ECLI:NL:RBDHA:2026:6675

ECLI:NL:RBDHA:2026:6675

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer NL25.49372
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Asielzaak. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Griekse statushouder, problemen met de Al-Shabaab ongeloofwaardig.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.49372

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),

en

(gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dit betekent dat eiser ongelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft in 2022 om internationale bescherming verzocht in Griekenland. Hij heeft op 9 maart 2023 deze bescherming van de Griekse autoriteiten gekregen.

Op 19 september 2023 heeft eiser heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend. De minister heeft het Griekse dossier opgevraagd en de asielaanvraag in behandeling genomen. Met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 heeft de minister de aanvraag afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, Y. Gababe als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. Hij heeft verklaard dat hij is opgegroeid bij zijn oom van zijn vaderskant in [plaats] . Vanaf zijn vijftiende heeft hij zijn oom geholpen met zijn werk als [functie] . Tijdens een van deze ritten werd eiser aangehouden bij een controlepost door de politie en werd zijn klant-passagier opgepakt. Eiser moest van de politie zijn telefoonnummer achterlaten voor het onderzoek. Twee dagen later werd hij door de klant-passagier gebeld, die hem vertelde dat hij van Al-Shabaab was en dat hij was vrijgekomen door het betalen van losgeld. Hij vertelde eiser dat hij hem zou opsporen en vermoorden. Later zijn er mannen langs het huis van eiser geweest, maar alleen zijn tante was op dat moment thuis. Zij heeft eiser toen opgebeld om te vertellen dat er mannen voor hem waren, die met hem wilde voetballen. Dat vond eiser vreemd, waarna hij vroeg de mannen aan de lijn te geven. Hierop uitte een van de mannen de bedreiging dat zij op zoek naar eiser zouden gaan en hem zouden vermoorden. Daarom besloot eiser om niet meer naar huis te gaan, maar bij vrienden in andere wijken te verblijven. Later zijn er nog een keer mannen langsgekomen bij eisers huis en hebben toen bedreigingen geuit aan zijn oom. Daarna is eiser zelf meerdere keren gebeld. Er werd hem verteld dat hij naar de rechtbank moest komen en dat er geld is overgemaakt om een lijkwade te kopen. Op een dag kreeg hij ook bericht van zijn vrienden dat zijn oom voor de moskee is doodgeschoten. Toen is eiser ook door leden van Al-Shabaab telefonisch bedreigd. Zij vertelden hem dat zij zijn oom hadden vermoord. Vrienden hebben eiser vervolgens geholpen om de tuktuk te verkopen en om een reisagent te vinden. Van de reisagent kreeg eiser een look-a-like paspoort en een visum voor Turkije. Daarmee heeft eiser het land weten te verlaten. Bij terugkeer vreest eiser dat hij zal worden opgespoord door Al-Shabaab en gedood zal worden.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig, maar houdt wel de geboortedatum aan die eiser heeft opgegeven tijdens zijn asielprocedure in Griekenland, namelijk [geboortedatum] 2005.

Het tweede asielmotief acht de minister niet geloofwaardig, omdat eiser volgens de minister onsamenhangend en niet aannemelijk verklaard. De minister werpt hem tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de gestelde mishandeling door Al-Shabaab in het politieverhoor ten opzichte van het nader gehoor. Ook heeft eiser volgens de minister tegenstrijdig verklaard over de gebeurtenissen rondom Al-Shabaab, in het bijzonder over de moord op zijn oom, de bedreigingen via zijn tante en de aanhouding van eiser bij de controlepost (twee verhaallijnen). Verder vindt de minister dat eiser tegenstrijdig verklaard over de reisagent.

De minister meent dat eiser gezien het voorgaande geen gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag, en dat er ook geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade. Eiser krijgt een terugkeerbesluit opgelegd en moet Nederland binnen vier weken verlaten.

Geloofwaardigheid van het tweede asielmotief

5. Eiser heeft beroepsgronden ingediend tegen de beoordeling van het tweede asielmotief. Hij stelt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de problemen met de Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn en gaat in op de tegenstrijdigheden die de minister hem tegenwerpt.

Tegenstrijdigheden van het politiegehoor en Griekse gehoor ten opzichte van het aanmeldgehoor en het nader gehoor in Nederland

De rechtbank begrijpt – mede gezien hetgeen ter zitting is besproken – dat eiser vindt dat eventuele tegenstrijdigheden tussen het politiegehoor in Nederland en het Griekse gehoor ten opzichte van de gehoren (AG en NG) in Nederland niet aan hem mogen worden tegengeworpen. De inhoud van de verslagen van het politiegehoor en het Griekse gehoor mogen niet bij de beoordeling worden betrokken omdat eiser geen correcties en aanvullingen daarop heeft kunnen indienen.

De rechtbank kan dit betoog van eiser niet volgen. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 oktober 2020, waaruit volgt dat verklaringen in het politieverhoor bij de beoordeling mogen worden betrokken. De Afdeling heeft wel overwogen dat de vreemdeling in het nader gehoor in de gelegenheid gesteld moet worden om de tegenstrijdige verklaring uit te leggen. Uit het dossier blijkt dat eiser in de zienswijze de mogelijkheid heeft gehad om het een en ander uit te leggen ten aanzien van de tegenstrijdigheden die de minister ziet in het politieverhoor en het Griekse gehoor. Tijdens het nader gehoor is eiser daarmee geconfronteerd en heeft hij daarop kunnen reageren. In de enkele reden dat er geen correcties en aanvullingen konden worden ingediend ten aanzien van de twee gehoren, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding het politie gehoor en het Griekse gehoor buiten beschouwing te laten. De minister heeft het politieverhoor en het Griekse gehoor dus bij zijn beoordeling mogen betrekken.

Tegenstrijdigheden over de kern van het asielrelaas

De rechtbank begrijpt verder – mede gezien hetgeen ter zitting is besproken - dat eiser verder stelt dat hij zowel in Griekenland, als in Nederland gelijkluidende verklaringen heeft afgelegd omtrent de kern van zijn asielrelaas (te weten het incident dat heeft plaatsgevonden bij de controlepost). Het is volgens eiser niet juist dat er op dat punt twee verschillende verhaallijnen zijn tussen zijn verklaringen in het Griekse gehoor en gehoor in Nederland. De kern is dat eiser problemen heeft met Al-Shabaab. Dat er op bepaalde punten in het Griekse dossier afwijkend wordt verklaard, is verklaarbaar omdat in Griekenland werd vertaald van het Grieks naar het Engels en vervolgens van het Engels naar het Somalisch. Dat aan het eind van het verslag in Griekenland is bevestigd dat de communicatie goed was, doet hier volgens eiser niets aan af. Daarbij komt – zoals reeds gesteld – dat de verklaringen waarin verschillen door de minister zijn aangetroffen niet de kern van het asielrelaas betreffen. Eiser stelt verder dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij tegenstrijdig verklaard over de tand. In het politieverhoor en het nader gehoor heeft hij immers verklaard dat hij een tand mist door problemen met Al-Shabaab. Dit is ook zo in de zienswijze aangegeven, waardoor geen sprake is van tegenstrijdigheid in dit onderdeel van het relaas.

De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geconstateerd dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft gegeven over verschillende belangrijke punten binnen de gestelde problemen die hij zou hebben gehad met Al-Shabaab. Deze tegenstrijdigheden betreffen de vraag wie er thuis was toen Al-Shabaab bij eisers huis kwam, de omstandigheden rondom het incident bij de controlepost en de dood van zijn oom. Zo heeft eiser in het nader gehoor in Nederland verklaard dat zijn tante thuis was en werd benaderd door Al-Shabaab, die naar hem op zoek waren. Tijdens het Griekse gehoor gaf eiser daarentegen aan dat de huishoudelijke hulp – die hij zijn zus noemde – thuis was toen Al-Shabaab bij zijn huis kwam. Wat betreft het incident bij de controlepost heeft eiser in Griekenland verklaard dat hij de klant-passagier zelf bij de politie heeft aangegeven, waarna de klant-passagier werd opgepakt. Hij heeft ook verklaard dat hij diezelfde avond een telefoontje kreeg van iemand die beweerde lid te zijn van Al-Shabaab en dat zijn partner (de klant-passagier) was gearresteerd omdat eiser hem had aangegeven, en dat eiser hem daarom moest vervangen. Tijdens het nader gehoor in Nederland heeft eiser echter verklaard dat hij staande werd gehouden bij de controlepost, de klant-passagier werd gearresteerd zonder dat eiser iets zei, en dat hij niet diezelfde avond, maar pas twee dagen later werd gebeld. Daarnaast gaf hij aan dat het telefoontje niet kwam van een partner van de klant-passagier, maar van de klant-passagier zelf, die inmiddels vrij was en wier stem eiser herkende. De man vertelde eiser dat hij van Al-Shabaab was en dat eiser hem had verraden. Over de dood van zijn oom legde de minister uit dat eiser hierover tegenstrijdig heeft verklaard in het aanmeldgehoor en nader gehoor, ten opzichte van zijn verklaringen in het politieverhoor. In het politieverhoor heeft eiser namelijk verklaard dat zijn oom in oktober 2021 is vermoord, terwijl hij in het aanmeldgehoor en nader gehoor sprak over begin 2022. Deze verschillen betreffen volgens de minister wel degelijk de kern van zijn verhaal, namelijk hoe en wanneer problemen met Al-Shabaab zijn ontstaan. De minister wijst terecht erop dat deze verschillen niet kunnen worden verklaard door vertaalfouten. Bovendien bevestigde zowel eiser als de twee tolken aan het einde van zijn Griekse gehoor dat de communicatie met hem en de tolken goed was, waardoor er geen indicaties zijn dat sprake is van grove vertaalfouten. Eiser heeft dit verder ook niet onderbouwd. Tijdens het nader gehoor in Nederland is verder uitgebreid stilgestaan bij deze tegenstrijdigheden, maar heeft eiser ze niet kunnen verklaren.

De rechtbank volgt ook de stelling van eiser dat aan hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het verlies van zijn tand niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser ook op dit punt tegenstrijdig heeft verklaard. In het politieverhoor heeft eiser verklaard dat hij zijn tand is verloren omdat Al-Shabaab hem op zijn mond heeft geslagen met een geweer, terwijl hij in het nader gehoor heeft verklaard dat hij zijn tand is kwijtgeraakt door een val nadat hij moest wegrennen voor Al-Shabaab. Eiser heeft hiervoor geen afdoende verklaring/uitleg gegeven.

Gelet op het voorgaande heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de gestelde problemen met Al-Shabaab en dat deze problemen daarom niet geloofwaardig zijn.

De rechtbank hecht daarbij ook waarde aan het feit dat in het verweerschrift nader toegelichte opmerkelijkheden zijn opgesomd, die door eiser niet zijn weersproken. Zo heeft de minister er in het verweerschrift op gewezen dat het vreemd is dat Al-Shabaab eiser als samenwerkend met de autoriteiten zou zien terwijl de klant-passagier bij een standaardcontrole werd opgepakt zonder dat eiser hem had aangegeven, wat het opmerkelijk maakt dat Al-Shabaab het juist op eiser gemunt zou hebben. Daarnaast is erop gewezen dat het onduidelijk blijft hoe Al-Shabaab wist waar eiser woonde en waarom ze niet zijn langsgekomen toen hij wel thuis was, en dat het niet duidelijk is waarom Al-Shabaab niet op eiser heeft gewacht als zij hem wilden doden. De moord op zijn oom bij de moskee is bovendien niet onderbouwd en blijft slechts een vermoeden. Verder is opgemerkt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de manier waarop hij illegaal Somalië heeft verlaten, namelijk als zorgverlener van een patiënt, dan wel via een mensensmokkelaar (als diens zoon). Ten slotte heeft de minister in het verweerschrift erop gewezen dat er geen aanwijzingen zijn dat Al-Shabaab nog actief naar eiser op zoek is, aangezien hij na zijn vertrek niet meer is benaderd en het onduidelijk is hoe zij hem nog zouden herkennen.

Vrees bij terugkeer naar Somalië

Voorts voert eiser aan dat het voor hem niet veilig is om terug te keren, omdat Al-Shabaab actief is in [plaats] . Hij merkt op dat de minister in het bestreden besluit heeft erkend dat Al-Shabaab aanslagen pleegt in [plaats] . Doordat eiser door Al-Shabaab wordt beschuldigd van verraad, loopt hij meer risico slachtoffer te worden van geweld door Al-Shabaab in vergelijking met andere personen. Hier gaat de minister ten onrechte aan voorbij.

De rechtbank begrijpt dat eiser met deze beroepsgrond over de veiligheidssituatie in [plaats] een beroep doet op artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Daarin staat dat ernstige schade, die aanleiding geeft om een asielvergunning te verlenen, kan bestaan uit willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 9 november 2023 in de zaak X. en Y. uiteengezet dat willekeurig geweld verschillende gradaties heeft. In de hoogste gradatie is de mate van willekeurig geweld zodanig dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in het gebied al een reëel risico loopt op ernstige schade. In een lagere gradatie kan een vreemdeling door zijn persoonlijke kenmerken eerder slachtoffer worden van willekeurig geweld. Niet in geschil is dat er willekeurig geweld plaatsvindt in [plaats] als gevolg van aanvallen van Al-Shabaab. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat een reëel risico op ernstige schade in algemene zin in de zin van artikel 3 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet wordt aangenomen bij vestiging in [plaats] . Dat betekent dat er naar de individuele omstandigheden van eiser moet worden gekeken.

De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege individuele factoren een verhoogd risico loopt op ernstige schade vanwege dit willekeurige geweld. Nu eiser in dit kader alleen verwijst naar de gestelde problemen met Al-Shabaab – welke de minister ongeloofwaardig mocht vinden – slaagt zijn beroep hierop niet. Eiser heeft verder geen individuele omstandigheden aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

4 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.H. Lange

Griffier

  • mr. M.M. Tank

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?