[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: S. Sinniah).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 5 augustus 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RBT) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
4. Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister hem een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
5. Op 5 augustus 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan hem een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken4 en vervangen met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6. Partijen zijn per brief van 9 oktober 2025 gevraagd of zij nog mondeling op een zitting willen worden gehoord. De minister heeft de rechtbank medegedeeld toestemming te geven de zaak af te doen buiten zitting. Bij het uitblijven van een reactie van eiser heeft de rechtbank daarom afgezien van een zitting en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het terugkeerbesluit van 5 augustus 2025
Ontvankelijkheid
7. Het terugkeerbesluit van 5 augustus 2025 vervangt het terugkeerbesluit van 7 februari 2024. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep daarom ook betrekking op het nieuwe terugkeerbesluit.
8. Omdat de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van de proceskosten ten aanzien van de intrekking van het besluit van 7 februari 2024. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 18.
Het standpunt van eiser
9. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 5 augustus 2025 prematuur is opgelegd, omdat hij nog rechtmatig verblijf had tot en met 4 september 20205 door de bevriezingsmaatregel. Ook had eiser nog rechtmatig verblijf in Nederland op grond van de toegewezen voorziening van 11 april 2024 (NL24.15587). De voorzieningenrechter heeft namelijk de voorlopige voorziening getroffen dat eiser nog gebruik mag maken van de rechten onder de RTB, totdat er uitspraak is gedaan op het beroep. Doordat eiser rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8 onder h van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), was de minister niet bevoegd om op grond van artikel 6 van de richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) een terugkeerbesluit te nemen. Eiser voert verder aan dat zijn ontheemde situatie moet leiden tot het verlenen van een verblijfstitel en dat de minister een individuele belangenafweging had moeten maken. Hij woont en werkt inmiddels drie jaar in Nederland, heeft bijzondere banden opgebouwd, draagt bij aan de Nederlandse economie en is geïntegreerd. Volgens eiser zijn dit bijzondere omstandigheden die aanleiding zijn om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Daarnaast stelt hij dat de Nederlandse staat, gezien de langdurige tijdelijke bescherming die hij heeft genoten, de overgang naar een andere rechtspositie moet bevorderen omdat hij inmiddels is geïntegreerd. De minister had eiser hierover persoonlijk moeten horen. Verder wijst eiser erop dat de minister bij het opleggen van een terugkeerbesluit het recht op privéleven en familie- en gezinsleven, zoals vastgelegd in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, mee moet wegen.
10. De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024 volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 niet prematuur opgelegd. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de tijdelijke bescherming is geëindigd op 4 maart 2024. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de uitspraken van 23 april 2025 – in lijn met het arrest Kaduna en Abkez – heeft geoordeeld dat de minister bevoegd was om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op 4 maart 2024. Omdat de tijdelijke bescherming van eiser op 4 maart 2024 is geëindigd voldoet eiser niet meer aan de voorwaarden voor verblijf. Zijn verblijf in Nederland is daardoor illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. In de zaak van eiser is in dit kader van belang dat de voorzieningenrechter bij uitspraak van 11 april 2024 heeft bepaald dat eiser wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de RTB en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten, op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep. Dit doet echter niet af aan de vaststelling van illegaal verblijf en de verplichting en dus bevoegdheid voor de minister om een terugkeerbesluit vast te stellen. De rechtbank overweegt dat de getroffen voorlopige voorziening betekent dat eiser weliswaar gedurende de beroepsprocedure rechtmatig verblijf heeft om zo de uitkomst van die procedure af te kunnen wachten, maar dat de getroffen voorlopige voorziening ‘slechts’ betekent dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort in afwachting van de uitspraak op het beroep en niet dat aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiser door middel van de bevriezingsmaatregel evenwel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, betekent evenmin dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister stelt namelijk terecht dat de bevriezingsmaatregel niet betekende dat de tijdelijke bescherming onder de RTB werd verlengd, maar dat eiser feitelijk nog gebruik kon maken van de rechten die hij onder de RTB had. Dit is dus niet meer dan een tijdelijke opschorting. De beroepsgrond slaagt niet.
Het evenredigheidsbeginsel, artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn en de hoorplicht
12. Naar het oordeel van de rechtbank staat het evenredigheidsbeginsel niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 10 tot en met 10.3 van de Afdelingsuitspraak van 17 januari 2024. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. Voor een individuele belangenafweging is geen plaats, omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 van rechtswege is afgelopen, zoals reeds overwogen. Daardoor hoefde de minister ook geen op een betrokkene toegespitste beoordeling te maken die verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning. Als eiser van mening is dat hij door de langdurige tijdelijke bescherming een andere rechtspositie heeft verkregen, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen. Dit geldt ook in het geval eiser meent dat hij door zijn werk in Nederland privéleven heeft opgebouwd en aan dat privéleven verblijfsrecht ontleent.
13. De rechtbank overweegt verder dat artikel 5, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening houden met onder meer het familie- en gezinsleven. De rechtbank merkt in dit kader op dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van het EVRM. In dat verband overweegt de rechtbank dat de Terugkeerrichtlijn niet ziet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toestemming van verblijf en dat aan deze richtlijn geen verblijfsrecht kan worden ontleend. Uit deze richtlijn vloeit dan ook geen verplichting voor de minister voort om uit eigen beweging na te gaan of het verblijf van een derdelander moet worden geregulariseerd door een verblijfsvergunning of een andere toestemming voor verblijf te geven. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de onderhavige procedure dus niet bedoeld is voor een volledige beoordeling van familie- en gezinsleven, zoals dat wel wordt gedaan in een reguliere aanvraag. In zoverre wijst de minister er terecht op dat eiser, indien hij meent een verblijfsrecht te ontlenen aan het recht op familie- of gezinsleven, zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM, een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.
14. Hoewel artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn het privéleven niet vermeld als een van de factoren waarmee rekening moet worden gehouden, volgt uit de punten 88 tot en met 90 van het arrest X van het Hof van 22 november 2022 dat er geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd als daarmee inbreuk zou worden gedaan op recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander.
15. Naar het oordeel van de rechtbank staan de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen niet aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg. Het enkele gegeven dat eiser rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van de RTB betekent niet dat het privéleven dat hij gedurende deze periode heeft opgebouwd in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. De minister is immers bevoegd om het tijdelijke verblijfsrecht te beëindigen. In zoverre betekent dit dat de omstandigheid dat eiser werk heeft in Nederland en een vriendin heeft, zich niet verzet tegen het opleggen van een terugkeerbesluit.
16. Dat de minister eiser voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit had moeten horen, volgt de rechtbank niet. Eiser is met het indienen van de zienswijze immers in de gelegenheid gesteld om haar standpunt uiteen te zetten. Daarmee is voldaan aan het doel van de hoorplicht.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk
18. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
19. Het beroep tegen het besluit van 5 augustus 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser moet daarom binnen de gestelde termijn terugkeren naar Marokko.
20. Op 11 april 2024 is een voorlopige voorziening getroffen in de zaak NL24.15587. Deze vervalt doordat uitspraak is gedaan op het beroep van eiser.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit van 5 augustus 2025 ongegrond; en
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
21. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 maart 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.