ECLI:NL:RBDHA:2026:6644

ECLI:NL:RBDHA:2026:6644

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer NL25.36246
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Derdelander Oekraïne zaak. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Het terugkeerbesluit is terecht opgelegd door de minister. Implementatie van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming in Nederland, bevoegdheid tot beëindiging van de facultatieve bescherming, Unierechtelijke rechtsbeginselen, hoorplicht, artikel 8 EVRM.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.A. Neslo),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: H. Hens).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 22 juli 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Ghanese nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is als gevolg van deze invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.

4. Op 22 juli 2025 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en daarmee medegedeeld dat eisers verblijfsrecht op grond van de RTB is geëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Eiser heeft tegen dit terugkeerbesluit beroep ingesteld.

5. Partijen zijn per brief van 12 september 2025 gevraagd of zij nog mondeling op een zitting willen worden gehoord. De minister heeft de rechtbank medegedeeld toestemming te geven de zaak af te doen buiten zitting. Bij het uitblijven van een reactie van eiser heeft de rechtbank daarom afgezien van een zitting en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Implementatie van de RTB in Nederland en het verlenen van een verblijfsvergunning

6. Eiser voert aan dat de implementatie van de RTB onjuist is geweest. Volgens eiser volgt uit de RTB dat hij op grond daarvan recht heeft op een verblijfstitel. De minister had hem daarom niet alleen uitstel van vertrek in afwachting van een asielprocedure moeten verlenen, maar ook een verblijfsvergunning. Voor intrekking van de verblijfsvergunning had dan een intrekkingsprocedure moeten worden gevolgd, wat nu niet is gebeurd.

De rechtbank overweegt dat uit de RTB volgt dat ontheemden tijdelijke bescherming krijgen overeenkomstig de bepalingen in de Richtlijn, wat inhoudt dat de lidstaten de begunstigden een volgens nationale wetgeving opgestelde vergunning of toestemming dienen af te geven, op grond waarvan het is toegestaan op het grondgebied te verblijven. Verder bepaalt artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit dat de lidstaten dit besluit of passende bescherming uit hoofde van hun eigen nationale recht toepassen. Nederland heeft bij de implementatie van de RTB voor een systeem gekozen waarbij de ontheemde een asielaanvraag moet indienen, waarmee hij op grond van artikel 8, onder f of h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) rechtmatig verblijf in Nederland kan krijgen. Net als asielzoekers worden deze ontheemden ook in het bezit gesteld van een W-document. De toestemming tot verblijf voor ontheemden is geregeld in artikel 3.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Het eerste lid daarvan, aanhef en onder e, bepaalt ten aanzien van de facultatieve groep dat deze aangewezen moet worden bij ministeriële regeling. Met het gewijzigde artikel 3.9a van het Vreemdelingen Voorschrift 2000 (VV) heeft de minister hieraan invulling gegeven.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit de RTB niet volgt dat de minister eiser een verblijfsvergunning had moeten verlenen. De RTB schrijft niet dwingend voor in welke vorm een verblijfstitel moet worden verstrekt. Het kan gaan om een vergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf. Lidstaten hebben de nodige vrijheid hebben om zelf in te richten welke vorm de verblijfstitel heeft. Het is immers aan de individuele lidstaat om aan ontheemden passende bescherming te bieden, uit hoofde van hun eigen nationale recht. Van een onjuiste implementatie is daarom ook geen sprake. Het verblijfsdocument dat Nederland aan tijdelijk beschermden verstrekt voldoet aan de RTB en beschermden kunnen met dit document alle rechten uitoefenen die zij op grond van de RTB hebben. De minister was daarom niet gehouden een verblijfsvergunning te verlenen. Daarmee kan eiser ook niet worden gevolgd in zijn betoog dat er een intrekkingsprocedure had moeten plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt niet.

Bevoegdheid tot het beëindigen van de facultatieve tijdelijke bescherming

Eiser betoogt verder dat niet is voldaan aan de bevoegdheid tot beëindigen van de facultatieve tijdelijke bescherming. Uit artikel 6 van de RTB volgt volgens eiser dat de tijdelijke bescherming alleen kan worden beëindigd als de maximale duur daarvan is bereikt, of door een met gekwalificeerde meerderheid genomen besluit van de Raad. Er is geen bepaling in de RTB waarin is neergelegd dat lidstaten zelf mogen bepalen wanneer zij de tijdelijke bescherming beëindigen. Het terugkeerbesluit van 22 juli 2025 is daarom in strijd met de RTB genomen.

De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024 volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen . De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 23 april 2025, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne, mocht beëindigen op 4 maart 2024. Gelet op deze jurisprudentie van het Hof en de Afdeling slaagt de beroepsgrond van eiser niet.

Unierechtelijke rechtsbeginselen: vertrouwens-, evenredigheidsbeginsel en individuele belangenafweging

Eiser stelt dat het terugkeerbesluit van 22 juli 2025 in strijd is met het vertrouwensbeginsel is genomen, nu er geen enkele aanwijzing bestond dat facultatief beschermden anders zouden worden behandeld dan degene die verplicht worden beschermd. Volgens eiser is er wel degelijk een concrete toezegging is gedaan dat de groep facultatief beschermden gedurende de hele periode van tijdelijke bescherming onder de regeling valt. Er was geen aanwijzing dat deze status jaarlijks opnieuw beoordeeld zou worden. Het beëindigen van de bescherming kan niet zomaar kan gebeuren; dit vereist een zorgvuldige belangenafweging. Degene die de bescherming geniet moet daarbij gehoord worden, ook in het kader van artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu sprake is van opgebouwd privé- en gezinsleven. Eiser voert verder aan dat het doel van de beëindiging onduidelijk is en dat niet kan worden gesteld dat sprake is van een legitiem doel. Niet valt daarom in te zien dat beëindiging van de tijdelijke bescherming een geschikt en noodzakelijk middel is, althans de minister heeft dit niet deugdelijk gemotiveerd.

Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak van 17 januari 2024 heeft geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan, waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Verder oordeelt de Afdeling dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. Daarmee heeft de Afdeling geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel daarmee niet aan de orde is. De Afdeling overweegt in haar uitspraak van 23 april 2025 (na de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof in het arrest Kaduna en Abkez), onder verwijzing naar de uitspraak van 17 januari 2024, dat er geen reden is om tot een ander oordeel te komen. Ook de rechtbank ziet geen grond om anders te oordelen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.

Ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat dit beginsel evenmin in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 10 tot en met 10.3 van de Afdelingsuitspraak van 17 januari 2024. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. Voor een individuele belangenafweging is geen plaats, omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 van rechtswege is afgelopen, zoals reeds is overwogen. Daardoor hoefde de minister ook geen op een betrokkene toegespitste beoordeling te maken die verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfstitel.

Het voorgaande geldt ook voor het betoog over de beoordeling op grond van artikel 8 van het EVRM. De Terugkeerrichtlijn verplicht de minister niet om bij een terugkeerbesluit zelfstandig te toetsen aan artikel 8 van het EVRM of een verblijfsrecht te verlenen, waardoor in deze procedure geen volledige beoordeling van het familie- en gezinsleven plaatsvindt zoals bij een reguliere procedure. De minister behoort enkel in het kader van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn rekening te houden met familie- en gezinsleven. De enkele stelling, zonder onderbouwing, dat eiser privé- en gezinsleven heeft opgebouwd in Nederland is onvoldoende om in de weg te staan aan het vaststellen van een terugkeerbesluit. Als eiser wel van mening is dat hij aan opgebouwd privé- en/of gezinsleven verblijfsrecht ontleent, kan eiser een daartoe strekkende aanvraag indienen.

De rechtbank ziet, mede gelet op wat hiervoor is overwogen, geen aanleiding om te oordelen dat de minister eiser voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit had moeten horen. Eiser is met het indienen van de zienswijze in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt uiteen te zetten. Daarmee is voldaan aan het doel van de hoorplicht. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Het terugkeerbesluit van 22 juli 2025 kan in stand blijven.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

25 maart 2026

Rechtsmiddel

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze

partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend

binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de

behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de

indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van

State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?