RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3962
(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover),
en
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres omdat Duitsland daar verantwoordelijk voor is. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiseres heeft belang bij de uitkomst van haar procedure, omdat zij tijdens de behandeling in Nederland verblijft en recent contact heeft gehad met haar gemachtigde. De minister hoefde artikel 17 van de Dublinverordening niet toe te passen en de aanvraag onverplicht aan zich te trekken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 18 augustus 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Op 13 februari 2026 heeft de rechtbank een brief van de minister ontvangen met de melding dat eiseres op 17 december 2025 zelfstandig uit Nederland is vertrokken en inmiddels weer in Duitsland verblijft. De rechtbank heeft gemachtigde daarom verzocht om toe te lichten of er op dit moment nog procesbelang is. Gemachtigde van eiseres heeft op 16 februari 2026 in een reactie laten weten dat er onlangs nog telefonisch contact is geweest en dat sprake is van procesbelang. In aanvulling hierop heeft gemachtigde in een bericht van 16 maart 2026 laten weten dat eiseres inmiddels op een COa-locatie is in Groningen en dat gemachtigde en eiseres contact met elkaar hebben.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting. Eiseres is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 16 oktober 2025 aanvaard.
Heeft eiseres procesbelang bij haar zaak?
4. Gelet op de brief van de minister aan de rechtbank van 13 februari 2026, waarin is meegedeeld dat eiseres op 17 december 2025 zelfstandig uit Nederland naar Duitsland is vertrokken, moet de rechtbank eerst vaststellen of eiseres nog belang heeft bij de uitkomst van haar procedure, voordat tot inhoudelijke behandeling kan worden overgegaan.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) kan het belang van een vreemdeling komen te vervallen zodra deze met onbekende bestemming (mob) vertrekt zonder opgave van verblijfplaats. Toch geldt dat, gezien het fundamentele recht op toegang tot de rechter en effectieve rechtsbescherming, de bestuursrechter terughoudend moet zijn met het niet-ontvankelijk verklaren op basis van een mob-melding. Zolang de gemachtigde contact onderhoudt met de vreemdeling, mag worden aangenomen dat er procesbelang is bij het verkrijgen van verblijfsrecht in Nederland. Dit geldt, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming of geen actueel belang heeft, bijvoorbeeld door verblijf in het buitenland. Zelfs dan hoeft het procesbelang niet per definitie te vervallen, bijvoorbeeld als de vreemdeling tijdelijk elders verblijft omdat opvang in Nederland ontbreekt en hij daar nog geen bescherming heeft gevraagd. Bij twijfel moet de bestuursrechter eerst aanvullende vragen stellen aan de gemachtigde voordat wordt geconcludeerd dat het procesbelang ontbreekt.
De rechtbank neemt aan dat eiseres in dit geval procesbelang heeft. Hoewel zij eerder zelfstandig was vertrokken uit Nederland zonder haar verblijfplaats te melden, verbleef zij ten tijde van de behandeling van het beroep op 17 maart 2026 weer in Nederland op een COa-locatie in Groningen. Het beroep is daarmee ontvankelijk. De rechtbank zal hierna inhoudelijk ingaan op de beroepsgronden van eiseres.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?
5. Eiseres betoogt dat de minister artikel 17 van de Dublinverordening had moeten toepassen vanwege haar persoonlijke situatie en de onaanvaardbare gevolgen van een overdracht aan Duitsland. Ze is een alleenstaande vrouw uit Eritrea. Ze verbleef in Duitsland bij haar moeder en stiefvader. Die hebben haar echter onder druk gezet om te worden uitgehuwelijkt aan een onbekende man die in Duitsland verblijft. Ze vreest bij overdracht naar Duitsland een gedwongen huwelijk, dan wel een ernstige conflictsituatie met haar moeder en stiefvader. Ze kan hier in Duitsland tegen deze vorm van dwang onvoldoende bescherming krijgen. Deze omstandigheden vormen een reƫel risico op ernstige schending van haar lichamelijke en geestelijke integriteit, zoals beschermd door artikel 3 van het EVRM. De minister heeft onvoldoende toegelicht waarom zij in Duitsland voldoende beschermd zou zijn en heeft nagelaten haar kwetsbaarheid individueel te beoordelen. Door geen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening, heeft de minister onterecht vastgehouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland, waardoor sprake is van een onevenredige hardheid en schending van het evenredigheidsbeginsel.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiseres onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De minister heeft de door eiseres genoemde individuele situatie (de omstandigheid dat zij een jonge, alleenstaande kwetsbare vrouw is die bang is voor een uithuwelijking en haar veiligheid bij overdracht naar Duitsland) al meegenomen bij de beoordeling van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Daarover heeft de minister in het besluit voldoende gemotiveerd dat Duitsland met het claimakkoord heeft beloofd de asielaanvraag van eiseres in behandeling te nemen en dat de minister voor Duitsland uit mag gaan voor het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft niet gemotiveerd betwist dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel of waarom de Duitse autoriteiten haar niet kunnen helpen. Daarbij heeft de minister er in het bestreden besluit terecht op gewezen dat niet is gebleken dat eiseres hulp heeft gevraagd van de Duitse autoriteiten en dat ze haar niet kunnen of willen helpen. Verder is de minister, in tegenstelling tot wat eiseres betoogt, in het bestreden besluit wel degelijk ingegaan op haar bijzondere kwetsbaarheid zoals bedoeld in het arrest Tarakhel. In het besluit is verder duidelijk uitgelegd waarom eiseres dit niet met documenten heeft aangetoond en waarom extra garanties bij overdracht niet nodig zijn. Dat zij een jonge alleenstaande vrouw is, maakt haar niet automatisch bijzonder kwetsbaar. Eiseres heeft weliswaar aangegeven conflicten te hebben gehad met haar moeder en stiefvader en bang te zijn voor een gedwongen huwelijk, maar dit is niet onderbouwd met documenten. Ook heeft zij niet aangetoond dat zij extra persoonlijke garanties van Duitsland nodig heeft. De minister hoeft daarom niet met bewijs te komen dat zij zonder extra garanties niet voldoende bescherming en zorg krijgt in Duitsland. Dit is door eiseres in beroep niet gemotiveerd betwist. Ze heeft enkel herhaald kwetsbaar te zijn. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025.
De minister heeft zich verder op in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen andere bijzondere individuele omstandigheden zijn die in de weg staan aan overdracht. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres in stand blijft en dat de minister haar mag overdragen aan Duitsland. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid vanmr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.