[verzoeker], onbekende woon- of verblijfplaats, verzoeker,
v-nummer: [nummer]
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Verzoeker heeft op 10 november 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 november 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
Bij brief van 2 december 2025 heeft verzoeker een beroep op betalingsonmacht gedaan. De rechtbank heeft bij brief van 11 december 2025 aan verzoeker verzocht om het beroep op betalingsonmacht verder toe te lichten aan de hand van het bijgevoegde formulier. Hierop heeft verzoeker niet gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op betalingsonmacht op 23 december 2025 afgewezen.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 24 december 2025 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 2 januari 2026 is bezorgd op een PostNL-punt, maar niet is afgehaald. Op 20 januari 2026 is de nota retour gekomen bij de rechtbank. Met de brief van 20 januari 2026 is verzoeker gevraagd wat de reden is voor het niet betalen van het griffierecht. Op deze brief is niet gereageerd.
De rechtbank heeft in de basisregistratie personen (brp) gecontroleerd of het adres van verzoeker klopt, of dat er een ander adres is waar de nota naar toe kan worden gezonden. Uit de brp blijkt echter dat verzoeker geen ingezetene is.
Bevindingen van de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter heeft in een relatief kort tijdsbestek diverse verzoeken om voorlopige voorzieningen gekregen van vreemdelingen die een aanvraag om arbeid als zelfstandige hebben ingediend waarbij zij een beroep doen op het associatierecht EU-Turkije. Door de griffie werd gesignaleerd dat in deze verzoeken (aangetekende) post opvallend vaak retour werd gezonden aan de griffie als zijnde onbestelbaar. Nader onderzoek wees uit dat dit samenhing met feit dat in tenminste al 19 verzoeken hetzelfde postadres in [plaats] werd opgevoerd. Deze vreemdeling heeft een postadres in [plaats] maar de handtekening op het verzoekschrift is niet van de vreemdeling omdat de voorzieningenrechter deze handtekening is tegengekomen in 19 andere zaken waarvan het grootste deel op het adres in [plaats] waarvan de post steeds retour komt. Ook is het verzoekschrift vrijwel gelijkluidend aan 16 andere zaken die de voorzieningenrechter heeft ontvangen.
De voorzieningenrechter merkt op dat zich geen gemachtigde voor verzoeker heeft gesteld. Gelet op de opvallend grote mate van gelijkenis met andere verzoeken en het feit dat de handtekening niet van verzoeker zelf kan zijn, lijkt de veronderstelling gerechtvaardigd dat iemand anders op naam van verzoeker handelt. Er heeft zich echter geen gemachtigde gesteld en verzoekers verblijfplaats is onbekend zodat de voorzieningenrechter dit ook niet kan verifiëren.
Conclusie en gevolgen
3. Omdat het griffierecht niet is betaald en het verzoek in strijd met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb niet door verzoeker zelf is ondertekend, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Gelet op de bevindingen van de voorzieningenrechter zoals hiervoor weergegeven, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het niet betalen van het griffierecht verontschuldigbaar te achten of verzoeker nog een herstelmogelijkheid te bieden voor wat betreft de ondertekening. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: