ECLI:NL:RBDHA:2026:6665

ECLI:NL:RBDHA:2026:6665

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer NL24.8932
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Derdelander Oekraïne zaak. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Het terugkeerbesluit is terecht opgelegd door de minister. Er zijn geen nieuwe gronden aangevoerd tegen het terugkeerbesluit.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: S. Sinniah).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 3 juli 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Overwegingen

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RBT) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.

4. Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister hem een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit terugkeerbesluit beroep ingesteld.

5. Op 3 juli 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan hem een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken4 en vervangen met het bestreden besluit van 3 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

6. Partijen zijn per brief van 9 oktober 2025 gevraagd of zij nog mondeling op een zitting willen worden gehoord. De minister heeft de rechtbank medegedeeld toestemming te geven de zaak af te doen buiten zitting. Bij het uitblijven van een reactie van eiser heeft de rechtbank daarom afgezien van een zitting en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid

7. Het terugkeerbesluit van 3 juli 2025 vervangt het terugkeerbesluit van 7 februari

2024. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep daarom ook betrekking op het nieuwe terugkeerbesluit.

8. Omdat de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiseres

geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dat besluit. De rechtbank zal het

beroep tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op

vergoeding van de proceskosten ten aanzien van de intrekking van het besluit van 7 februari

2024, omdat het besluit prematuur is genomen. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 18.

Het standpunt van eiser

9. Eiser kan zich niet verenigen met het terugkeerbesluit van 3 juli 2025. Hij stelt onder meer dat dit besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Volgens eiser heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) niet beoordeeld of er een toezegging is gedaan door de Nederlandse autoriteiten over de gelijkwaardige behandeling van verplicht en facultatief beschermden, waardoor er geen antwoord is gegeven op de vraag of er een gerechtvaardigd onderscheid is gemaakt tussen deze groepen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de noot van [naam] bij uitspraken van de Afdeling. Bovendien is eiser als facultatief beschermde onder dezelfde voorwaarden in Nederland aangemeld en geregistreerd en kon hij gebruikmaken van dezelfde mogelijkheden als verplicht beschermden. Verder stelt eiser dat de minister in de belangenafweging had moeten meewegen dat hij al geruime tijd in Nederland verblijft en zich hier nuttig heeft gemaakt door te werken en te studeren. Eiser en zijn Marokkaanse echtgenoot bouwen aan hun toekomst in Nederland met het doel in de medische sector te werken en een bijdrage te leveren aan de Nederlandse samenleving. Bij terugkeer naar Marokko verliezen zij alles wat zij in Nederland hebben opgebouwd: hun baan, integratie en stabiele relatie.

Het oordeel van de rechtbank

10. Uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024 volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.

11. Naar het oordeel van de rechtbank kan het terugkeerbesluit van 3 juli 2025 in stand blijven. Uit voormeld arrest van het Hof van 19 december 2024 volgt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 door de minister rechtmatig is, wat door de Afdeling is bevestigd in haar uitspraak van 23 april 2025. Het verblijf van eiser was daardoor vanaf die datum illegaal in de zin van de richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn). Daarbij komt dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne met tijdelijke bescherming of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. De rechtbank wijst er op dat de Afdeling in de uitspraak van 17 januari 2024 reeds heeft geoordeeld dat het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel niet aan beëindiging van de tijdelijke bescherming in de weg staat en dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde worden behandeld. In de uitspraak van 23 april 2025 heeft de Afdeling – zoals hiervoor aangehaald – overwogen dat er geen reden is om tot een ander oordeel te komen. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken.

12. Dat de minister een individuele belangenafweging had moeten maken, volgt de rechtbank ook niet. Met het besluit om terug te komen op de toepassing van de facultatieve bepaling voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. De minister heeft terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming.

13. De rechtbank overweegt verder dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven. Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat hieronder moet worden begrepen dat er ook geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld als daarmee inbreuk zou worden gedaan op recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander.

14. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of eiser op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in aanmerking komt voor een verblijfsrecht. De Terugkeerrichtlijn ziet uitsluitend op de terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders en niet op de verkrijging van verblijfsrechten. Wanneer eiser meent dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op familie- of gezinsleven dan wel zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.

15. Wel moet de minister dus bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening houden met onder meer het privéleven van de derdelander. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat in dit geval voldoende gedaan. Eiser is in het voornemen van 4 juni 2025 uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om redenen naar voren te brengen waarom zou moeten worden afgezien van het terugkeerbesluit. De minister heeft de persoonlijke situatie van eiser, zoals naar voren gebracht in de zienswijze, uitdrukkelijk in het terugkeerbesluit van 3 juli 2025 betrokken. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het privéleven dat eiser gedurende zijn verblijfsperiode hier heeft opgebouwd, niet in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. In beroep wordt in wezen verwezen naar dezelfde persoonlijke situatie. Dit leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel. Hierbij is van belang dat uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de minister volgens het Hof bevoegd is om het tijdelijk verblijf te beëindigen. Verder gaat het niet om langdurig verblijf en waren de aan eiser gegeven rechten op grond van de RTB tijdelijk van aard en moet dit geacht worden voor hem ook duidelijk te zijn geweest.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk.

17. Het beroep tegen het besluit van 3 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft.

18. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van

7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank aanleiding

om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze

kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen

van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).

19. Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak de voorziening getroffen dat het verboden is om eiser uit te zetten (NL24.8933). Met deze uitspraak vervalt deze voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb. Op 10 april 2024 is eveneens een voorlopige voorziening getroffen (NL24.15692). Deze vervalt, omdat uitspraak is gedaan op het beroep van eiser.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 juli 2025 ongegrond; en

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser met een bedrag van €934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

19 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze

partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend

binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de

behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de

indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van

State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?