[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.S. Nandoe),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: A.J. Philipse).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 25 juli 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit ten onrechte heeft opgelegd. Het beroep is dus gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is als gevolg van deze invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
Op 7 februari 2024 heeft de minister eiser een terugkeerbesluit opgelegd en aan hem medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Op 25 juli 2025 heeft de minister aan eiser een vervangend terugkeerbesluit opgelegd en daarbij – mede door middel van het op 4 juni 2025 uitgebrachte voornemen – aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd. In het terugkeerbesluit staat ook dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf in Nederland had. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken.
Partijen zijn per brief van 10 oktober 2025 gevraagd of zij nog mondeling op een zitting willen worden gehoord. De minister heeft de rechtbank medegedeeld toestemming te geven de zaak af te doen buiten zitting. Bij het uitblijven van een reactie van eiser heeft de rechtbank daarom afgezien van een zitting en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid
3. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 25 juli 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 25 juli 2025 daarom inhoudelijk beoordelen
Nu de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat gericht is tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van zijn proceskosten, omdat het besluit prematuur is genomen. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 5.1.
De gronden van eiser en het oordeel van de rechtbank
Vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel
4. Eiser voert aan dat er toezeggingen zijn gedaan dat de tijdelijke bescherming voor facultatief beschermden zoals eiser pas zou worden beëindigd als ook die van de verplicht beschermden wordt beëindigd en dat hij daarop mocht vertrouwen. Hij stelt daartoe dat de Afdeling in de uitspraak van 23 april 2025 geen antwoord heeft gegeven op de vraag of dergelijke toezeggingen zijn gedaan. Verder wijst eiser erop dat uit de Terugkeerrichtlijn volgt dat de minister duidelijk moet maken wanneer een vreemdeling moet vertrekken. Dat heeft de minister niet gedaan door tot tweemaal toe een terugkeerbesluit op te leggen en vervolgens weer in te trekken.
De rechtbank is met de minister eens dat de Afdeling zich wel degelijk heeft uitgesproken over de vraag of er toezeggingen zijn gedaan. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan, waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt of waaruit blijkt dat hun tijdelijke bescherming verlengd zou worden tot en met 4 maart 2025. Verder oordeelt de Afdeling dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. Daarom heeft de Afdeling geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De Afdeling overweegt in haar uitspraak van 23 april 2025 (na beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof in het arrest Kaduna en Abkez), onder verwijzing naar de uitspraak van 17 januari 2024, dat er geen reden is om tot een ander oordeel te komen. Ook de rechtbank ziet geen grond om anders te oordelen. Dat eerder opgelegde terugkeerbesluiten door de minister zijn ingetrokken, doet aan het voorgaande ook niet af. Het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.
Beroep op de voorlopige voorziening en de bevriezingsmaatregel
Verder voert eiser aan dat hem geen terugkeerbesluit mocht worden opgelegd, omdat hij op grond van een eerder toegekende voorlopige voorziening rechtmatig verblijf heeft in Nederland en onder de bevriezingsmaatregel viel ten tijde van het bestreden besluit. Hij verwijst hiervoor naar preambule 9 van de Terugkeerrichtlijn, waaruit volgt dat verblijf in een bestuurlijke fase van de asielprocedure niet als illegaal verblijf mag worden aangemerkt. Dat is volgens hem ook in de Procedurerichtlijn uitdrukkelijk bepaald.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
De rechtbank stelt vast dat de voorzieningenrechter in de uitspraken van 29 maart 2024 en 12 april 2024 heeft bepaald dat eiser feitelijk niet mag worden uitgezet. De rechtbank merkt op dat de getroffen voorlopige voorzieningen ‘slechts’ betekenen dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort in afwachting van de uitspraak op het beroep en niet dat aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Nu de tijdelijke bescherming van eiser van rechtswege is beëindigd, voldoet eiser niet aan die voorwaarden. De uitspraken van de voorzieningenrechter verlenen bovendien geen verblijfstitel. De minister verwijst in dit verband terecht naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018. Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet betekent dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiser door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van het arrest Kaduna en Abkez. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 3 van het EVRM
Eiser voert aan dat zijn situatie analoog is aan de situatie van een asielzoeker, omdat de minister op grond van de bevriezingsmaatregel eiser niet als uitzetbaar beschouwt en omdat ontheemden, afkomstig uit een oorlogssituatie als bedoeld in de RTB, dezelfde mate van bescherming tegen een schending van artikel 3 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moeten verkrijgen.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat van 17 oktober 2024 heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij er zich van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Dat eiser stelt dat zijn situatie gelijk moet worden gesteld als die van een asielzoeker, volgt de rechtbank in zoverre dat daarin de verplichting voor de minister bestaat om een geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken voordat hij een terugkeerbesluit kan opleggen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de besluitvorming een dergelijke geactualiseerde refoulementbeoordeling in de zin van het arrest Ararat niet gemaakt. In het voornemen staat vermeld dat er een geactualiseerde refoulementbeoordeling is verricht. Eiser heeft in zijn zienswijze aangegeven dat hij vanwege zijn etnische afkomst en/of religie vrees heeft om slachtoffer te worden van geweld door extremistische Fulani’s. Hij stelt dat zij zijn broer hebben ontvoerd, waarna losgeld is geëist en de situatie uit de hand is gelopen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar verschillende bronnen. In het bestreden besluit stelt de minister zich hierover op het standpunt dat eiser een asielaanvraag dient in te dienen als hij vindt dat nader moet wordt onderzocht of sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM. Hiermee heeft de minister geen kenbare geactualiseerde refoulementbeoordeling verricht in het licht van de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd in zijn zienswijze. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering. De rechtbank wijst in dit verband nog naar punten 40 en 41 van het arrest Ararat, waarin het Hof heeft overwogen dat van een vreemdeling niet verlangd mag worden dat hij of zij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient om de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement tot gelding te laten komen. Dit betekent dat het beroep van eiser gegrond is en het bestreden besluit wordt vernietigd. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het besluit van 25 juli 2025 is gegrond. Dat betekent dat het besluit van 25 juli 2025 dient te worden vernietigd. De rechtbank kan de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit niet in stand laten, omdat de minister een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken op grond van de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd. De rechtbank stelt de minister niet in staat om het geconstateerde gebrek te herstellen door middel van een zogenoemde bestuurlijke lus, aangezien dit geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
Omdat het beroep gegrond is en omdat de niet-ontvankelijkheid van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, krijgt eiser vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voorde door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
In de uitspraken van 29 maart 2024 en 12 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaken NL24.15995 en NL24.10131 de voorziening getroffen dat het verboden is om eiser uit te zetten. Met deze uitspraak vervalt deze voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 juli 2025 gegrond;
- vernietigt het besluit van 25 juli 2025;
- draagt de minister op om binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen; en
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,00 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 maart 2026
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.