RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13205
(gemachtigde: mr. J. Ruijs),
en
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 9 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Heeft eiser zijn eerdere verblijf in Nederland effectief beëindigd?
1. Eiser voert aan dat voor de inbewaringstelling van een Unieburger geldt dat de minister moet aantonen dat eiser ten tijde van de inbewaringstelling geen verblijfsrecht meer had. De minister baseert de maatregel op het besluit van 21 januari 2025, de uitzetting op 11 april 2025 en de stelling dat niet is gebleken dat eiser zijn eerder verblijf in Nederland daarna daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Hiermee heeft de minister echter niet voldaan aan de maatstaf uit het arrest F.S., aangezien een concrete, kenbare en integrale afweging van de feiten ontbreekt in de maatregel van bewaring. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende gemotiveerd.
Uit het arrest F.S. volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Ten slotte is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat die het verwijderingsbesluit heeft genomen.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zijn eerdere verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het besluit van 21 januari 2025 waarin is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht (het verwijderingsbesluit). De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser op 11 april 2025 gedwongen is uitgezet, maar vanaf 12 mei 2025 weer in aanraking is gekomen met de politie in Nederland, vanwege verstoring van de openbare orde. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling ook zelf verklaard dat hij sinds mei 2025 weer in Nederland is. Vanwege dit korte verblijf buiten Nederland en omdat hij na terugkeer naar Nederland wederom in aanraking komt met de politie en niet heeft onderbouwd dat hij werk en/of reguliere huisvesting heeft, heeft eiser niet aangetoond dat hij zijn verblijf in Nederland effectief heeft beëindigd en elders een bestendig leven heeft opgebouwd. Dat eiser inmiddels in bezit is van een Roemeense identiteitskaart, maakt dit niet anders. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld en voldoende gemotiveerd dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit en dat dit besluit nog steeds geldt. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft zware grond 3b en lichte gronden 4a en 4c betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht de zware grond 3b en lichte grond 4a tegengeworpen. Eisers betoog dat deze gronden ondeugdelijk zijn omdat ze uitgaan van een niet-vaststaande onrechtmatigheid van eisers verblijf, slaagt niet. Zoals onder 1.2 overwogen, geldt het verwijderingsbesluit van 21 januari 2025 immers nog steeds. Daarnaast is zware grond 3c feitelijk juist, omdat eiser na het verwijderingsbesluit van 21 januari 2025 niet uit eigen beweging is vertrokken maar op 11 april 2025 gedwongen is uitgezet, waarna hij in mei 2025 opnieuw naar Nederland is gekomen. Ook is lichte grond 4c feitelijk juist, omdat eiser niet op een gesteld adres staat ingeschreven in de BRP. Dat eiser, zoals hij stelt, verblijft bij een opvang van stichting De Regenboog Groep, maakt dit niet anders. Daarnaast heeft de minister bij deze grond voldoende gemotiveerd waarom hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen voortvloeit, door te stellen dat het risico dat eiser onderduikt en niet traceerbaar is, groot is.
Zware gronden 3b en 3c en lichte gronden 4a en 4c zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, te kunnen dragen. Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan een lichter middel?
3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom er in eisers geval niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan, zoals een meldplicht. Bewaring van een Unieburger is een ingrijpende beperking van het vrije verkeer en verblijf, en moet strikt noodzakelijk en proportioneel zijn. Voor Unieburgers geldt bovendien dat de inbewaringstelling niet zoals het derdelandersregime mag worden gemotiveerd.
De minister stelt zich, gelet op de (onbetwiste) gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat sprake is van een onttrekkingsrisico. Verder ziet de rechtbank in wat eiser aanvoert geen reden te oordelen dat andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De stelling van eiser dat hij een Unieburger is en de inbewaringstelling een ingrijpende beperking van het vrije verkeer en verblijf, doet niet af aan het onttrekkingsrisico. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling heeft verklaard niet terug te willen naar Roemenië, en dat eiser – na een eerdere uitzetting naar Roemenië – weer terug naar Nederland is gekomen. De minister was in dit geval niet gehouden om een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.