ECLI:NL:RBDHA:2026:6720

ECLI:NL:RBDHA:2026:6720

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer 25/22807
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Griffierecht niet betaald, opvallende gelijkenissen met andere verzoeken voor handtekening en/of verzoekschrift en/of ondernemingsplan. Turkse zelfstandigen. Verzoeken niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

[verzoeker], onbekende woon- of verblijfplaats, verzoeker,

v-nummer: [nummer]

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Verzoeker heeft op 27 oktober 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 19 november 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.

Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?

Bij brief van 21 november 2025 heeft verzoeker een beroep op betalingsonmacht gedaan. De rechtbank heeft bij brief van 28 november 2025 aan verzoeker verzocht om het beroep op betalingsonmacht verder toe te lichten aan de hand van het bijgevoegde formulier. Hierop heeft verzoeker niet gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op betalingsonmacht op 12 december 2025 afgewezen. Verzoeker heeft op 16 december 2025 alsnog een ingevuld formulier ingediend. Op 6 januari 2026 is het verzoek opnieuw afgewezen omdat uit het ondernemingsplan van verzoeker is gebleken dat hij voldoende eigen vermogen heeft om het griffierecht te betalen. Deze brief is op 12 februari 2026 retour gekomen bij de rechter met de vermelding dat de geadresseerde onbekend is.

De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 7 januari 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de levering hiervan niet is gelukt omdat verzoeker zou zijn verhuisd. De nota heeft verzoeker dus niet bereikt.

Bevindingen voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter heeft in een relatief kort tijdsbestek diverse verzoeken om voorlopige voorzieningen gekregen van vreemdelingen die een aanvraag om arbeid als zelfstandige hebben ingediend waarbij zij een beroep doen op het associatierecht EU-Turkije. Door de griffie werd gesignaleerd dat in deze verzoeken (aangetekende) post opvallend vaak retour werd gezonden aan de griffie als zijnde onbestelbaar. Nader onderzoek wees uit dat dit samenhing met feit dat in tenminste al 19 verzoeken hetzelfde postadres in [plaats] werd opgevoerd.

Volgens google maps blijkt het opgegeven (post)adres een bedrijventerrein waar zich diverse bedrijven bevinden met hetzelfde postadres. De voorzieningenrechter heeft in de basisregistratie personen (brp) vervolgens gecontroleerd of verzoeker een ander adres heeft waar de nota naar toe kan worden gezonden. Verzoeker is volgens de brp echter geen ingezetene. Op basis van de beschikbare gegevens en het feit dat in tenminste 19 andere zaken hetzelfde postadres wordt gevoerd is dus onduidelijk waar verzoeker daadwerkelijk verblijft, laat staan of dit in Nederland is. Voor een voorlopige voorziening als hier gevraagd is dat wel relevant.

Verder is de voorzieningenrechter gebleken dat in 16 van de 19 zaken het verzoekschrift met dezelfde handtekening is ondertekend. Dat geldt ook voor dit verzoek. Deze handtekening is de voorzieningenrechter ook tegengekomen in drie andere vergelijkbare verzoeken met een ander postadres. Verder is van de 19 zaken met dit postadres 14 keer een (vrijwel) identiek verzoekschrift ingediend. Dat geldt ook voor dit verzoek. Dit verzoekschrift is de voorzieningenrechter ook tegengekomen in 2 andere verzoeken met een ander postadres. Tot slot is het de voorzieningenrechter opgevallen dat in 17 zaken, waarvan 1 ook met een ander postadres, hetzelfde ondernemingsplan is ingediend. Dat geldt ook voor dit verzoek.

De voorzieningenrechter merkt op dat zich geen gemachtigde voor verzoeker heeft gesteld. Gelet op de opvallend grote mate van gelijkenis met andere verzoeken en het feit dat de handtekening niet van verzoeker zelf kan zijn, lijkt de veronderstelling gerechtvaardigd dat iemand anders op naam van verzoeker handelt. Er heeft zich echter geen gemachtigde gesteld en verzoekers verblijfplaats is onbekend zodat de voorzieningenrechter dit ook niet kan verifiëren.

Conclusie en gevolgen

Omdat het griffierecht niet is betaald en het verzoek in strijd met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb niet door verzoeker zelf is ondertekend, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Gelet op de bevindingen van de voorzieningenrechter zoals hiervoor weergegeven, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het niet betalen van het griffierecht verontschuldigbaar te achten of verzoeker nog een herstelmogelijkheid te bieden voor wat betreft de ondertekening. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Maas, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?