[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: M. Meijning).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 21 juli 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Indiase nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is als gevolg van deze invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
Op 22 augustus 2023 heeft de minister eiser een terugkeerbesluit opgelegd en aan hem medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 september 2023. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Op 21 juli 2025 heeft de minister aan eiser een vervangend terugkeerbesluit opgelegd en daarbij – mede door middel van het op 4 juni 2025 uitgebrachte voornemen – aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd. In het terugkeerbesluit staat ook dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt.
Partijen zijn per brief van 10 oktober 2025 gevraagd of zij nog mondeling op een zitting willen worden gehoord. Bij het uitblijven van een reactie van partijen heeft de rechtbank afgezien van een zitting en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid
3. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 21 juli 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 22 augustus 2023 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 21 juli 2025 daarom inhoudelijk beoordelen.
Nu het besluit van 22 augustus 2023 is vervangen door het terugkeerbesluit van 21 juli 2025, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat gericht is tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van zijn proceskosten, omdat het besluit onrechtmatig is genomen. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 5.1.
De gronden van eiser en het oordeel van de rechtbank
Prematuur terugkeerbesluit
4. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit prematuur is, omdat hij op grond van een eerder toegekende voorlopige voorziening rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Daardoor is het terugkeerbesluit in strijd met artikel 2 van de Terugkeerrichtlijn. Eiser wijst op een uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2025.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez van 19 december 2024 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet blijkt op welke toegewezen voorlopige voorziening eiser zich beroept, noch wat de inhoud en de reikwijdte van die voorziening zouden zijn geweest. Reeds daarom slaagt de beroepsgrond niet. Daar komt bij dat een toegewezen voorlopige voorziening niet leidt tot het ontstaan van een geldig verblijfstitel waardoor rechtmatig verblijf ontstaat. Nu de tijdelijke bescherming van eiser van rechtswege is geëindigd, beschikte eiser ten tijde van het bestreden besluit niet over rechtmatig verblijf. De minister kon hem daarom een terugkeerbesluit opleggen en wijst in dat kader terecht naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018. Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet betekent dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn.
Artikel 3 van het EVRM: non-refoulement
Verder voert eiser aan dat de minister gelet op het arrest Ararat van 17 oktober 2024 een geactualiseerde non-refoulementsbeoordeling moet maken ten aanzien van zijn land van herkomst. De minister heeft dat ten onrechte niet gedaan en moet hiervoor nader onderzoek doen waarbij eiser moet worden gehoord.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor de toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij zich er van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).
De minister heeft zich in de bestreden besluitvorming op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar India een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Eiser heeft in de zienswijze en in beroep geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou volgen dat hij bij terugkeer naar India een reëel risico op ernstige schade loopt. Hieruit volgt dat de minister wel degelijk een geactualiseerde non-refoulementsbeoordeling heeft gemaakt. Dat eiser stelt dat hij moet worden gehoord, volgt de rechtbank dan ook niet. Eiser is met het indienen van de zienswijze immers in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt uiteen te zetten. Daarmee is voldaan aan het doel van de hoorplicht.
Evenredigheidsbeginsel
Ten slotte voert eiser aan dat het terugkeerbesluit is in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidbeginsel.
De rechtbank is van oordeel dat aan het evenredigheidsbeginsel niet wordt toegekomen omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 van rechtswege is afgelopen. Daarom is voor een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in een individueel geval geen plaats meer. Gelet hierop gaat de op een betrokkene toegespitste beoordeling die de minister moet maken niet verder dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat een derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 22 augustus 2023, is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser moet daarom binnen de in het terugkeerbesluit gestelde termijn terugkeren naar India.
Omdat de niet-ontvankelijkheidverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 22 augustus 2023 het gevolg is van de vervanging van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2023 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 juli 2025 ongegrond; en
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 maart 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.