[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: S. Duis).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 7 augustus 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is als gevolg van deze invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
Op 21 februari 2024 heeft de minister eiser een terugkeerbesluit opgelegd en aan hem medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Op 7 augustus 2025 heeft de minister aan eiser een vervangend terugkeerbesluit opgelegd en daarbij – mede door middel van het op 4 juni 2025 uitgebrachte voornemen – aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd. In het terugkeerbesluit staat ook dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Het eerdere terugkeerbesluit van 21 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf in Nederland had. De minister heeft het besluit van 21 februari 2024 ingetrokken.
Partijen zijn laatstelijk per brief van 9 oktober 2025 gevraagd of zij nog mondeling op een zitting willen worden gehoord. Bij het uitblijven van een reactie van beide partijen heeft de rechtbank afgezien van een zitting en het onderzoek gesloten.
Ontvankelijkheid
3. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 daarom inhoudelijk beoordelen.
Nu de minister het besluit van 21 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat gericht is tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van zijn proceskosten, omdat het besluit prematuur is genomen. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 5.1.
De gronden van eiser en het oordeel van de rechtbank
Prematuur terugkeerbesluit
4. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 prematuur is genomen. Hij verwijst daarvoor naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 10 juli 2025, en de aan eiser toegewezen voorlopige voorziening.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 niet prematuur opgelegd. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de tijdelijke bescherming geacht moet worden te zijn beëindigd op 4 maart 2024. Het bestreden terugkeerbesluit is ná die datum opgelegd, waardoor het niet in strijd met de Terugkeerrichtlijn is genomen. Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 10 juli 2025 slaagt dan ook niet, aangezien het terugkeerbesluit in die zaak was genomen op 7 februari 2024, dus vóór 4 maart 2024. De rechtbank oordeelt verder dat de toegewezen voorlopige voorziening waar eiser zich op beroept niet aan het opleggen van het terugkeerbesluit aan de weg staat. De rechtbank merkt op dat de getroffen voorlopige voorziening ‘slechts’ betekent dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort en niet dat aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Nu de tijdelijke bescherming van eiser van rechtswege is beëindigd, voldoet eiser niet aan die voorwaarden. De uitspraak van de voorzieningenrechter verleent bovendien geen verblijfstitel. De minister verwijst in dit verband terecht naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018. Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet betekent dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het ingetrokken besluit van 21 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep dat gericht is tegen het besluit van 7 augustus 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser moet daarom binnen de in het terugkeerbesluit gestelde termijn terugkeren naar Marokko.
Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Bij uitspraak van 8 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL24.15176 de voorziening getroffen dat eiser moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de RTB en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten op hem van toepassing is totdat uitspraak is gedaan op het beroep. Met deze uitspraak vervalt deze voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2025 ongegrond; en
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 maart 2026
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.