RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/682258 / HA ZA 25-268
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[de bewindvoerder] te [woonplaats 1],
in hoedanigheid van bewindvoerder in de schuldsaneringsregelingsregeling van [de man],
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
advocaten: jhr. mr. M.L.E. Storm van ’s Gravesande en mr. S.H. van Loon,
tegen
[de vrouw] te [woonplaats 2],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Burger.
1. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 12 maart 2025 met producties 1 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie
met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- het B8 formulier van de vrouw met producties 5 tot en met 9;
- het B8 formulier van de bewindvoerder met producties 14 en 15;
- het B16 formulier van de vrouw;
- de akte reactie aanvullende producties gedaagde in conventie, eiseres in reconventie van de bewindvoerder.
Op 29 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De bewindvoerder is verschenen met de heer [de man], bijgestaan door de advocaten voornoemd. De vrouw is verschenen, bijgestaan door de advocaat voornoemd.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
[de man], voor wie de bewindvoerder als zodanig optreedt (hierna: de man) en de vrouw zijn op [datum] 1993 getrouwd met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen.
Op 1 december 1998 zijn de man en de vrouw gezamenlijk eigenaar geworden van het huis aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). De man en de vrouw hebben in verband met de aanschaf van de woning een hypothecaire lening afgesloten voor een bedrag van ƒ 422.500 (omgerekend: € 200.797,75). De man en de vrouw hebben gedurende de looptijd van de lening hierop niet afgelost.
De man heeft op 3 november 2008 de woning verlaten en is naar het buitenland vertrokken. De vrouw is in de woning blijven wonen en heeft zelfstandig de zorg voor hun vier kinderen op zich genomen. Vanaf dat moment heeft de vrouw de kosten van de huishouding betaald, waaronder de kosten van de woning. Ook was nog sprake van gezamenlijke schulden. De man heeft tot september 2010 nog financieel bijgedragen aan het huishouden, doordat zijn werkgever een bedrag op zijn salaris inhield en afdroeg aan de vrouw.
Op 20 november 2008 heeft de heer [naam 1] executoriaal beslag gelegd op de woning voor een schuld van de man. Op 4 februari 2009 hebben de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] executoriaal beslag gelegd op de woning eveneens voor een schuld van de man.
Bij beschikking van 26 oktober 2010 heeft deze rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (hierna: de schuldsaneringsregeling) uitgesproken voor de vrouw. De vrouw had tot dat moment nog contact met de man.
Op 9 februari 2011 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken.
In april 2014 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor de vrouw beëindigd met een schone lei verklaring.
In een taxatierapport van 15 april 2014 is de woning getaxeerd op € 195.000.
Op 3 november 2021 is de vrouw getrouwd met de heer [naam 4] (hierna: [naam 4]). De vrouw en [naam 4] wonen samen in de woning.
In 2022 is executoriaal beslag gelegd op de woning door ING Bank N.V. voor een schuld van de man.
De man is in 2022 teruggekeerd naar Nederland. Bij beschikking van 28 september 2023 heeft de rechtbank Midden-Nederland de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken voor de man. De rechtbank Midden-Nederland heeft in verband hiermee op 31 oktober 2023 verklaard dat de executoriale beslagen op de woning zijn vervallen.
In een taxatierapport van 11 december 2023 is de woning getaxeerd op € 360.000.
3. Het geschil
in conventie
De bewindvoerder vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat het gemeenschappelijke vermogen van de man en de vrouw, met uitzondering van de woning, op juiste wijze is verdeeld;
II. beveelt dat de woning wordt verdeeld, waarbij geldt dat de verdeling plaatsvindt op basis van de waarde van de woning op het moment van de feitelijke verdeling;
III. beveelt dat de vrouw een redelijke termijn van acht weken, althans een in goede justitie te bepalen termijn, krijgt om het aandeel van de man in de woning over te nemen op basis van de waarde van de woning bij de overname, bij gebreke waarvan de woning wordt verkocht aan een derde;
IV. beveelt dat bij de overname van het aandeel van de man in de woning door de vrouw, de vrouw de hypotheekschuld overneemt en de man wordt ontslagen van zijn hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot de hypotheekschuld;
V. beveelt dat als de vrouw de woning niet binnen de door de rechtbank vastgestelde termijn overneemt, de woning wordt verkocht op de door de bewindvoerder voorgestelde wijze;
VI. beveelt dat de vrouw en allen die met haar in de woning verblijven binnen vier weken, althans binnen een redelijke in goede justitie te bepalen termijn, de woning verlaten op straffe van een dwangsom en indien zij in gebreke blijven de woning te verlaten, de man te machtigen de woning te doen ontruimen;
VII. beveelt dat na verkoop van de woning de netto-opbrengst bij helfte wordt verdeeld;
VIII. subsidiair met betrekking tot de woning een beslissing neemt die de rechtbank redelijk acht;
IX. de vrouw veroordeelt in de kosten van de procedure.
De vrouw concludeert tot toewijzing van de vordering onder I. De vrouw voert voor het overige verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van de bewindvoerder in de proceskosten.
in reconventie
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair voor recht verklaart dat de woning moet worden verdeeld op basis van de waarde van de woning op 15 april 2014 van € 195.000;
II. subsidiair voor recht verklaart dat de overbedelingsvordering van de man tenietgaat door verrekening met de vordering van de vrouw.
De bewindvoerder voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
in conventie en in reconventie
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
De vorderingen in conventie en in reconventie hangen zodanig met elkaar samen dat de rechtbank deze gezamenlijk zal behandelen.
Gemeenschappelijke goederen
De vrouw heeft geconcludeerd tot toewijzing van de conventionele vordering onder I, waarin de bewindvoerder een verklaring voor recht vordert dat alle gemeenschappelijke goederen, met uitzondering van de woning, zijn verdeeld. In de omstandigheid dat sprake is van een schuldsanering met een bewindvoerder, ziet de rechtbank een belang voor de bewindvoerder bij toewijzing van de vordering, ook al bestaat tussen partijen op dit punt geen geschil.
Waardepeildatum van de woning
Partijen zijn het erover eens dat de woning moet worden verdeeld. Partijen twisten onder meer over welke peildatum moet worden aangehouden voor het bepalen van de waarde van de woning.
De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van het feitelijke moment van verdeling. De vrouw stelt dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken, omdat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De vrouw wijst daarbij op de volgende omstandigheden: de vrouw heeft sinds het vertrek van de man in 2008 alle lasten met betrekking tot de woning en de kinderen gedragen, de vrouw heeft alle financiële risico’s met betrekking tot de woning gelopen en de man heeft feitelijk de verdeling ervan belemmerd. De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van de waarde van de woning op het moment dat de man de woning heeft verlaten dan wel de waarde op het moment dat de echtscheiding tussen hen werd uitgesproken. De vrouw vordert dat 15 april 2014 als waardepeildatum moet worden gehanteerd, omdat de woning op die datum is getaxeerd.
De bewindvoerder zet hiertegenover dat de vrouw ook exclusief gebruik mocht maken van de woning. Daarnaast heeft de man als mede-eigenaar van de woning dezelfde financiële risico’s gelopen. Tot slot wijst de bewindvoerder erop dat de vrouw zelf verdeling van de woning had kunnen vorderen, maar om haar moverende redenen daar kennelijk niet voor heeft gekozen.
De rechtbank is van oordeel dat voor het bepalen van de waarde van de woning moet worden uitgegaan van het feitelijke moment van verdeling. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De rechtbank acht relevant dat de man de vrouw heeft achtergelaten met de woonlasten, de volledige (financiële) zorg voor de kinderen en de gezamenlijke schulden. In elk geval tussen 2010 en 2015 was de man onbereikbaar. De vrouw heeft gedurende die tijd alles betaald en kon in die periode ook geen beroep doen op een bijdrage door de man. Niet voor de woning maar ook niet voor de kinderen die eveneens in de woning woonden. De omstandigheid dat de vrouw zonder vergoeding aan de man in de woning is blijven wonen, weegt hier niet tegenop. Deze omstandigheden zouden aanleiding kunnen zijn voor het oordeel dat de man in feite zijn rechten op de woning met zijn vertrek heeft prijs gegeven. De man heeft immers ook, op enig moment tijdens zijn schuldsaneringstraject, aan de vrouw geschreven dat tijdens het traject toevallig naar boven was gekomen dat hij nog voor 50% eigenaar is van de woning terwijl hij in de veronderstelling was dat de woning bij de scheiding naar de vrouw was gegaan. De rechtbank kent voorts geen gewicht toe aan de omstandigheid dat [naam 4] op enig moment met de vrouw in de woning is gaan wonen. Als zij en niet de man in de woning woont, dan maakt het in de onderlinge verhouding tussen de vrouw en de man niet uit wie er verder nog in de woning wonen.
Voor de rechtbank is echter doorslaggevend dat direct na het vertrek van de man executoriaal beslag is gelegd op de woning door schuldeisers van de man. Hierdoor hebben de man en de vrouw tot de opheffing van het beslag in 2023 nooit helemaal vrij kunnen beschikken over de woning. Als de rechtbank de woning nu zou toedelen aan de vrouw tegen de waarde van de woning in 2014 zou zij recht hebben op de overwaarde over het gedeelte van de woning van de man die vanaf 2014 is ontstaan, terwijl op dat gedeelte executoriale beslagen lagen. De beslagen zijn pas opgeheven als onderdeel van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op de man. De bewindvoerder heeft de onderhavige procedure aanhangig gemaakt om het aandeel van de man in de woning te gelde te maken ten behoeve van de schuldeisers. Dan kan het niet zo zijn dat de overwaarde ten aanzien van de helft van de woning van de man waarop eerst een beslag rustte thans helemaal naar de vrouw gaat, en de schuldeisers daarvan niets ontvangen. De rechtbank zal voor de verdeling derhalve uitgaan van de waarde bij de feitelijke verdeling en niet van de waarde van de woning in 2014.
De levensverzekering
De man en de vrouw hadden ook in 2000 een levensverzekering afgesloten. De bewindvoerder heeft niet de verdeling van de levensverzekering gevorderd. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de levensverzekering dan kennelijk al is verdeeld. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij sinds september 2010 de premie voor de levensverzekering heeft betaald, zodat de rechtbank deze datum als verdelingsdatum neemt waarbij de levensverzekering aan de vrouw is toebedeeld. De man heeft recht op de helft van het bedrag dat was opgebouwd tot september 2010.
De vrouw heeft foto’s van waarde-overzichten van de levensverzekering overgelegd. Hieruit blijkt dat de levensverzekering op 31 december 2009 een waarde van € 12.330 had. Op 31 december 2010 had de levensverzekering een waarde van € 15.141. Bij een evenredige toename van de waarde van de levensverzekering gedurende het jaar, was de levensverzekering in september 2010 € 14.204 waard. De man en de vrouw hebben beiden recht op de helft daarvan, te weten € 7.102. Bij toedeling van de levensverzekering aan de vrouw is dan ook een vordering uit overbedeling van de man op de vrouw ontstaan van € 7.102. De rechtbank zal bepalen dat deze vordering van de man op de vrouw kan worden verrekend bij de toedeling of de verkoop van de woning.
Verrekening met overbedelingsvordering
De vrouw maakt subsidiair aanspraak op vergoeding van kosten die de man aan de vrouw moet vergoeden. De vrouw vordert dat haar vordering inzake deze vergoeding wordt verrekend met de vordering van de man op zijn deel van de overwaarde van de woning, zodat deze woning aan de vrouw kan worden toegedeeld en de man in verband daarmee niets van haar te vorderen heeft. De kosten waarvan de vrouw vergoeding vordert betreffen onder meer hypotheeklasten, inboedelverzekering, gas, water en elektriciteit, gemeentelijke belastingen en onderhoud aan de woning. Daarnaast stelt de vrouw dat zij een regresvergoeding heeft met betrekking tot de gezamenlijke schulden van de man en de vrouw die zijn kwijtgescholden door toepassing van de schuldsaneringsregeling op de vrouw die in 2014 is geëindigd met een schone lei voor de vrouw. Tot slot vordert de vrouw vergoeding van kosten gemaakt in verband met de zorg voor de kinderen. De bewindvoerder betwist dat de vrouw aanspraak kan maken op vergoeding van deze kosten.
Kosten met betrekking tot de woning
De man en de vrouw waren buiten gemeenschap van goederen getrouwd. De woning viel derhalve in een eenvoudige gemeenschap. Artikel 3:172 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat deelgenoten naar evenredigheid van hun aandeel in de gemeenschap moeten bijdragen aan uitgaven die ten behoeve van de gemeenschap worden gedaan.
Artikel 3:169 BW bepaalt dat iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed. De Hoge Raad heeft bepaald dat dit artikel ook meebrengt dat de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de ander gebruikt, verplicht is de ander schadeloos te stellen voor het feit dat hij geen gebruik kan maken van zijn eigendom, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding (HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143).
Gebruikerslasten zijn geen uitgaven ten behoeve van de gemeenschappelijke woning. Gebruikerslasten zijn kosten die te maken hebben met het gebruik van de woning. Het gaat om de volgende door de vrouw genoemde posten: inboedelverzekering, gebruikersdeel van gemeentelijke belastingen, vastrecht gas en elektriciteit, vastrecht water, onderhoud huis, “gang 1e verdieping”, “slaapkamers opknappen alle verdiepingen”, PVC begane grond en raambekleding. Dergelijke kosten hoeft de man niet aan de vrouw te vergoeden. De overige verweren van de bewindvoerder, inhoudende dat de vrouw de kosten (deels) niet heeft gemaakt, behoeven daarom geen bespreking.
Niet in geschil is dat de vrouw sinds september 2010 de hypotheekrente, de premie opstalverzekering en het eigenaarsdeel van gemeentelijke belastingen voor de woning heeft betaald. Over de premie levensverzekering heeft de rechtbank onder 4.8 en 4.9 al geoordeeld. In beginsel komen dergelijke kosten op grond van artikel 3:172 BW voor vergoeding door de man in aanmerking. Tegelijkertijd heeft de bewindvoerder namens de man aanspraak gemaakt op een gebruiksvergoeding. Het staat vast dat de vrouw nooit een gebruiksvergoeding aan de man heeft betaald. De rechtbank acht het redelijk en billijk om de gebruiksvergoeding die de vrouw aan de man verschuldigd is weg te strepen tegen de bijdrage in de eigenaarslasten van de woning die in beginsel voor rekening van de man komt. Gelet op het voorgaande hebben de man en de vrouw op dit punt niets meer van elkaar te vorderen. Hun vorderingen zullen op dit punt dan ook over en weer worden afgewezen.
De vrouw maakt tot slot aanspraak op vergoeding van overige uitgaven die zij ten behoeve van de woning heeft gedaan. Het gaat om de volgende posten die zij heeft betaald en waarvan volgens het door haar ingediende Excel overzicht de helft door de man moet worden betaald:
- vernieuwen van de badkamer voor € 6.055,91;
- vernieuwen van de keuken voor € 3.500;
- vernieuwen van het toilet voor € 3.432,81;
- kosten voor herstel van een leidingbreuk voor € 5.000.
De bewindvoerder heeft ter zitting meegedeeld dat zij geen verweer voert tegen verrekening van deze kosten. De vrouw kan daarom aanspraak maken op vergoeding van de helft van deze kosten, te weten € 8.994,36 en dit bedrag verrekenen met het door haar in verband met de eerder al aan haar toegedeelde levensverzekering aan de man te betalen bedrag.
Schulden uit de schuldsaneringsregeling en kinderalimentatie
De vrouw maakt ook aanspraak op vergoeding van gezamenlijke schulden van de man en de vrouw die zijn kwijtgescholden door toepassing van de schuldsaneringsregeling op de vrouw. Daarnaast maakt de vrouw aanspraak op kinderalimentatie. De bewindvoerder betwist dat de vrouw een regresvordering uit hoofde van de toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft. Wat betreft de vergoeding van kinderalimentatie stelt de bewindvoerder dat de vrouw onvoldoende gegevens heeft verstrekt om te kunnen vaststellen dat de man een verplichting tot het betalen van kinderalimentatie had. Ook stelt de bewindvoerder dat de alimentatievordering grotendeels is verjaard. De vrouw heeft daarom voor beide vorderingen geen verrekeningsbevoegdheid.
De rechtbank heeft de vrouw aan het einde van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om opgave te doen van de gezamenlijke schulden die zijn kwijtgescholden door toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank komt thans echter tot oordeel dat de vrouw de door haar gestelde regresvordering en kinderalimentatievordering niet kan verrekenen. Dit komt door de op de schuldsanering van toepassing zijnde regels. Voor zover sprake is van vorderingen van de vrouw, geldt dat zij deze vordering niet kan verrekenen vanwege de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor de man. Artikel 299 van de Faillissementswet (Fw) bepaalt dat de schuldsaneringsregeling onder meer werkt ten aanzien van vorderingen op de schuldenaar die ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaan.
Voor zover de door de vrouw genoemde vorderingen bestaan, bestonden de door de vrouw genoemde vorderingen al ten tijde van de uitspraak waarin de schuldsaneringsregeling op de man van toepassing is verklaard. De regresvordering uit hoofde van de schuldsaneringsregeling kan uiterlijk in 2014 zijn ontstaan, het moment dat de vrouw de schone lei kreeg. Wat betreft de alimentatievordering begrijpt de rechtbank dat de jongste kinderen 21 jaar oud zijn geworden in september 2023. De schuldsaneringsregeling is op 28 september 2023 voor de man uitgesproken. Dit betekent dat een eventuele kinderalimentatievordering ook onder de schuldsaneringsregeling valt.
Artikel 307 Fw bepaalt dat vorderingen waarop de schuldsaneringsregeling van toepassing is alleen verrekend kunnen worden met een vordering van de persoon ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling is uitgesproken, indien beide vorderingen zijn ontstaan vóór de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank stelt vast dat de overbedelingsvordering van de man nog niet bestond toen de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing werd verklaard. Deze ontstaat immers pas bij de feitelijke verdeling van de woning. Dit betekent dat de vrouw deze vorderingen niet gedurende de toepassing van de schuldsaneringsregeling kan verrekenen.
Artikel 358 lid 1 Fw bepaalt daarnaast dat door de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 356 lid 2 Fw (de zogeheten ‘schone lei’), een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt niet langer afdwingbaar is. Omdat de schuldeiser van degene aan wie de schone lei is toegekend niet bevoegd is de nakoming af te dwingen van een dergelijke vordering, is de schuldeiser ook niet op grond van artikel 6:127 BW bevoegd om zich op verrekening te beroepen. Zo is het in een dergelijk geval evenmin mogelijk artikel 6:131 lid 1 BW analoog toe te passen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:377) overwogen dat het hoofddoel van de schuldsaneringsregeling is dat wordt tegengegaan dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen, tot in lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden. Deze ratio voor de toekenning van de schone lei staat in de weg aan analoge toepassing van artikel 6:131 lid 1 BW.
De conclusie van de rechtbank is dat de vrouw in geen geval de regresvordering en kinderalimentatievordering met de overbedelingsvordering van de man kan verrekenen. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen. De weg voor de vrouw was om haar vorderingen aan te melden in de schuldsanering van de man, zoals de bewindvoerder ook heeft gesuggereerd in haar laatste akte.
Slotsom verdeling
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vrouw, indien zij de woning overneemt, aan de man verschuldigd is de helft van de overwaarde van de woning (de taxatiewaarde minus de hypothecaire lening), verminderd met € 1.892,36 (€ 8.994,36 (vergoeding aan de vrouw voor uitgaven ten behoeve van de gemeenschap) minus € 7.102 (helft van de waarde van de levensverzekering per september 2010)).
Indien de woning wordt verkocht aan een derde, moet de overwaarde tussen de man en de vrouw bij helfte worden verdeeld, onder verrekening van het aan de vrouw toekomende bedrag van € 1.892,36.
Nu de vrouw in de woning wil blijven wonen, zal de rechtbank haar in de gelegenheid stellen te onderzoeken of zij de benodigde financiering kan krijgen om de woning over te nemen onder de voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Nu partijen geen overeenstemming hebben over de huidige waarde van de woning, moet de woning eerst worden getaxeerd. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat een door partijen gezamenlijk aan te wijzen makelaar de woning voor partijen bindend zal taxeren. De bewindvoerder moet in dit verband binnen een week na de datum van dit vonnis drie makelaars voorstellen aan de vrouw, waaruit de vrouw vervolgens binnen een week één makelaar zal kiezen die de taxatie zal uitvoeren (hierna: de makelaar). De man en de vrouw moeten vervolgens gezamenlijk de makelaar de opdracht tot taxatie geven. De rechtbank zal bepalen dat de man en de vrouw ieder de helft van de aan de taxatie verbonden kosten dragen.
De rechtbank zal in het dictum bepalen dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld onder de opschortende voorwaarde dat zij binnen een termijn van drie maanden na taxatiedatum aan de bewindvoerder aantoont dat zij in staat is (i) de volledige eigendom van de woning te verkrijgen tegen betaling van de helft van de overwaarde (getaxeerde waarde minus hypotheekschuld) aan de man en (ii) de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Als het haar niet lukt om de benodigde financiering te krijgen, moet de woning worden verkocht aan een derde.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opnemen van een dwangsom of een indeplaatsstelling vonnis indien de woning wordt verkocht aan een derde. De vrouw heeft immers tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat zij zal meewerken, mocht de rechtbank de verkoop van de woning gelasten. De rechtbank ziet ook geen reden waarom de vrouw niet aan de uitvoering van het vonnis zal meewerken. De rechtbank zal in het dictum bepalen op welke wijze de verkoop aan een derde moet gebeuren.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank:
in conventie en in reconventie
verklaart voor recht dat, met uitzondering van de woning, de goederen uit de gemeenschap tussen de man en de vrouw al eerder en op een juiste wijze zijn verdeeld;
stelt de verdeling van de nog tussen de man en de vrouw bestaande gemeenschap als volgt vast:
de woning zal worden toegedeeld aan de vrouw tegen de door partijen aan de hand van het bepaalde in 4.25. gecontracteerde makelaar bindend te taxeren waarde. Daarbij geldt voor partijen de opschortende voorwaarde dat de vrouw binnen drie maanden na de datum van het taxatierapport aan de bewindvoerder aantoont dat zij in staat is (i) de volledige eigendom van de woning te verkrijgen en (ii) de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypothecaire lening. De man en de vrouw dragen ieder de helft van de kosten van de taxatie;
indien aan de in 5.2.1. onder (i) en (ii) genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal de man (zijn aandeel in) de woning op de door de vrouw bij de notaris geboekte datum bij de notaris leveren aan de vrouw. De man verkrijgt hierdoor een vordering uit hoofde van overbedeling op de vrouw. Deze vordering is gelijk aan de helft van de som van de taxatiewaarde verminderd met de actuele hypotheekschuld, verminderd met € 1.892,36. De vrouw moet de kosten van levering van het aandeel van de man in de woning aan haar betalen;
indien niet aan de in 5.2.1. onder (i) en (ii) genoemde voorwaarden wordt voldaan, zullen de man en de vrouw de woning verkopen en leveren aan een derde. Om dat te realiseren zullen de man en de vrouw gezamenlijk binnen een week na het verlopen van de onder 5.2.1. genoemde termijn van drie maanden dan wel binnen een week nadat is gebleken dat niet aan deze voorwaarden is voldaan, indien dit eerder is, een verkoopopdracht verstrekken aan de makelaar. Deze opdracht zal inhouden dat de makelaar, tegen het in de branche gebruikelijke tarief, de vraagprijs en de laatprijs van de woning bindend zal vaststellen en alle overige werkzaamheden in het kader van de verkoop van de woning zal verrichten;
de vrouw moet de makelaar alle medewerking verlenen die nodig is voor de verkoop van de woning, waaronder maar niet beperkt tot het opruimen van de woning voor het maken van foto’s en het bezichtigen van de woning door potentiële kopers;
de man en de vrouw stemmen zo snel als mogelijk in met een op de woning uitgebracht bod als dit ten minste gelijk is aan de door de makelaar bindend vastgestelde laatprijs. Zij ondertekenen binnen vijf dagen na een verzoek van de makelaar hiertoe de koopovereenkomst waarin dit wordt vastgelegd. En zij tekenen op de in de koopovereenkomst vastgestelde leveringsdatum bij de notaris de leveringsakte of al eerder een volmacht voor de levering. De levering zal minimaal drie maanden na het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar plaatsvinden, tenzij partijen anders overeenkomen;
de man en de vrouw dragen ieder de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten voor de verkoop en levering;
de vrouw moet uiterlijk twee dagen voor de levering van de woning aan een derde de woning hebben verlaten en zij moet de woning in een goede staat, leeg en bezemschoon op te leveren;
de man en de vrouw zullen de hypothecaire geldlening aflossen uit de verkoopopbrengst van de woning op het moment dat de woning aan een derde wordt geleverd. Partijen hebben ieder recht op de helft van het aldus resterende bedrag, waarbij partijen de notaris opdracht zullen geven uit het deel van de man een bedrag van € 1.892,36 aan de vrouw te betalen.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 tot en met 5.2.8. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
3669