RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiseres 1,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Inleiding
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34369
geboren op [geboortedatum 1] ,
V-nummer: [nummer 1] ,
[naam 2] , eiseres 2,
geboren op [geboortedatum 2] ,
V-nummer: [nummer 2] ,
beiden van Afghaanse nationaliteit,
samen te noemen: eiseressen,
(gemachtigde: mr. J. Sinnema),
en
(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseressen tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor het verblijfsdoel ‶verblijf als familie- of gezinslidʺ bij hun zus [naam referente] (referente) ongegrond is verklaard.
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eiseressen krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
3. Eiseressen hebben op 7 juli 2022 een mvv-aanvraag voor het verblijfsdoel “verblijf als familie- of gezinslid” bij referente ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 25 maart 2024 afgewezen. Eiseressen zijn het met deze afwijzing niet eens en hebben hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Met het bestreden besluit van 1 juli 2025 op het bezwaar van eiseressen heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard, waarmee de afwijzing van de aanvraag door de minister in stand is gelaten.
4. De rechtbank heeft het door eiseressen ingestelde beroep tegen de beslissing op bezwaar op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Referente en de gemachtigde van eiseressen zijn met voorafgaand bericht niet op de zitting verschenen.
De totstandkoming van het besluit
5. Eiseressen zijn afkomstig uit Afghanistan en verblijven op dit moment nabij [stad] , [land] . Referente is in 2022 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 7 juli 2022 heeft zij een mvv-aanvraag ingediend voor het verblijf van eiseressen bij referente als hun zus op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat referente de identiteit van haar ouders niet heeft aangetoond. Ook is de familierechtelijke relatie tussen referente, haar zussen en haar ouders niet aangetoond. Vervolgens is de mvv-aanvraag door de minister afgewezen.
6. Het tegen dat besluit ingediende bezwaar heeft de minister met het bestreden besluit van 1 juli 2025 ongegrond verklaard. In dat besluit handhaaft de minister het standpunt dat de identiteit van de ouders van referente en de familierechtelijke relatie tussen referente, de ouders en de zussen niet is aangetoond. De minister stelt zich daarbij op het standpunt dat de overgelegde Tazkeras niet kunnen worden aangemerkt als onderbouwing van de familierechtelijke relatie tussen referente en de ouders. Er zijn geen andere familierechtelijke documenten, zoals een geboorteakte of een voogdijakte, overgelegd. Ook zijn er geen andere documenten of informatie overgelegd waarmee de familierechtelijke relatie kan worden onderbouwd.
De gronden van beroep
7. Eiseressen voeren aan dat zij de Tazkeras van de ouders hebben overgelegd. Bureau Documenten heeft deze Tazkeras positief beoordeeld. Volgens eiseressen is de identiteit van de ouders daarmee vast komen te staan. De onderling afwijkende verklaringen over de leeftijd van de ouders en de afwijkende leeftijd op de Tazkeras mag de minister niet tegenwerpen. Referente heeft immers tijdens de hoorzitting aangegeven dat zij de leeftijden van de ouders niet exact weet, maar dat deze op de Tazkeras staan. Over de op de Tazkera genoemde geboorteplaats van de vader is geen sprake van een tegenstrijdigheid, omdat de op de Tazkera genoemde plaats [plaatsnaam] in de door referente genoemde provincie [naam provincie] ligt. Omdat op de Tazkera de namen van de vader en grootvader staan vermeld, toont deze de familierechtelijke relatie aan. Overige documenten die de familierechtelijke relatie aantonen zijn er niet, zodat sprake is van bewijsnood. Omdat de identiteit van de ouders en de familierechtelijke relatie tussen referente, de ouders en eiseressen is aangetoond, heeft de minister ten onrechte niet beoordeeld of sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Beoordeling door de rechtbank
De identiteit van de ouders
8. De rechtbank stelt vast dat de overgelegde Tazkeras door Bureau Documenten op echtheid zijn onderzocht en positief zijn beoordeeld. Anders dan eiseressen stellen betekent dat echter niet dat daarmee de identiteit van de ouders is aangetoond.
Tijdens de zitting heeft de minister aangegeven dat het verschil in de door referente genoemde geboorteplaats van de vader en de op de Tazkera genoemde plaats niet langer wordt tegengeworpen.
Met betrekking tot de geboortedata van de ouders heeft de minister terecht aan referente tegengeworpen dat zij over die geboortedata niet consistent heeft verklaard. Referente heeft tijdens het aanmeldgehoor in haar asielprocedure in 2019 verklaard dat haar vader op dat moment 40-45 jaar oud was en haar moeder ongeveer 40 jaar. Dat betekent dat haar vader ten tijde van het bestreden besluit 46-51 jaar oud moet zijn en haar moeder ongeveer 46 jaar. Tijdens de hoorzitting heeft referente aangegeven dat haar vader ongeveer 28 jaar oud is en haar moeder ongeveer 50 jaar oud. Volgens de gegevens op de overgelegde Tazkeras zou de vader ten tijde van het bestreden besluit ongeveer 42 jaar oud zijn en de moeder rond de 69 jaar. Gelet op deze grote verschillen in leeftijden heeft de minister terecht tegengeworpen dat referente geen onderling consistente verklaringen heeft afgelegd over de persoonsgegevens van haar ouders en haar onderling afwijkende verklaringen dan ook nog afwijken van de gegevens op de Tazkeras. Daarmee is twijfel ontstaan over de identiteit van de ouders. Omdat er geen andere (identificerende) documenten of ondersteunende bewijsmiddelen zijn overgelegd is de rechtbank met de minister van oordeel dat de identiteit van de ouders niet is aangetoond.
De familierechtelijke relatie
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat een Tazkera een identificerend document is en niet een document om de familierechtelijke relatie aan te tonen. Er zijn geen andere familierechtelijke documenten of andere bewijsmiddelen overgelegd om de familierechtelijke relatie tussen referente, de ouders en de zussen aan te tonen. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van bewijsnood. Niet is gebleken van verrichte inspanningen om andere documenten of bewijsmiddelen te verkrijgen die de familierechtelijke relatie aantonen of onderbouwen. Daarbij heeft de minister in aanmerking kunnen nemen dat die mogelijkheid er wel was, omdat er toegang was tot het ouderlijk huis waar de Tazkeras zijn opgehaald. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat de familierechtelijke relatie niet is aangetoond.
10. De rechtbank ziet ook in hetgeen overigens in beroep naar voren is gebracht geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van de minister om de mvv-aanvraag af te wijzen in stand wordt gelaten.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters – van Luijk, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.