RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/22653
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummmer] , eiser
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de brief van 29 januari 2024, waarin de minister aan eiser heeft medegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming eindigt op 4 maart 2024. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de brief van 29 januari 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1990 en heeft de Algerijnse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is als gevolg van die invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RBT) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
4. Op 29 januari 2024 heeft eiser een brief van de minister ontvangen. Daarin heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn tijdelijke bescherming op grond van de RTB per 4 maart 2024 eindigt, onder verwijzing naar de uitspraak van 17 januari 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Eiser heeft tegen deze brief beroep ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek tot een voorlopige voorziening ingediend.
5. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid
6. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of het beroepschrift ontvankelijk is. Pas wanneer een beroep ontvankelijk is, kan de rechtbank toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Is de brief van 29 januari 2024 een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb?
7. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de brief waartegen eiser beroep heeft ingesteld een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In artikel 8:1 van de Awb is namelijk bepaald dat beroep bij de bestuursrechter alleen mogelijk is tegen een besluit.
8. De rechtbank is van oordeel dat deze brief geen besluit is, omdat deze brief geen ander of nieuw rechtsgevolg in het leven roept. De rechtbank sluit zich hiervoor aan bij het oordeel van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 16 april 2024. Hoewel het in die zaak een brief van een andere datum betrof, is de inhoud en strekking daarvan vergelijkbaar met de brief die in deze zaak aan de orde is. De rechtbank ziet zich bovendien in dit oordeel gesteund door de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 22 april 2024, waarin – onder verwijzing naar de voornoemde uitspraak van de meervoudige kamer – tot hetzelfde oordeel is gekomen ten aanzien van een brief van 29 januari 2024. Dit brengt de rechtbank in onderhavige zaak tot het volgende oordeel.
9. De rechtbank stelt eerst vast dat in de inleiding van de brief van 29 januari 2024 is opgenomen dat de brief gaat over de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 en dat eiser wordt geïnformeerd over wat deze uitspraak betekent voor zijn recht op verblijf in Nederland. Dat het doel van deze brief informeren is, blijkt ook uit de brief van de minister (voormalig staatssecretaris) aan de Tweede Kamer van 24 januari 2024. Specifiek houdt deze brief niet meer in dan de enkele mededeling aan eiser dat zijn tijdelijke bescherming op grond van de RTB per 4 maart 2024 van rechtswege, dat wil zeggen: automatisch, vervalt. Deze mededeling is dan ook niet gericht op een rechtsgevolg. De mededeling is daarom niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen beroep kan worden ingesteld. De brief bevat daarnaast ook geen terugkeerbesluit. Ook op dit punt is met de brief geen rechtsgevolg beoogd.
10. Verder wijst de rechtbank erop dat uit het dossier volgt dat eiser op 16 juli 2025 een terugkeerbesluit heeft gekregen. Eiser heeft tegen dit terugkeerbesluit beroep ingesteld, welke procedure aanhangig is bij deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, geregistreerd onder zaaknummer NL25.37772. De rechtbank merkt op dat deze beroepsprocedure ziet op het geschilpunt waar het eiser echt om gaat, namelijk of de minister de tijdelijke bescherming onder de RTB mocht beëindigen en hem een terugkeerbesluit mocht opleggen. Dit komt in de onderhavige procedure niet aan de orde. Het primaire belang van eiser ligt daarom in de lopende beroepsprocedure bij deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarin het geschilpunt over het terugkeerbesluit wordt behandeld.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.