[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.S. Nandoe),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: D. Meier).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiseres op 7 augustus 2025 is opgelegd. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. In Oekraïne had zij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is als gevolg van deze invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
Op 21 februari 2024 heeft de minister eiseres een terugkeerbesluit opgelegd en aan haar medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Op 7 augustus 2025 heeft de minister aan eiseres een vervangend terugkeerbesluit opgelegd en daarbij – mede door middel van het op 4 juni 2025 uitgebrachte voornemen – aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd. In het terugkeerbesluit staat ook dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Het eerdere terugkeerbesluit van 21 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiseres op dat moment nog rechtmatig verblijf in Nederland had. De minister heeft het besluit van 21 februari 2024 ingetrokken.
Partijen zijn per brief van 10 oktober 2025 gevraagd of zij nog mondeling op een zitting willen worden gehoord. De minister heeft de rechtbank medegedeeld toestemming te geven de zaak af te doen buiten zitting. Bij het uitblijven van een reactie van eiseres heeft de rechtbank daarom afgezien van een zitting en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid
3. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 daarom inhoudelijk beoordelen
Nu de minister het besluit van 21 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat gericht is tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren. Eiseres heeft wel recht op vergoeding van haar proceskosten, omdat het besluit prematuur is genomen. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 5.1.
De gronden van eiser en het oordeel van de rechtbank
Vertrouwensbeginsel: toezeggingen
4. Eiseres voert aan dat er toezeggingen zijn gedaan dat de tijdelijke bescherming voor facultatief beschermden zoals eiseres pas zou worden beëindigd als ook die van de verplicht beschermden wordt beëindigd en dat zij daarop mocht vertrouwen. Zij stelt daartoe dat de Afdeling in de uitspraak van 23 april 2025 geen antwoord heeft gegeven op de vraag of dergelijke toezeggingen zijn gedaan. Verder wijst eiseres erop dat uit de Terugkeerrichtlijn volgt dat de minister duidelijk moet maken wanneer een vreemdeling moet vertrekken. Dat heeft de minister niet gedaan door tot tweemaal toe een terugkeerbesluit op te leggen en vervolgens weer in te trekken.
De rechtbank is met de minister eens dat de Afdeling zich wel degelijk heeft uitgesproken over de vraag of er toezeggingen zijn gedaan. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan, waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt of waaruit blijkt dat hun tijdelijke bescherming verlengd zou worden tot en met 4 maart 2025. Verder oordeelt de Afdeling dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. Daarom heeft de Afdeling geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De Afdeling overweegt in haar uitspraak van 23 april 2025 (na beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof in het arrest Kaduna en Abkez), onder verwijzing naar de uitspraak van 17 januari 2024, dat er geen reden is om tot een ander oordeel te komen. Ook de rechtbank ziet geen grond om anders te oordelen. Dat eerder opgelegde terugkeerbesluiten door de minister zijn ingetrokken, doet aan het voorgaande ook niet af. Het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.
Beroep op de voorlopige voorziening en de bevriezingsmaatregel
Verder voert eiseres aan dat haar geen terugkeerbesluit mag worden opgelegd, omdat zij op grond van een eerder toegekende voorlopige voorziening rechtmatig verblijf heeft in Nederland en onder de bevriezingsmaatregel viel ten tijde van het bestreden besluit. Zij verwijst hiervoor naar preambule 9 van de Terugkeerrichtlijn, waaruit volgt dat verblijf in een bestuurlijke fase van de asielprocedure niet als illegaal verblijf mag worden aangemerkt. Dat is volgens haar ook in de Procedurerichtlijn uitdrukkelijk bepaald.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
De rechtbank stelt vast dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 5 april 2024 heeft bepaald dat eiseres feitelijk niet mag worden uitgezet. De rechtbank merkt op dat de getroffen voorlopige voorziening ‘slechts’ betekent dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort in afwachting van de uitspraak op het beroep en niet dat aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Nu de tijdelijke bescherming van eiseres van rechtswege is beëindigd, voldoet eiseres niet aan die voorwaarden. De uitspraak van de voorzieningenrechter verleent bovendien geen verblijfstitel. De minister verwijst in dit verband terecht naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018. Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet betekent dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiseres door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van het arrest Kaduna en Abkez. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 3 van het EVRM
Eiseres voert aan dat haar situatie analoog is aan de situatie van een asielzoeker, omdat de minister op grond van de bevriezingsmaatregel eiseres niet als uitzetbaar beschouwt en omdat ontheemden, afkomstig uit een oorlogssituatie als bedoeld in de RTB, dezelfde mate van bescherming tegen een schending van artikel 3 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moeten verkrijgen. Ze wijst erop dat preambule 9 van de Terugkeerrichtlijn op haar situatie van toepassing is.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat van 17 oktober 2024 heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij er zich van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Dat eiseres stelt dat haar situatie gelijk moet worden gesteld als die van een asielzoeker, volgt de rechtbank in zoverre dat daarin de verplichting voor de minister bestaat om een geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken voordat hij een terugkeerbesluit kan opleggen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een dergelijke geactualiseerde refoulementbeoordeling gemaakt. In het voornemen en in het bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, foltering of onmenselijke of vernederende behandelingen. Eiseres heeft ook geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij bij terugkeer naar Marokko een reëel risico op ernstige schade loopt. Het beroep op preambule 9 van de Terugkeerrichtlijn maakt dit niet anders, nu dit geen betrekking heeft op het maken van een geactualiseerde refoulementbeoordeling. Hieruit blijkt ook niet dat er zwaarwegende feiten en of omstandigheden zijn om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het ingetrokken besluit van 21 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het besluit 7 augustus 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiseres moet daarom binnen de in het terugkeerbesluit gestelde termijn terugkeren naar Marokko.
Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiseres heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
In de uitspraak van 5 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL24.7571 de voorziening getroffen dat eiseres moet worden behandeld alsof de rechten van de RTB nog op haar van toepassing zijn. Met deze uitspraak vervalt deze voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2025 ongegrond; en
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 maart 2026
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.