ECLI:NL:RBDHA:2026:6652

ECLI:NL:RBDHA:2026:6652

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer NL24.9342
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Derdelander Oekraïne zaak. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Het terugkeerbesluit is terecht opgelegd door de minister. Er zijn geen nieuwe gronden aangevoerd tegen het terugkeerbesluit.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: A.J. Philipse).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 17 juli 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is als gevolg van deze invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.

4. Op 7 februari 2024 heeft de minister eiser een terugkeerbesluit opgelegd en aan hem medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

5. Op 17 juli 2025 heeft de minister een vervangend terugkeerbesluit opgelegd en daarbij – middels het op 4 juni 2025 uitgebrachte voornemen – aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd. In het terugkeerbesluit staat ook dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf in Nederland had. De minister heeft het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken.

6. Partijen zijn per brief van 26 februari 2026 gevraagd of zij nog mondeling op een zitting willen worden gehoord. Bij het uitblijven van een reactie van beide partijen heeft de rechtbank afgezien van een zitting en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid

7. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 17 juli 2025 als vervangend

besluit van het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 17 juli 2025 daarom inhoudelijk

beoordelen.

8. Omdat de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat gericht is tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van zijn proceskosten, omdat het besluit prematuur is genomen. De

rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 12.

Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 17 juli 2025

9. Op 25 juli 2025 heeft de rechtbank eiser schriftelijk verzocht om een nieuwe reactie op het terugkeerbesluit van 17 juli 2025. Eiser heeft hierop niet gereageerd en heeft daarmee geen aanvullende gronden tegen dit terugkeerbesluit ingediend.

10. De rechtbank overweegt verder het volgende. Het Hof heeft in het arrest Kaduna en Abkez geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om facultatieve tijdelijke bescherming eerder in te trekken dan het moment waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Ook heeft het Hof geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe dit arrest van het Hof moet worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Het terugkeerbesluit van 17 juli 2025 is genomen ná 4 maart 2024 en is daarmee rechtmatig. Eiser heeft niet toegelicht waarom dit terugkeerbesluit volgens hem niet rechtmatig is. Daarnaast hij heeft ook niet toegelicht of de gronden die hij tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 heeft aangevoerd ook van toepassing zouden moeten zijn op het besluit van 17 juli 2025. Daarom verklaart de rechtbank het beroep, voor zover het ziet op het terugkeerbesluit van 17 juli 2025, ongegrond.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het besluit van 17 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft.

12. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).

13. Voor zover er een voorlopige voorziening is getroffen vervalt deze voorziening op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 juli 2025 ongegrond; en

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

25 maart 2026

Rechtsmiddel

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze

partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend

binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de

behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de

indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van

State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?