ECLI:NL:RBDHA:2026:6688

ECLI:NL:RBDHA:2026:6688

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer NL24.35899, NL24.35900, NL24.35901 en NL24.35902
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

’Familie Gülenisten. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen van eisers niet in stand kan blijven. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eisers vanwege hun de betrokkenheid bij de Gülenbeweging en alle individuele omstandigheden geen gegronde vrees hebben voor vervolging bij terugkeer naar Turkije. De beroepen zijn gegrond.’’

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL24.35899, NL24.35900, NL24.35901 en NL24.35902

V-nummer: [v-nummer 1] ,

[eiseres 1] , eiseres,

V-nummer: [v-nummer 2] ,

[eiser 2] , eiser 2,

V-nummer: [v-nummer 3] ,

[eiseres 2] , eiseres 2,

V-nummer: [v-nummer 4] ,

samen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. F. Zeven),

en

(gemachtigde: mr. Ch. R. Vink).

1. Eisers komen uit Turkije. Zij hebben een asielaanvraag ingediend. Zij vrezen voor vervolging door de Turkse autoriteiten vanwege het feit dat zij betrokken zijn bij de Gülenbeweging. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen omdat eisers hun vrees voor vervolging niet aannemelijk hebben gemaakt. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eisers vanwege hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging geen gegronde vrees hebben voor vervolging bij terugkeer naar Turkije. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 27 september 2022 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij hebben allen de Turkse nationaliteit. Eiser (de vader) en eiseres (de moeder) zijn de ouders van eiser 2 (de zoon) en eiseres 2 (de dochter). Eisers zijn geboren op respectievelijk [datum 1] 1967, [datum 2] 1967, [datum 3] 1999 en [datum 4] 2004. Verweerder heeft deze aanvragen met de bestreden besluiten van 28 augustus 2024 afgewezen.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

Verweerder heeft in alle zaken verweerschriften ingediend.

De beroepen zijn op de zitting van 3 maart 2026 door de rechtbank gezamenlijk behandeld. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van eisers, S. Kefeli als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

De asielrelazen

3. Eisers hebben verklaard dat zij Turkije hebben verlaten omdat zij ervan overtuigd zijn dat zij zullen worden opgepakt vanwege hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging. De vader heeft twintig jaar als officier bij de luchtmacht in Turkije gewerkt. Daar ondervond hij vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging problemen. De oudste zoon van het gezin, [naam 1] , is in Turkije vervolgd wegens zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Hij is gevlucht en heeft een asielvergunning in Nederland gekregen. In de tenlastelegging van [naam 1] stond in verband met het gebruik van een belketen de naam van de vader genoemd. De ouders hadden een bankrekening bij de [naam 2] bank en een abonnement op de [naam 3] krant. Ook zijn er verschillende familieleden van de moeder vervolgd wegens betrokkenheid bij de Gülenbeweging en in detentie gezet. Het gezin heeft aan hen bijstand verleend. Alle gezinsleden hebben activiteiten ondernomen die te maken hebben met het uiten van hun Gülenisme waaronder het bijwonen van [naam 4]. Het gezin is gevlucht toen een collega van eiser vertelde dat eisers naam op een lijst bij de politie stond.

De bestreden besluiten

4. Het asielrelaas van het gezin bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- activiteiten met betrekking tot de Gülen-beweging.

Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig, maar vindt niet aannemelijk dat eisers vanwege de activiteiten een gegronde vrees voor vervolging hebben. Eisers vallen weliswaar onder het risicoprofiel Gülen-aanhangers, maar zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan.

De beleidswijziging

5. Eisers voeren allereerst aan dat de beleidswijziging van 1 december 2023, neergelegd in WBV 2023/24, onterecht is en niet deugdelijk is gemotiveerd. Naar de mening van eisers geldt voor alle aanhangers van de Gülenbeweging dat zij gegronde vrees voor vervolging in Turkije hebben, omdat sprake is van groepsvervolging, zoals bedoeld in paragraaf C2/3.2.3 van de Vc. 5.1. De rechtbank verwijst voor de beoordeling van deze beroepsgrond naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 november 2025. Daarin heeft de meervoudige kamer geoordeeld dat deze beleidswijziging niet onredelijk is en geconcludeerd dat er op dit moment geen sprake is van groepsvervolging. In de beroepsgronden zijn geen nieuwe omstandigheden aangevoerd, die niet in deze uitspraken zijn betrokken. Dat, zoals op zitting door eisers is aangevoerd, de minister van Binnenlandse Zaken van Turkije is doorgegaan met uitlatingen waaruit de jacht op Gülen-aanhangers blijkt, is niet een nieuwe omstandigheid. Dit is een voortzetting van de uitlatingen die in de uitspraken van 25 november 2025 zijn betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.

Apart asielmotief

6. Eisers voeren verder aan dat verweerder ten onrechte het zijn van Gülen-aanhanger niet als apart asielmotief heeft beoordeeld. Uit de verklaringen van eisers volgt immers dat het Gülenisme de kern van hun asielrelazen vormt. De gemachtigde van eisers heeft op de zitting toegelicht dat het Gülenisme een levensovertuiging betreft die de Turkse autoriteiten hebben aangemerkt als politieke overtuiging. Verweerder had dit apart moeten toetsen in overeenstemming met het arrest Y en Z van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof).

De rechtbank volgt eisers hierin. Het Hof heeft in het arrest Y en Z uiteengezet hoe moet worden beoordeeld of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een (toegedichte) politieke overtuiging, zoals het Gülinisme. Relevante elementen voor deze beoordeling zijn de sterkte van de overtuiging van de betrokkene en eventueel verrichte activiteiten om die overtuiging uit te dragen. Het is niet vereist dat de overtuiging van de betrokkene zo diepgeworteld is dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst het uiten ervan niet achterwege zou kunnen laten. Volgens het arrest moet een uitputtend en grondig onderzoek worden verricht naar de relevante omstandigheden, waarbij zowel de specifieke persoonlijke situatie van de betrokkene als de bredere context van het land van herkomst in aanmerking moeten worden genomen. 6.2. Verweerder had daarom op basis van de verklaringen van eisers over hun activiteiten voor en na de staatsgreep van 2016 moeten onderzoeken en beoordelen of eisers hun overtuiging bij terugkeer zullen blijven uiten en of zij door zullen gaan met de handelingen die zij eerder verrichtten. 6.3. Verweerder heeft dit niet onderzocht en beoordeeld en om die reden is het besluit onzorgvuldig genomen en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt op zitting dat de uitingen bij terugkeer impliciet wel zouden zijn getoetst maar dat het vanwege marginale activiteiten niet onder een politieke overtuiging valt. Het besluit bevat daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. De beroepsgrond slaagt.

Persoonlijke omstandigheden

7. Eisers voeren aan dat zij gelet op hun persoonlijke omstandigheden, die ook niet worden betwist door de minister, in de verhoogde aandacht van de Turkse autoriteiten staan. De minister heeft immers hun actieve betrokkenheid bij het Gülinisme, hun financiële en praktische steun aan mede-Gülenisten en de vervolging en veroordeling van de oudste zoon [naam 1] en de familieleden van eiseres geloofwaardig gevonden. Gezien de informatie uit de algemene ambtsberichten (AAB) over Turkije maakt dit naar mening van eisers dat een andere conclusie dan dat eisers een gegronde vrees hebben voor vervolging niet mogelijk is.

Verweerder vindt deze feiten onvoldoende. Eiser heeft de tenlastelegging van zijn zoon [naam 1] , waar zijn naam in vermeld staat, overgelegd maar dat document dateert van 2019 en het gezin is zelf pas in september 2022 vertrokken en in de tussenperiode hebben zij geen problemen ondervonden. Dat andere familieleden zijn vervolgd maakt ook niet dat eisers persoonlijk in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan. Ook hebben eiseres niet onderbouwd dat er een strafrechtelijk of anderzijds juridisch onderzoek tegen hen is gestart. De vrees dat eiser zal worden opgepakt is gebaseerd op één verklaring van een collega en dat is niet voldoende. De bankrekening bij de [naam 2] bank, het abonnement op de [naam 3] krant en het verlenen van bijstand aan familieleden is onvoldoende om een vrees voor vervolging aannemelijk te achten.

Onbetwiste feiten

De rechtbank stelt vast dat verweerder de volgende feiten en omstandigheden geloofwaardig vindt:

- in de tenlastelegging van de oudste zoon van eiser en eiseres, [naam 1] , die in Nederland een asielvergunning heeft gekregen, wordt de naam van eiser genoemd;

- de ouders van het gezin hadden een abonnement op de [naam 3] krant onder een valse naam;

- de ouders van het gezin hadden beiden een rekening bij de [naam 2] bank;

- de familieleden van de moeder zijn vervolgd wegens het Gülenisme;

- de ouders hebben financiële en praktische steun verleend aan de vervolgde familieleden;

- alle gezinsleden hebben [naam 4] bijgewoond, de moeder was [naam 5] ;- de autoriteiten zijn aan de deur van het huis van eisers gekomen;

- de vader heeft verklaard dat de politie regelmatig langskwam in zijn printwinkel;

- de zoon heeft lesgegeven over de Koran en heeft vroeger Instagram posts geplaatst waarmee hij na de coup in 2016 is gestopt;- de dochter heeft twee keer mee gedaan aan zomerkampen;

- een collega van de vader heeft zijn naam op een lijst gezien;

- de vader is in Nederland werkzaam als vrijwilliger bij de Stichting [naam Stichting] ;- de moeder heeft kritische uitingen op twitter geplaatst;

- een Turkse advocaat heeft voor eisers een brief opgesteld over de vrees voor vervolging.

Beoordelingsmaatstaf

Bij de beoordeling of de individuele omstandigheden van eisers voldoende zijn voor de door eisers gestelde vrees, is allereerst van belang dat, zoals door eisers is aangevoerd, het er bij deze individuele beoordeling niet om gaat dat de concrete vrees feitelijk is onderbouwd, maar of deze vrees aannemelijk is. In de door eisers aangehaalde conclusie van de advocaat-generaal Capeta in het arrest Ebilum van het Hof, wordt vaste jurisprudentie van het Hof aangehaald, waaruit volgt dat de autoriteiten moeten beoordelen of de vastgestelde feiten en omstandigheden een zodanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om bij terugkeer te vrezen daadwerkelijk te worden vervolgd. Dat is een toekomstgerichte beoordeling. De advocaat-generaal concludeert dat het moet gaan om een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat een persoon bij terugkeer zal worden vervolgd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het licht van deze beoordelingsmaatstaf en de informatie uit de AAB over Turkije van 2023 en 2025 en overige bronnen onvoldoende heeft gemotiveerd dat eisers niet hebben voldaan aan het individualiseringsvereiste en dat er bij eisers geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging op basis van de geloofwaardig geachte feiten. De rechtbank licht dat hierna toe.

Strafdossier

8. Verweerder werpt eisers tegen dat zij niet hebben onderbouwd dat er een strafrechtelijk of anderzijds juridisch onderzoek tegen hen is gestart.

Eisers voeren allereerst aan dat eiser al bij naam is genoemd in de tenlastelegging van zijn zoon [naam 1] . Dat betekent dat de naam van eiser al is opgenomen in een strafrechtelijk dossier en daardoor bekend is bij de Turkse autoriteiten. Verder kunnen eisers hun telefoon niet gebruiken om inzicht en toegang te krijgen tot hun digitale overheidsportaal vanwege het risico dat dat met zich mee brengt. Zij kunnen dus niet onderbouwen dat sprake is van een strafdossier of ander juridisch onderzoek tegen hen. Zij hebben wel brieven overgelegd van een Turkse advocaat waaruit volgt dat het zeer waarschijnlijk is dat eisers ervan zullen worden beschuldigd lid te zijn van een gewapende terroristische organisatie, als FETÖ-verdachten, gelet op het feit dat er veel rechtszaken tegen familieleden van eisers lopen. Verweerder heeft aan deze brieven ten onrechte weinig gewicht gehecht.

De rechtbank volgt eisers hierin. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers niet kunnen tegenwerpen dat zij niet hebben onderbouwd dat sprake is van een lopende strafvervolging. Eiseres hebben voldoende toegelicht dat zij vanwege het risico dat dit met zich meebrengt niet in hun digitaal portaal kunnen en daarom geen toegang hebben tot documenten. Ook hebben zij met verwijzing naar artikel 153 en 157 van het Turkse wetboek van Strafvordering, een bespreking van een Gülen zaak door de VN-

mensenrechtenraad in 2023 en een klachtprocedure bij het EHRM voldoende toegelicht dat zij niet van een vervolging op de hoogte zouden worden gesteld. Gelet hierop en de in rechtsoverweging 7.3. aangehaalde beoordelingsmaatstaf heeft verweerder onvoldoende gewicht gehecht aan de overgelegde advocatenbrieven. Daarbij benadrukt de rechtbank dat de brieven door een beroepsmatige advocaat zijn opgesteld en verweerder deze brieven niet zomaar ter zijde kan schuiven als afkomstig van een subjectieve bron.

Legale uitreis

9. Eisers voeren aan dat verweerder niet heeft kunnen tegenwerpen dat eisers legaal zijn uitgereisd, omdat uit het AAB 2025 volgt dat enkel personen aan wie een uitdrukkelijk uitreisverbod is opgelegd niet legaal kunnen uitreizen. Dat eisers hebben kunnen uitreizen betekent derhalve niet dat zij niet onder de negatieve aandacht van de autoriteiten staan.

Verweerder heeft op zitting erkend dat uit het AAB 2025 volgt dat het legaal kunnen uitreizen niet betekent dat iemand niet in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat. Verweerder heeft op de zitting niet kunnen uitleggen waarom de legale uitreis van eisers desalniettemin toch in het nadeel van eisers meeweegt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de legale uitreis toch in de besluitvorming kenbaar in het nadeel van eisers mee te laten wegen.

Vervolgde familieleden

10. Eisers voeren aan dat het feit dat familieleden van eiseres en hun zoon [naam 1] zijn vervolgd zwaar moet meewegen in de beoordeling of zij bij terugkeer een risico op vervolging lopen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het AAB 2025 volgt dat dit alleen het geval is als het gaat om hooggeplaatste familieleden. Volgens verweerder is daar in dit geval geen sprake van.

Niet is in geschil dat eisers daadwerkelijk financiële en praktische hulp aan vervolgde familieleden hebben verleend. Met eisers is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat dit voor eisers bij terugkeer geen risico op vervolging oplevert. Dat de vervolgde familieleden van eisers geen hooggeplaatste functies hadden, volgt de rechtbank zonder nadere motivering niet. De wegens Gülenactiviteiten definitief veroordeelde zoon [naam 1] was officier in het leger en F-16 piloot. De vervolgde schoonzus van eiseres, [naam 6] , had een leidende rol in de Empati vrouwenvereniging van de Gülen-beweging. Daar komt bij, zoals door eisers is aangevoerd, dat in andere bronnen niet is vermeld dat er alleen een sprake is van een risicofactor als het om hooggeplaatste familieleden gaat. Zo spreekt het rapport “Country Policy and Information Note Turkey: Gülenists” van het Britse Home Office louter van “having family members who are suspected Gülenists”. Verder hebben eisers er terecht op gewezen dat in AAB ook een ‘restcategorie’ wordt genoemd en heeft verweerder ook als het geen hooggeplaatste familieleden zou betreffen onvoldoende gemotiveerd waarom eisers dan niet onder die categorie zouden vallen. Dat klemt temeer nu de vader met zijn naam staat vermeld in het strafdossier bij de Turkse autoriteiten.

Activiteiten in Nederland

11. In beroep zijn de vertalingen van de kritische uitlatingen van eiseres overgelegd. Verweerder vindt daarom die uitlatingen inmiddels wel geloofwaardig maar, net als de activiteiten van eiser bij de stichting [naam Stichting] , onvoldoende. Eiseres hebben niet onderbouwd dat de Turkse autoriteiten hiermee bekend zijn. Met betrekking tot de stichting [naam Stichting] blijkt niet dat openbaar bekend is dat deze stichting verbonden is aan het Gülenisme of dat deze stichting gemonitord wordt.

Eisers voeren aan dat uit het AAB 2025 blijkt dat het openlijk uiten van kritiek op de Turkse overheid via sociale media op dit moment een reëel risico op strafvervolging oplevert. Nu de uitlatingen van eiseres geloofwaardig zijn moet verweerder daar een nieuw standpunt over innemen. Verder monitoren de Turkse autoriteiten Gülen-aanhangers in het buitenland, zoals ook volgt uit het AAB 2025. De Turkse autoriteiten hebben een stichting in Hengelo gemonitord vanwege FETÖ-betrokkenheid, evenals de Utrechtse Gülenstichting SECU.

De rechtbank volgt eisers ook hierin. Vaststaat dat er stichtingen en groepen in Nederland zijn die gemonitord worden door de Turkse autoriteiten wegens Gülenactiviteiten. Zoals door eisers op zitting toegelicht gaat dat niet alleen om de stichting SECU, die openlijk verbonden was aan de Gülenbeweging. Ook een stichting uit Hengelo, waarbij dat niet het geval was, is gemonitord en er is informatie over de betrokken personen gestuurd naar Turkije ten behoeve van strafrechtelijke onderzoekdossiers. Verweerder heeft in dat licht onvoldoende gemotiveerd dat de activiteiten van eiser voor de Stichting [naam Stichting] geen risico zal opleveren. Ook over de - inmiddels in beroep geloofwaardig geachte - twitterberichten van eiseres zal verweerder in het licht van de informatie uit het AAB 2025 een nieuw gemotiveerd standpunt moeten innemen. Dit geldt temeer omdat verweerder in de procedure bij de Afdeling over het beleid ten aanzien van Gülenzaken heeft erkend dat onder andere het ‘’positief hebben gesproken over Gülen in het openbaar (denk bijvoorbeeld aan het plaatsen van positieve berichten over Gülen op social media)’’ een criterium is dat kan leiden tot negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten.

Geen problemen ondervonden na 2019

12. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat bij de beoordeling van de vrees bij terugkeer zwaar in het nadeel van eisers weegt dat eisers geen problemen hebben gehad in de periode na de tenlastelegging van de oudste zoon [naam 1] in 2019 tot aan hun vertrek in september 2022. Het enkele feit dat een collega zegt een lijst te hebben gezien waarop de naam van de vader stond vermeld is onvoldoende.

De rechtbank is met eisers van oordeel dat dit voor de beoordeling van de vrees van eisers bij terugkeer in het licht van al hetgeen hiervoor is overwogen onvoldoende is. Verweerder zal ten aanzien van alle individuele omstandigheden als genoemd in rechtsoverweging 7.2., en wat de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen, moeten beoordelen of dit in samenhang voor eisers bij terugkeer een risico op vervolging oplevert en daarbij moeten betrekken dat de nog altijd doorlopende vervolging van Gülen-aanhangers in Turkije willekeurig en onvoorspelbaar is.

Conclusie en gevolgen

13. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvragen te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

14. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor tien weken, omdat eisers nog moeten worden gehoord over hun politieke overtuiging.

15. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft beroepschriften ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De rechtbank beschouwt de zaken van eisers vanwege de inhoud als samenhangende zaken, wegingsfactor 1,5. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.802,-. Omdat aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder deze vergoeding betalen aan de gemachtigde. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 28 augustus 2024;

- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Schelhaas, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?