oktober 2024 van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, (ECLI:NL:RBDHA:2024:17345). Ook verwijst eiser naar een uitspaak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 10 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:12223), waaruit volgens eiser volgt dat leefomstandigheden ook van belang zijn bij het onderzoek naar adequate opvang. Eiser voert verder aan dat, ook al is hij meerderjarig geworden tijdens de asielprocedure, de minister inzichtelijk moet maken wat de IND heeft gedaan in het onderzoek naar adequate opvang. Hij volgt de minister niet in zijn standpunt dat er vanuit gegaan kan worden dat sprake zal zijn van adequate opvang omdat zijn ouders een plicht zouden hebben om vanuit Turkije voor opvang voor hem te zorgen.

9. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor het buitenschuldbeleid AMV. De minister heeft opgemerkt dat eiser binnen de (verlengde)

beslistermijn van de asielaanvraag meerderjarig is geworden en dat daardoor de onderzoekstermijn naar adequate opvang te kort is geweest. Verder stelt de minister dat uit het onderzoek naar adequate opvang geen concrete conclusies konden worden getrokken. Daarnaast wijst de minister in zijn besluitvorming en op de zitting op een uitspraak van

6 juni 2012 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (ECLI:NL:RVS:2012:BW7803), waaruit volgt dat de zorgplicht van ouders voor minderjarige kinderen met zich meebrengt dat zij er zorg voor moeten dragen dat op enigerlei wijze opvang voor het kind in het land van herkomst aanwezig is, ook wanneer zij daar zelf niet aanwezig zijn. Uit het dossier volgt dat eiser contact had met zijn ouders, wat erop wijst dat hij niet als volledig netwerkloos kan worden aangemerkt en dat opvang in familieverband voorhanden was of kon worden georganiseerd.

10. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit artikel 3.58, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), in samenhang met paragraaf B8/6.2.1. van de Vreemdelingencirculaire (Vc), volgt dat een reguliere verblijfsvergunning kan worden verleend aan de alleenstaande minderjarige vreemdeling voor wie adequate opvang, bijvoorbeeld bij familieleden of andere personen, ontbreekt in het land van herkomst.

11. Uit het arrest T.Q. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, (ECLI:EU:C:2021:9) en de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022, (ECLI:NL:RVS:2022:1530 en ECLI:NL:RVS:2022:1532), volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. Verder volgt uit die uitspraken van de Afdeling dat, op het moment dat een niet-begeleide minderjarige vreemdeling meerderjarig is geworden, de minister niet langer is gehouden om te onderzoeken of adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is, op voorwaarde dat hij gedurende de minderjarigheid van de vreemdeling voortvarend aan dat onderzoek heeft gewerkt. Het ligt op de weg van de minister om dat in het concrete geval aan te tonen. De Afdeling heeft op 12 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2670) hierover geoordeeld dat de minister inzichtelijk moet maken welke stappen hij heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren.

12. In deze zaak heeft eiser op 29 september 2023 een asielaanvraag ingediend. Niet in geschil is dat eiser is geboren op [geboortedatum] 2007 en dat hij meerderjarig werd op [geboortedatum] 2025. Op 22 maart 2024 heeft het aanmeldgehoor plaatsgevonden. In dat gehoor zijn geen vragen gesteld die betrekking hebben op het al dan niet bestaan van adequate opvang in Syrië. Het nader gehoor heeft pas plaatsgevonden op 9 oktober 2025, eiser was toen al meerderjarig. Tijdens dit gehoor zijn slechts enkele vragen gesteld over adequate opvang. De antwoorden die eiser hierop gaf, zoals dat hij helemaal geen familie meer heeft in Syrië, duiden er juist op dat er geen opvang voor hem beschikbaar is in Syrië (p. 13-14 nader gehoor). Wat de minister in de periode van anderhalf jaar tussen de aanvraag en het moment dat eiser meerderjarig werd heeft gedaan aan onderzoek naar adequate opvang, is voor de rechtbank niet inzichtelijk geworden. Ook op de zitting kon de minister daar geen duidelijkheid over geven.

13. Verder overweegt de rechtbank dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat de ouders van eiser een zorgplicht hebben om opvang voor hem te regelen, ondanks dat zij zich niet in het land van herkomst bevinden. Tijdens de zitting heeft de minister aangegeven dat

de overweging in het verweerschrift, waarin wordt gezegd dat opvang in familieverband voorhanden was of kon worden georganiseerd, niet helemaal klopt. Hoewel de minister deze fout erkent, blijft het standpunt van de minister dat er op de ouders van eiser een zorgplicht rust. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende meegewogen dat eiser geen enkel familielid meer in Syrië heeft. Ook is bij de beoordeling niet betrokken in hoeverre de ouders van eiser daadwerkelijk in staat zijn om opvang in Syrië voor hem te regelen, gezien het feit dat zij in Turkije wonen en zij ook geen contacten meer hebben in Syrië. De minister heeft tijdens de zitting bevestigd dat er naar dit laatste punt niet is gekeken.

14. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij heeft voldaan aan de plicht om voortvarend onderzoek te doen naar adequate opvang. Ook heeft de minister niet gemotiveerd welke stappen er zijn ondernomen om het onderzoek naar adequate opvang af te ronden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:119) volgt vervolgens dat, als de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe hij aan de onderzoeksplicht heeft voldaan, de minister dan alsnog moet beoordelen of er tijdens de minderjarigheid adequate opvang was en wat dat betekent voor de verblijfsstatus en het terugkeerbesluit van eiser. Deze beoordeling is in dit geval eveneens niet gedaan.

15. De minister moet opnieuw de toepasselijkheid en consequenties van het buitenschuldbeleid voor AMV’ers beoordelen en zijn onderzoek naar adequate opvang voor eiser nader motiveren. De beroepsgrond van eiser slaagt.

Stamconflict

16. Eiser voert verder aan dat, nu hij meerderjarig is, het slechts een kwestie van tijd is voordat hij ook bedreigd zal worden in verband met het stamconflict van zijn vader. Dit omdat hij een direct familielid is en de enige zoon van zijn vader. Daarnaast stelt eiser dat er sprake is van een actuele dreiging, aangezien zijn ooms recent online bedreigingen hebben ontvangen. Eiser heeft een transcript van een telefonische bedreiging overgelegd, waarin wordt gesteld dat iedereen van zijn familie gedood zal worden en dat er wraak genomen zal worden, zelfs al is dit pas over honderd jaar.

17. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet duidelijk heeft gemaakt wat de oorzaak is van het stamconflict en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de stam naar hem op zoek is. Uit het nader gehoor blijkt dat de hoormedewerker een verklaring over de stamproblemen binnen de familie van eiser afhoudt. Zo zegt de hoormedewerker op het moment dat eiser er zelf over begint: ‘als het niet over jou persoonlijk gaat, dan hoeft het eigenlijk niet’ (p.7 nader gehoor). Eiser dringt toch aan op het verstrekken van deze informatie, wat hij uiteindelijk ook heeft gedaan. Vervolgens is er slechts summier doorgevraagd. Aangezien de minister zelf onvoldoende heeft doorgevraagd naar het stamconflict, kan het eiser niet worden tegengeworpen dat hij niet voldoende heeft verklaard over de aanleiding, de aard van het stamconflict en de personen die daarbij betrokken zijn. Daarnaast heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende meegewogen dat eiser pas twaalf jaar oud was toen hij Syrië verliet en nog jonger toen zijn vader vanwege het conflict uit Syrië vertrok, wat van invloed kan zijn op zijn vermogen om volledige informatie te verschaffen. Ook heeft de minister de

inhoud van de telefonische bedreiging onvoldoende betrokken bij zijn motivering. De beroepsgrond van eiser slaagt.

Naamassociatie

18. Eiser voert verder aan dat hij niet kan terugkeren naar Syrië omdat hij vreest problemen te krijgen met Koerden of Alawieten vanwege zijn naam. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen risico loopt om slachtoffer te worden van geweld, vanwege het feit dat hij dezelfde naam draagt als een bij Koerden en Alawieten beruchte persoon. Niet betwist is dat de betreffende persoon een terrorist is, dat zijn werkelijke naam op die van eiser lijkt en dat eiser in het AZC door Koerden is lastiggevallen vanwege zijn naam. Volgens de minister betekent het hebben van deze naam niet zonder meer dat eiser risico loopt om slachtoffer te worden van geweld. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit risico bij terugkeer naar Syrië bestaat. Dit is volgens de minister niet gebeurd, aangezien eiser zelf op de vraag of het vaker voorkomt dat mensen in Syrië vanwege deze achternaam problemen hebben, ‘nee’ heeft geantwoord

(p. 12 nader gehoor).

19. De omstandigheid dat de minister aan eiser heeft gevraagd of mensen met dezelfde achternaam problemen ondervinden in Syrië en eiser daarop ‘nee’ heeft geantwoord, is volgens de rechtbank onvoldoende om de conclusie te kunnen trekken dat eiser bij terugkeer geen risico zal lopen op geweld. Gelet op de jonge leeftijd waarop eiser Syrië verlaten heeft, het feit dat werkelijke naam van de betrokken beruchte persoon pas na de val van Assad bekend is geworden, en het feit dat eiser geen contacten meer heeft in Syrië, zijn de mogelijkheden voor eiser om te onderzoeken of zijn naam in Syrië tot risico’s leidt heel beperkt. Dat eiser geen voorbeelden vanuit Syrië kan noemen kan hem dus niet zomaar tegengeworpen worden. De minister kan, gelet op de samenwerkingsverplichting, niet blijven volhouden dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij bij terugkeer problemen zou ondervinden vanwege zijn naam. Eiser had, gezien zijn situatie, simpelweg niet kunnen weten of hij risico zou lopen op geweld bij terugkeer naar Syrië. Eiser heeft verwezen naar incidenten in het AZC met Koerden vanwege zijn naam. Dat is door de minister niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank vormen die incidenten een aanwijzing dat eisers naam mogelijk een risicofactor kan zijn. Dit betekent dat het op dit moment onvoldoende duidelijk is wat de situatie rondom de naam van eiser zou betekenen bij terugkeer naar Syrië. Daarvoor is meer informatie nodig. Van de minister mag worden verwacht dat hij zich in het kader van de samenwerkingsverplichting ook zal inspannen voor het verkrijgen van die informatie.

20. De rechtbank beslist in deze tussenuitspraak (nog) niet over de situatie in Syrië in het kader van artikel 15c van de Richtlijn 2004/83/EG. Dit omdat die beoordeling sterk afhankelijk is van de geloofwaardigheid van de bovengenoemde elementen van stamconflict en naamassociatie. Totdat er meer duidelijkheid is over de geloofwaardigheid van deze elementen, onthoudt de rechtbank zich van een inhoudelijke beoordeling op grond van artikel 15c. Voor zover de resultaten van verder onderzoek of wijzigende omstandigheden daar aanleiding toe geven, zal de minister ook op dit punt een nieuwe afweging moeten maken.

Conclusie en gevolgen

21. Zoals hiervoor overwogen is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om een tussenuitspraak te doen en om de minister in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op de aanvraag, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De minister moet nader motiveren welke stappen hij heeft ondernomen bij de beoordeling van adequate opvang en waarom eiser vanwege het stamconflict en de naamassociatie bij terugkeer geen risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De minister moet dit doen met inachtneming van deze tussenuitspraak. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

22. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister.

23. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dit betekent dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

19 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. van der Knijff

Griffier

  • mr. N.B. Tool

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?