RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44456
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
1. Deze uitspraak gaat over de tweede asielaanvraag van eiser. Hij stelt dat hij homoseksueel is en daardoor problemen heeft in Nigeria. Daarom moet hij als vluchteling worden aangemerkt. Met deze tweede asielaanvraag heeft eiser gewezen op zijn identiteitsgroei waardoor hij beter kan verklaren over zijn homoseksualiteit. Hij heeft daarom ook verschillende documenten overgelegd. De minister heeft eisers tweede asielaanvraag, evenals de eerste asielaanvraag, afgewezen omdat de minister de verklaringen over de identiteitsgroei niet gelooft. Eiser is het hier niet mee eens en voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich namelijk op het standpunt mogen stellen dat de verklaringen over de identiteitsgroei ongeloofwaardig zijn, waardoor eisers homoseksualiteit nog steeds ongeloofwaardig is. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 5 juni 2024 een tweede aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, P. Oronsaye als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Eerdere asielaanvraag
3. Eiser heeft eerder op 22 oktober 2020 een asielaanvraag ingediend. In deze procedure heeft hij als asielmotief aangevoerd dat hij in Nigeria problemen heeft ondervonden als gevolg van zijn homoseksuele geaardheid. De minister heeft deze aanvraag afgewezen als ongegrond bij besluit van 19 augustus 2021. In dit besluit heeft de minister de homoseksualiteit ongeloofwaardig gevonden, besloten dat eiser moet terugkeren naar Nigeria en eiser een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Eiser was het niet eens met dit besluit en is hiertegen in beroep gegaan. Zijn beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, bij uitspraak van 5 oktober 2021 ongegrond verklaard. Uit het procesdossier blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) deze uitspraak op 9 juni 2022 heeft bevestigd. Daarmee staat de afwijzing van eisers eerste asielaanvraag in rechte vast.
Onderhavige aanvraag: de tweede asielaanvraag
4. Eiser legt aan zijn tweede asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser voert aan dat hij slachtoffer is geweest van mensenhandel en drie jaar in Italië als prostitué en in de drugssector heeft gewerkt. Eiser stelt dat het netwerk van mensenhandelaars rijk en machtig is en dat zij alles van eiser weten en hem hebben bedreigd, waaronder iemand genaamd [persoon1] . Bij terugkeer naar Nigeria zal eiser een reëel risico op ernstige schade lopen omdat zij hem in Nigeria zullen vinden. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat sprake is van identiteitsgroei met betrekking tot zijn homoseksuele geaardheid. Daardoor kan hij beter over zijn homoseksuele geaardheid verklaren ten opzichte van zijn vorige asielaanvraag. Om dit te onderbouwen wijst hij erop dat hij contact heeft met lhbti-organisaties en dat hij een partner heeft genaamd [persoon2] . Ook wijst hij op de volgende stukken:
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief acht de minister ongeloofwaardig, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister vindt namelijk dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat ertoe heeft geleid dat hij nu beter kan verklaren over zijn homoseksuele gerichtheid dan ten tijde van zijn vorige asielaanvraag. Zo stelt de minister zich op het standpunt dat eiser nog steeds oppervlakkig verklaart over de situatie van lhbti’ers in Nederland en dat deze verklaringen bovendien niet nieuw zijn. Ook eisers verklaringen over de bezoeken aan het COC, de rol daarvan in eisers identiteitsgroei en de betrokkenheid van eisers partner daarin zijn summier en oppervlakkig. De overgelegde brieven en foto’s leiden volgens de minister niet tot een ander oordeel: de brieven van vrienden en het COC bevatten feitelijke waarnemingen die in het voordeel van eiser spreken, maar missen voldoende bewijskracht; de brieven en foto’s van de partner van eiser bevatten weinig feitelijke informatie en zijn eveneens onvoldoende bewijs; deelname aan evenementen blijkt uit de foto’s, wat positief is, maar ook dat is onvoldoende om het tweede motief te staven. Daarnaast vindt de minister dat uit het rapport van LGBT Asylum Support niet blijkt wat er sinds de vorige asielaanvraag is veranderd in de persoonlijke situatie van eiser, mede omdat de antwoorden op de vragenlijst algemeen van aard zijn.
De minister acht het derde asielmotief ook ongeloofwaardig omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister wijst erop dat eiser in zijn eerste asielprocedure niet kenbaar heeft gemaakt dat hij slachtoffer is geweest van mensenhandel en daarvoor vreest alsmede dat eiser op essentiële punten tegenstrijdig heeft verklaard.
De minister stelt zich gezien het voorgaande op het standpunt dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat er ook geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De minister verwijst naar het op 19 augustus 2021 opgelegde terugkeerbesluit dat nog steeds geldig is. Ook krijgt eiser een inreisverbod van twee jaar.
Nieuwe feiten en omstandigheden
6. De minister heeft beoordeeld of eiser aan zijn tweede asielaanvraag ten opzichte van de voorgaande asielprocedure nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten grondslag heeft gelegd. In deze zaak is de ontvankelijkheid van de aanvraag niet in geschil. De minister heeft de overgelegde documenten en de verklaringen over de identiteitsgroei en over de mensenhandel beschouwd als nieuwe asielmotieven. Deze asielmotieven zijn vervolgens inhoudelijk beoordeeld en daarbij is de uitkomst van de eerste asielaanvraag waarbij de homoseksuele gerichtheid van eiser als niet geloofwaardig werd beschouwd, betrokken.
Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat de minister ten onrechte de uitkomst van de eerste asielaanvraag zwaar laat meewegen in de beoordeling van de onderhavige procedure. Volgens eiser moet de minister - als hij de identiteitsgroei als nieuw feit en omstandigheid erkent en inhoudelijk behandelt - de verklaringen van eiser volledig objectief en los van de uitkomst van de eerste asielaanvraag beoordelen. De eerdere uitkomst mag volgens eiser in deze procedure geen zwaarwegende rol spelen.
De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting heeft de minister medegedeeld dat de uitkomst van de eerste asielaanvraag zwaar meeweegt in de beoordeling van de tweede asielaanvraag. Hoewel dit niet expliciet uit de besluitvorming volgt en dit standpunt ook niet eerder is ingenomen door de minister, gaat het – in het kader van het toepasselijke toetsingskader – in onderhavige zaak wel om een tweede asielaanvraag waarbij in rechte vaststaat dat de homoseksuele gerichtheid van eiser in zijn eerste asielaanvraag niet geloofwaardig is geacht. De Afdeling heeft in het kader van opvolgende procedures over geloofsgroei overwogen dat de uitkomst van de voorgaande procedure het uitgangspunt is, waardoor een zwaardere bewijslast voor de vreemdeling geldt. Het asielrelaas waar de vreemdeling op voortborduurt, is eerder namelijk al ongeloofwaardig geacht. In dit licht vindt de rechtbank het ook niet onredelijk dat de minister bij een vreemdeling zoals eiser, die opnieuw zijn seksuele geaardheid als asielmotief aanvoert met verwijzing naar identiteitsgroei, uitgaat van de uitkomst van de eerdere procedure, terwijl een eerdere aanvraag is afgewezen omdat die seksuele geaardheid niet geloofwaardig werd geacht. Daar komt bij dat eiser bij zijn aanvraag zelf heeft aangegeven dat hij meer en beter kan verklaren over zijn homoseksuele gerichtheid ten opzichte van zijn vorige asielprocedure, waaruit voortvloeit dat de minister de overgelegde stukken en verklaringen van eiser mede in het licht van de verklaringen– en dus ook uitkomst – van eisers vorige asielprocedure moet beoordelen. Dat heeft de minister niet ten onrechte gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
De toepassing van WI 2024/6
7. Volgens eiser is de door de minister gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht omdat het geen integrale beoordeling is. Uit het bestreden besluit blijkt immers niet in hoeverre, naast voorwaarde c van artikel 31, zesde lid, van de Vw, ook de overige voorwaarden al dan niet aan eiser zijn tegengeworpen en wat daarvan de invloed is op de algehele geloofwaardigheid en het gunnen van het voordeel van de twijfel. Eiser verwijst hiervoor naar een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 8 augustus 2025.
De rechtbank stelt voorop dat zij op 10 juni 2025 uitspraak heeft gedaan over Werkinstructie (WI) 2024/6. Zij verwijst naar de overwegingen 7.1, 7.2 en 7.3 van die uitspraak en neemt deze overwegingen over. Kortgezegd heeft de rechtbank in de uitspraak van 10 juni 2025 overwogen dat er geen grond is om te oordelen dat toepassing van WI 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. In elke afzonderlijke asielzaak moet worden beoordeeld of de toepassing van WI 2024/6 onrechtmatig is geweest.
De rechtbank overweegt het volgende. De minister heeft de geloofwaardigheid van de verklaringen over de identiteitsgroei en de mensenhandel beoordeeld. In het kader van de identiteitsgroei heeft de minister overwogen dat de overgelegde stukken ondersteunend bewijs zijn en is verder de nadruk komen te liggen op de samenhang en aannemelijkheid van de verklaringen van eiser. Ten aanzien van het asielmotief mensenhandel heeft de minister overwogen dat dit asielmotief niet onderbouwd is met objectieve documenten en is de nadruk ook komen te liggen op de samenhang en aannemelijkheid van de verklaringen. De minister heeft daarmee geen onjuiste toepassing gegeven aan het Unierecht. Dat eiser stelt dat onduidelijk is in hoeverre de overige voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw aan hem zijn tegengeworpen en welke invloed dit heeft op de algehele geloofwaardigheidsbeoordeling, leidt in dit geval niet tot een ander oordeel. De minister heeft in deze zaak namelijk alle relevante aspecten in de geloofwaardigheidsbeoordeling van eiser heeft betrokken en er is niet gebleken dat de minister de andere voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw heeft tegengeworpen. Daarmee slaagt de verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van zittingsplaats Groningen ook niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Het referentiekader van eiser
8. Onder verwijzing naar het in beroep overgelegde rapport van LGBT Asylum Support van 14 september 2025 en WI 2019/17 voert eiser aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader, zowel bij het horen als bij het beslissen. Eiser stelt dat het referentiekader überhaupt niet is benoemd. Ter zitting heeft eiser daar aan toegevoegd dat hij als Afrikaanse man niet op eenzelfde manier kan verklaren als een witte, Europese man, nu hij niet is opgegroeid in een cultuur waarin wordt aangemoedigd om openlijk te spreken over homoseksualiteit.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende kenbaar rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. In het bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat er meer inzicht en diepgang mag worden verwacht van eiser in zijn verklaringen, nu eiser een tweede asielaanvraag heeft gedaan met als reden dat hij meer zou kunnen verklaren over zijn homoseksuele gerichtheid. Hoewel in de besluitvorming het referentiekader van eiser niet expliciet in een alinea wordt benoemd, heeft de minister ter zitting toegelicht dat hier wel rekening mee is gehouden door de vraagstelling in het nader gehoor hierop aan te passen. Zo heeft de gehoormedewerker tijdens het gehoor doorgevraagd over eisers verklaringen, daarbij om verduidelijking gevraagd en voorbeelden gevraagd om zo betere antwoorden te krijgen. De rechtbank leest deze werkwijze ook terug in het rapport van het nader gehoor. Daardoor is tijdens het gehoor voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. De minister heeft ook toegelicht dat de frequentie en de duur van eisers bezoeken aan het COC zijn meegewogen in de beoordeling, en ook het feit dat eisers relatie met zijn partner zijn tweede relatie is en niet zijn eerste. Dit past allemaal binnen het referentiekader van eiser waarop de minister zijn verwachtingen heeft mogen baseren. Dat eiser stelt opgegroeid te zijn in een andere cultuur dan in Europa, doet hieraan niet af, juist omdat hij zijn tweede asielaanvraag heeft gebaseerd op het gegeven dat hij meer en beter kan verklaren ten opzichte van zijn vorige asielprocedure. De minister is daar niet ten onrechte van uit gegaan. Het rapport van LHBTI Asylum Support geeft geen aanleiding tot een ander oordeel, gelet op hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 9.4 heeft overwogen. De beroepsgrond slaagt niet.
De identiteitsgroei van eiser: externe uitingen
9. Verder voert eiser aan dat de externe uitingen van zijn geaardheid onvoldoende kenbaar zijn betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Eiser voert aan dat het niet zo kan en mag zijn dat (door de minister) wordt getoetst op het vermogen van een vreemdeling om invoelend over zijn geaardheid te verklaren. Personen die dat vermogen simpelweg ontberen, zouden dan op achterstand worden gezet. De externe factoren zijn met name bedoeld om te compenseren wat een vreemdeling wellicht wat te weinig zelf naar voren heeft gebracht met betrekking tot zijn geaardheid. Eiser voert aan dat iemands persoonlijkheid bepalend is voor diens vermogen om invoelend en gedetailleerd te kunnen verklaren. Deze persoonlijkheid zal in iemands jonge jaren worden gevormd, en zal niet wezenlijk veranderen, ook niet, zoals in het geval van eiser, door gedurende een langere periode bij regelmaat bijeenkomsten van het COC te bezoeken. Eiser verwijst ook naar een verklaring van [persoon6] , coördinator van [bedrijf] regio [plaats 2] van 13 oktober 2025.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de externe uitingen van zijn homoseksuele gerichtheid voldoende kenbaar heeft meegewogen in zijn geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De minister neemt terecht het uitgangspunt dat het in beginsel aan eiser is om met zijn verklaringen zijn homoseksuele gerichtheid geloofwaardig te maken. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte het standpunt inneemt dat de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele gerichtheid en de groei die hij daarin stelt te hebben doorgemaakt, in het algemeen gezien vrij oppervlakkig en weinig overtuigend zijn. Daarbij acht de minister niet ten onrechte van betekenis dat eiser zelf aangeeft dat hij nu beter kan verklaren over zijn gevoelens en emoties. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser verklaard dat hij beter kan verklaren omdat hij is gegroeid, hij niet meer bang is en ouder is ten opzichte van zijn vorige asielaanvraag. Hij heeft verder verklaard dat hij zich veilig voelt omdat hij een partner in Nederland heeft. Zijn partner heeft hem verteld dat het in Nederland voor homoseksuelen legaal is om te trouwen en dat eiser naar de politie kan gaan als hij zich onveilig voelt. Ook heeft hij veel geleerd van mensen die hij heeft ontmoet op bijeenkomsten georganiseerd door het COC. Deze mensen hebben eiser bevestigd wat zijn partner tegen hem heeft gezegd. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser op die punten op die manier weinig inzicht heeft gegeven over zijn wat homoseksuele gerichtheid persoonlijk voor hem betekent, hoe hij dit ervaart sinds zijn vorige asielprocedure en de gestelde ontwikkeling die hij hierin heeft doorgemaakt. De minister wijst er daarnaast terecht op dat eiser tijdens zijn vorige asielprocedure al wist dat het voor homoseksuelen legaal was om te trouwen in Nederland. Daar komt bij dat eiser ook heeft verklaard dat hij niet openlijk uitkomt voor zijn homoseksualiteit, terwijl hij wel aangeeft zich vrijer, veiliger en blijer te voelen. Dat eiser hierover niet inzichtelijk en summier verklaart, wordt door eiser in beroep ook niet betwist. Daarmee is de situatie op dit punt niet wezenlijk gewijzigd ten opzichte van de vorige procedure. Daarin is ook bepaald – en staat in rechte vast - dat eiser niet inzichtelijk heeft verklaard over zijn persoonlijke beleving van zijn seksuele gerichtheid en de betekenis die dit voor hem heeft.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij niet overtuigend heeft verklaard maar dat hij door middel van verklaringen van derden aannemelijk probeert te maken dat hij al geruime tijd een leven leidt dat past bij zijn verklaringen over zijn homoseksuele gerichtheid en identiteitsgroei. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze verklaringen van derden voldoende heeft betrokken in zijn geloofwaardigheidsbeoordeling. De minister heeft in het voornemen uitgebreid aandacht besteed aan de bij de aanvraag overgelegde brieven van vrienden van eiser, stukken van het COC, de brief van zijn partner, foto’s en het rapport van LGBT Asylum met de daarin opgenomen vragenlijst. De minister heeft niet ten onrechte beslist dat deze stukken onvoldoende inzicht bieden in de gestelde identiteitsgroei van de homoseksuele gerichtheid van eiser. Hoewel uit de brieven van de vrienden blijkt dat zij eiser kennen als homoseksuele man, stelt de minister dat de informatie die daarin over eiser staat beperkt. Uit de stukken van het COC blijkt dat eiser maandelijks bijeenkomsten bijwoont, maar dit geeft volgens de minister onvoldoende inzicht in de reden en betekenis daarvan voor eiser. Ten aanzien van de brief van de partner van eiser en de foto waarop zij allebei zijn te zien, is de minister van mening dat dit weinig feitelijke informatie levert en dat eiser bovendien wisselende verklaringen heeft gegeven over hoe hij zijn partner heeft ontmoet. De minister heeft dit ook bekeken in het licht van de verklaringen van eiser, waarin hij ook onvoldoende gedetailleerd en onvoldoende diepgaand over zijn partner heeft verklaard. Ook uit de foto kan volgens de minister niet met zekerheid worden afgeleid dat eiser een liefdesrelatie heeft met zijn partner. Uit de foto’s waarop te zien is dat eiser deelneemt aan evenementen zoals Pride en een demonstratie maakt de minister op dat wel een begin van inzicht wordt gegeven, maar dat dit niet dusdanig gedetailleerd en diepgaand is dat ze opwegen tegen de summiere, oppervlakkige en wisselende verklaringen van eiser. Ook de betekenis achter het bord dat eiser op één van de foto’s bij een demonstratie draagt, heeft hij niet kunnen uitleggen, wat de minister twijfels heeft gegeven over zijn seksuele gerichtheid. Ten aanzien van het rapport van LGBT Asylum en de daarin opgenomen vragenlijst heeft de minister gesteld dat uit het rapport niet volgt wat er ten opzichte van de vorige procedure veranderd is en dat de verklaringen die volgen uit de vragenlijst algemeen van aard zijn. De rechtbank kan de minister hierin volgen. Uit het voorgaande volgt dan ook dat de minister alle verklaringen van derden die tijdens de aanvraag zijn overgelegd voldoende heeft betrokken in zijn beoordeling.
Tijdens de zitting heeft de minister gereageerd op het in beroep overgelegde rapport van LGBT Asylum Support en zich op het standpunt gesteld dat het rapport geen deskundigenrapport is, maar louter een alternatieve waardering van eisers verklaringen tijdens de gehoren en een reactie op het bestreden besluit, waardoor het slechts beperkte waarde heeft. De rechtbank kan dit standpunt van de minister volgen en ziet zich hiervoor gesteund in een uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023. Ook heeft de minister gereageerd op de verklaring van [persoon6] , waaruit blijkt dat eiser bijeenkomsten van het COC bijwoont. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze feitelijke bezoeken niet impliceren dat iemand homoseksueel is. Eiser heeft dit verder ook niet toegelicht of aannemelijk gemaakt met zijn verklaringen. Beide documenten zijn dus ook voldoende meewogen in de beoordeling van de minister.
Eisers stelling dat iemands persoonlijkheid niet bepalend mag zijn voor het vermogen om invoelend en gedetailleerd te verklaren, verandert het oordeel van de rechtbank dat de minister de externe uitingen voldoende heeft betrokken in zijn beoordeling niet. De rechtbank merkt hierbij op dat eiser desgevraagd ter zitting niet heeft toegelicht wat hij precies bedoelt met ‘externe uitingen’ en alleen heeft verwezen naar het in beroep overgelegde rapport van LGBT Asylum Support. Zoals hiervoor is geoordeeld, is dit rapport voldoende betrokken in de beoordeling van de minister. Daarnaast is niet gebleken dat de minister op basis van eisers persoonlijkheid heeft bepaald of eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in de gestelde identiteitsgroei die hij heeft ervaren in zijn homoseksuele gerichtheid.
Gelet op het voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn identiteitsgroei ten aanzien van zijn homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig zijn. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
Asielmotief 3: Mensenhandel
10. Ten slotte voert eiser aan dat de omstandigheid dat hij in de zienswijze niet heeft gereageerd op de beoordeling in het voornemen over het asielmotief mensenhandel, geen afbreuk zou mogen doen aan de oprechtheid van de aanvrager en het andere asielmotief: zijn identiteitsgroei en zijn geaardheid.
De rechtbank kan dit betoog niet volgen. Uit WI 2024/6 volgt dat de minister elk asielmotief dat een vreemdeling aanvoert afzonderlijk beoordeelt aan de hand van de vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. De minister heeft dit in deze zaak niet ten onrechte gedaan. In het bestreden besluit heeft de minister gesteld dat het feit dat eiser zich richt op het asielmotief over zijn identiteitsgroei en niet op het asielmotief over mensenhandel, afbreuk doet aan de oprechtheid van zijn aanvraag en de overtuigingskracht van zijn verklaringen ondermijnt. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat hiermee wordt bedoeld dat deze handelwijze van eiser de algehele geloofwaardigheid van het asielrelaas aantast. Gezien deze toelichting begrijpt de rechtbank dat de minister in het bestreden besluit tot uiting heeft willen brengen dat de algehele geloofwaardigheid van alle asielmotieven door deze handelwijze is geschaad en dat dit onderdeel van het besluit in het licht van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw moet worden uitgelegd. Uit deze bepaling volgt dat wanneer een vreemdelingen verklaringen aflegt die zo ongeloofwaardig zijn dat zij de geloofwaardigheid van de verklaringen in het algemeen aantasten, hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond niet.
Conclusie en gevolgen
11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 maart 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.