RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49169
(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en
(gemachtigde: mr. A. Bondarev).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. Het besluit omvat ook een terugkeerbesluit waarin staat dat eiser onmiddellijk moet vertrekken en een inreisverbod krijgt voor de duur van twee jaar. Eiser heeft daar ook beroepsgronden tegen aangevoerd, maar heeft deze op de zitting ingetrokken. De rechtbank bespreekt het terugkeerbesluit en het inreisverbod daarom verder niet.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand kunnen blijven. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag ook in stand kan blijven. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig zijn. Eiser heeft zijn gestelde minderjarigheid niet overtuigend kunnen maken met zijn verklaringen of documenten. Hoewel de minister zich in het besluit in eerste instantie baseerde op een verouderde lijn over leeftijdsregistratie in een andere lidstaat waardoor het besluit een motiveringsgebrek bevat (en waardoor het beroep dus gegrond is), heeft de minister in het verweerschrift en op de zitting voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom hij vasthoudt aan eisers meerderjarige leeftijdsregistratie in Italië. Eiser heeft verder niet overtuigend kunnen verklaren over de militaire dienstplicht in Eritrea. Ook heeft de minister de aanvraag terecht kennelijk ongegrond verklaard omdat eiser de minister heeft misleid over zijn identiteit. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 24 januari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Eiser heeft op 22 januari 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 2 februari 2026 hierop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft Eritrea in januari 2023 als minderjarige illegaal verlaten. Hij hoorde van anderen dat jongeren die iets ouder waren dan hij, een oproep kregen voor militaire dienst. Eiser verwachtte zelf ook spoedig zo’n oproep te ontvangen. Uit angst om gearresteerd te worden en gedwongen te worden om in militaire dienst te gaan is eiser uit Eritrea gevlucht. Hij heeft nog niet eerder in militaire dienst gezeten en was tot het moment van zijn vertrek niet opgeroepen voor militaire dienst. Eiser vreest dat hij bij terugkeer alsnog in militaire dienst moet en gestraft zal worden omdat hij Eritrea illegaal heeft verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven: (1) Identiteit, nationaliteit en herkomst, (2) Ontduiking militaire dienstplicht en (3) Illegale uitreis uit het gestelde land van herkomst, Eritrea.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig zijn. Eiser heeft dit namelijk niet onderbouwd met documenten en hij heeft dit ook niet aannemelijk gemaakt met zijn eigen verklaringen. Eiser heeft wisselend verklaard over zijn geboortedatum en heeft onvoldoende kennis over Eritrea. Op basis van eisers verklaringen is herkomst uit één van de buurlanden van Eritrea niet uit te sluiten. Omdat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst onvoldoende geloofwaardig vindt, toetst hij de andere asielmotieven verder niet. De asielmotieven van eiser hebben namelijk alleen betekenis tegen de achtergrond van eisers herkomst, identiteit en nationaliteit. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
Intrekken twee gronden op de zitting
5. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens de zitting twee beroepsgronden heeft ingetrokken: over het ontbreken van toegang tot onbewerkte informatie van de Italiaanse autoriteiten, en over het terugkeerbesluit met inreisverbod. Deze punten vormen daarom geen onderdeel meer van het beroep en worden niet verder besproken.
Mocht de minister eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig vinden?
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig heeft geacht.
De minister vindt dat eiser dit asielmotief niet met authentieke documenten heeft onderbouwd. De minister stelt zich over de overgelegde kopie van de doopakte van eiser waaruit de geboortedatum van [geboortedag 1] 2008 zou blijken, op het standpunt dat dit een kopie betreft waardoor de minister niet kan vaststellen of het gaat om een authentiek document. Bovendien staat op de doopakte een andere naam vermeld bij de vader van eiser, namelijk ‘[achternaam 1]’ in plaats van ‘[achternaam 2]’. De minister hecht daarbij ook waarde aan het feit dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat zijn originele doopakte is zoekgeraakt. Daarnaast ontbreekt op de doopakte een pasfoto, waardoor niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het document bij eiser hoort. Ook de kopieën van de identiteitskaarten van de ouders van eiser zijn volgens de minister onvoldoende te herleiden tot eiser. Zo verschilt de achternaam op de identiteitskaart van de vermeende vader van eiser van de achternaam die eiser zelf heeft opgegeven. Dit geldt ook voor de identiteitskaart van de vermeende moeder. Daardoor is niet duidelijk dat deze documenten daadwerkelijk van de ouders van eiser zijn. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de achternamen overeenkomen, maar hij heeft dit onvoldoende gedaan. De rechtbank heeft hier tijdens de zitting expliciet om gevraagd, maar ook toen is door eiser geen overtuigende verklaring gegeven. Eiser heeft dit in beroep niet weersproken. Dat betekent dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet volledig met bewijsmateriaal heeft onderbouwd. Daarom heeft de minister, overeenkomstig Werkinstructie 2024/6, beoordeeld of eiser voldoet aan de voorwaarden in artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 om het voordeel van de twijfel te krijgen. Volgens de minister is dat niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de vereisten in onderdelen b en c van dat artikel.
De rechtbank stelt vast dat, gelet op 6.1, eiser niet heeft voldaan aan stap 2a van de geloofwaardigheidsbeoordeling (de beoordeling of het asielmotief met voldoende documenten is onderbouwd). Eiser bestrijdt dit verder niet. De rechtbank gaat daarom hieronder verder met de behandeling van stap 2b: de beoordeling of de minister of het asielmotief op grond van de verklaringen van eiser toch geloofwaardig is.
De rechtbank behandelt eerst onderdeel c van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000, en daarna onderdeel b van dat artikel. Dit doet zij omdat onderdeel c onder andere gaat over de minderjarige leeftijd van de eiser. Over onderdeel b voert eiser aan dat hij bepaalde documenten niet kan hebben omdat hij minderjarig is. Daarom is het belangrijk om eerst vast te stellen of de minister eiser gelet op zijn verklaringen ten onrechte niet volgt in zijn gestelde minderjarigheid.
Vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel (onderdeel c)
7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser voert hiertoe punten aan over zijn gestelde minderjarige leeftijd, zijn opgegeven naam en geboortedatum in Italië en over de militaire dienstplicht. De minister werpt in het bestreden besluit ook aan eiser tegen dat zijn nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft daarover geen grond aangevoerd. De rechtbank behandelt deze punten hieronder per onderdeel en bespreekt daarna het onderdeel over de nationaliteit en herkomst.
Eiser betoogt over de gestelde minderjarigheid dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet gelooft dat eiser minderjarig is. Eiser is onderzocht (via een schouw) en daaruit bleek dat hij op basis van zijn verklaringen en waargenomen signalen evident minderjarig is. Hij vindt dat de twijfel over zijn identiteit niet klopt met het oordeel van de AVIM, die eiser als deskundige ziet.
Dit betoog slaagt niet. De minister werpt niet ten onrechte aan eiser tegen dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo gaf eiser in de Nederlandse procedure aan dat hij [eiser] is, geboren op [geboortedag 1] 2008 en afkomstig uit Eritrea. In Italië heeft eiser daarentegen aangegeven dat hij [persoon A] is, geboren op [geboortedag 2] 2002 en afkomstig uit Eritrea. Omdat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd, is zijn leeftijd onderzocht via een schouw. De AVIM concludeerde dat er twijfel bestaat over zijn leeftijd. Vanwege die onzekerheid heeft de minister vervolgens onderzoek gedaan naar de registratie van eiser bij de Italiaanse autoriteiten. Daar gaat de rechtbank hieronder op in.
Eiser erkent dat als zijn naam [persoon A] in Italië is genoteerd, omdat dit niet in de rapporten staat. Hij vindt echter dat de minister ten onrechte op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel zijn leeftijd heeft vastgesteld op basis van de systemen uit Italië. De minister had moeten onderzoeken en motiveren welk gewicht hij aan de leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat toekent en waarom. De verklaringen van eiser zijn onvolledig en niet in onderlinge samenhang bekeken in het besluit. Eiser legt uit dat medereizigers zijn naam en geboortedatum doorgaven aan de Italiaanse autoriteiten omdat eiser ziek was. Zijn naam lijkt fonetisch opgeschreven en de verschillen zijn klein. Er is dus geen sprake van misleiding of een alias. Eiser heeft niet de gelegenheid gehad om de spelling van zijn naam te controleren. Ook hielpen medereizigers met vingerafdrukken afgeven, omdat eiser dat zelf niet kon. Later hoorde eiser dat hij vingerafdrukken had afgegeven.
Eiser heeft hier een punt. De minister gaat namelijk in zijn besluit uit van rechtspraak die niet meer actueel is. De minister baseerde zich op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 en 15 augustus 2017, waarin het interstatelijk vertrouwensbeginsel werd gebruikt om aan te nemen dat de leeftijdsregistratie in een andere lidstaat in principe betrouwbaar is en dat de minister daarom uit mag gaan van die registratie. Volgens deze oude rechtspraak uit 2017 rustte de bewijslast op de vreemdeling om de leeftijdsregistratie in de andere lidstaat de ontkrachten. Inmiddels is deze opvatting achterhaald. Uit de recentere uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 blijkt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet automatisch geldt bij leeftijdsregistraties in andere lidstaten. De minister moet zo’n registratie daarom eerst zorgvuldig onderzoeken en duidelijk motiveren waarom hij daar gewicht aan toekent. Daarbij moet de minister alle relevante feiten betrekken, zoals leeftijdsschouwen, documenten en verklaringen. Omdat de minister zich in zijn besluit op verouderde rechtspraak baseerde, ontbreekt in het besluit een deugdelijke motivering ten aanzien van de leeftijd van eiser waarvan de minister uitgaat en is er sprake van een motiveringsgebrek.
Omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat, leidt dit ertoe dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Desondanks ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit op dit punt in stand te laten. Dat komt omdat de minister in het verweerschrift en tijdens de zitting alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd in lijn met de uitspraak van 9 oktober 2024 waarom de registratie van de geboortedatum in Italië is gevolgd. Na twijfel over de leeftijd van eiser bij de leeftijdsschouw (zie ook onder 7.1.1) vroeg de minister op 29 januari 2024 nadere informatie op bij de Italiaanse autoriteiten. Die bevestigden op 23 februari 2024 dat eiser in Italië geregistreerd staat met een andere geboortedatum en naam ([geboortedag 2] 2002 onder de naam [persoon A]) dan in Nederland is opgegeven ([geboortedag 1] 2008 onder de naam [eiser]). In lijn met de uitspraak van 9 oktober 2024 heeft de minister vervolgens de verklaringen van eiser over deze registratie in Italië onderzocht. Eiser verklaarde in het nader gehoor van 25 september 2025 dat hij door zeeziekte zelf zijn gegevens niet kon doorgeven en dat tien medereizigers dit namens hem deden, waarbij zij bewust een meerderjarige leeftijd en een andere naam opgaven, zodat eiser met hen kon doorreizen. De minister stelt daar tegenover dat er geen aanwijzingen zijn dat de Italiaanse autoriteiten een andere geboortedatum hebben geregistreerd dan door eiser zelf is opgegeven. Bovendien kon eiser wel zijn vingerafdrukken afgeven, wat erop wijst dat hij aanwezig was en zijn gegevens zelf had kunnen doorgeven. De Italiaanse standaardprocedures (SOP) schrijven bovendien voor dat vreemdelingen hun persoonsgegevens persoonlijk moeten verstrekken en kunnen corrigeren. Het is niet gebleken dat eiser correcties heeft doorgegeven bij de Italiaanse autoriteiten. De minister hecht terecht waarde aan de standaardwerkwijze SOP en houdt daaraan terecht vast. Eiser erkent namelijk ook zelf dat hij bewust het risico heeft genomen om anderen zijn naam te laten registreren. Daarmee staat zijn verklaring niet overtuigend genoeg tegenover de bevindingen van de minister. Alle feiten en omstandigheden in samenhang bekeken heeft de minister het vermoeden van minderjarigheid wel ontzenuwd. De minister mag dus aannemen dat eiser is geboren op [geboortedag 2] 2002 en dus meerderjarig is.
Eiser voert verder aan dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij niets weet over de militaire dienstplicht in Eritrea. Eiser heeft verklaard dat hij nooit in het leger heeft gediend, maar dat hij wel heeft gezien aan het leven van zijn vader dat het dienen van het leger slecht was. Het is onduidelijk wat hij meer had moeten verklaren.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser te summier heeft verklaard over de militaire dienstplicht. Hij heeft onvoldoende kennis over algemene feiten in Eritrea, meer specifiek de militaire dienstplicht daar. Van iemand die stelt dat hij uit Eritrea komt en het ontduiken van deze militaire dienstplicht de kern vormt van zijn asielrelaas, mag verwacht worden dat hij voldoende kennis heeft over deze dienstplicht. Eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Aan eiser is gevraagd wat hij weet over de militaire dienstplicht. Eiser antwoordt dat hij helemaal niets weet over de dienstplicht. Dit is ongerijmd volgens de minister, omdat eiser heeft verklaard dat zijn vader militair is. Ook hierover kan eiser vrijwel niets verklaren. De verklaringen van eiser in het nader gehoor dat hij niet het leger in wil omdat hij aan het leven van zijn vader zag dat de dienstplicht slecht is en dat eiser niet dood wil, zijn dan ook te algemeen en summier.
De rechtbank constateert vervolgens dat eiser niet gemotiveerd bestrijdt dat zijn nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. Kort samengevat heeft de minister onderbouwd dat de nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig zijn, omdat alleen het spreken van Tigrinya onvoldoende bewijs vormt voor herkomst uit Eritrea, zeker omdat deze taal ook in omliggende landen voorkomt. Het is dus niet uitgesloten dat eiser uit een buurland, de diaspora of elders komt. Dat eiser enkele vragen over zijn herkomst goed beantwoordde, verandert hier niets aan. Dergelijke kennis zegt niets over een langdurig verblijf en kan op andere manieren zijn verkregen. Daarom vindt de minister dit geen overtuigend bewijs voor de opgegeven nationaliteit en herkomst. De minister heeft deze beoordeling voldoende onderbouwd en mocht hieraan vasthouden.
Tussenconclusie
8. Gelet op het voorgaande heeft de minister de verklaringen over zijn gestelde minderjarigheid, zijn opgegeven naam en geboortedatum in Italië, de militaire dienstplicht en zijn nationaliteit en herkomst op goede gronden ongeloofwaardig geacht.
Heeft eiser geen goede verklaring voor het hebben van onvoldoende documenten (onderdeel b)
9. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij onvoldoende documenten heeft en daarvoor geen goede verklaring heeft. De minister gaat ervan uit dat eiser over documenten zoals een ‘family residence card’, ‘tassiera’ en ‘menennet’ zou moeten beschikken, maar motiveert dit onvoldoende. Openbare bronnen tonen niet aan dat deze documenten aan alle minderjarigen worden verstrekt, laat staan dat eiser ze bezit. Bovendien heeft de minister niet voldoende naar de persoonlijke situatie van eiser gekeken, maar baseert zich in het besluit op algemene aannames in plaats van een concrete beoordeling. Uit het algemeen ambtsbericht over Eritrea van december 2023 blijkt dat vooral in landelijke gebieden, waar eiser vandaan komt, vaak geen residence card wordt afgegeven. Ook is de uitgifte van dit document wisselend en inconsistent. Daarnaast hadden scholieren meestal een identiteitsbewijs voor scholieren, maar eiser was op het moment van vertrek geen scholier meer. Deze relevante omstandigheden zijn onvoldoende betrokken bij het besluit, waardoor het besluit onzorgvuldig is.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrecht op het standpunt dat eiser onvoldoende documenten heeft ingediend en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft. Zoals eerder onder bij de beoordeling van onderdeel c is overwogen, mocht de minister concluderen dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over zijn identiteit en daarmee zijn geboortedatum. Daarmee is de minister terecht uitgegaan van de meerderjarige leeftijd van eiser. Gelet op de ongeloofwaardige minderjarige leeftijd, en eiser dus meerderjarig is, had eiser in ieder geval een mennenet moeten hebben. Omdat eiser deze niet heeft overgelegd en geen overtuigende verklaring daarvoor heeft gegeven, heeft de minister zijn standpunt voldoende deugdelijk onderbouwd. Nu er terecht van wordt uitgegaan dat eiser niet minderjarig is, had de minister hem ook niet de voordeel van de twijfel hoeven gunnen.
Tussenconclusie
10. Gelet op het voorgaande heeft de minister de verklaringen over het hebben van onvoldoende documenten op goede gronden ongeloofwaardig geacht.
Eindconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling
11. De minister stelt zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onderdelen b en c, van de Vw 2000. De minister hoefde daarom de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig te achten. Dat betekent dat de minister mag aannemen dat eiser meerderjarig is, dat hij uit mag gaan van de opgegeven naam en geboortedatum in Italië en dat hij de nationaliteit en herkomst van eiser niet heeft hoeven volgen. Ook heeft de minister de verklaringen van eiser over de militaire dienstplicht in Eritrea niet hoeven volgen.
Mocht de minister eisers aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond vanwege misleiding?
12. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte zijn aanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond vanwege misleiding. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom hij ervan uitgaat dat de eiser de minister heeft misleid door valse informatie te verstrekken over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Het enkele feit dat de gegevens in zijn asielaanvraag afwijken van de in Italië geregistreerde gegevens bewijst niet automatisch dat hij valse informatie heeft verstrekt. Volgens eiser moet eerst worden vastgesteld welke gegevens correct zijn voordat een conclusie over valse informatie kan worden getrokken. Eiser betwist ook dat hij valse gegevens aan Italië heeft verstrekt en beweert hierover al verklaringen te hebben afgelegd die onvoldoende zijn meegewogen in de besluitvorming van de minister. De minister moet duidelijker uitleggen waaruit blijkt dat hij valse gegevens heeft verstrekt.
Misleiden betekent dat een vreemdeling bewust onjuiste informatie geeft of belangrijke informatie achterhoudt om zo een betere positie te verkrijgen voor een verblijfsvergunning. Dit omvat het verstrekken van verkeerde gegevens, valse documenten gebruiken, onjuiste informatie over identiteit of reisroute geven, of relevante documenten achterhouden of vernietigen. Ook als uit systemen van de IND een andere identiteit blijkt dan opgegeven, of er aanwijzingen zijn van vingermutilatie of taalanalyse die de afkomst betwijfelt, wordt dit als misleiding gezien. Het ontbreken van documenten is niet automatisch misleiding; er moet sprake zijn van opzettelijkheid en geloofwaardige verklaringen over eventueel verlies van documenten zijn noodzakelijk.
Dit betoog slaagt niet. De minister wijst de aanvraag van eiser terecht af als kennelijk ongegrond vanwege misleiding. Zoals de rechtbank eerder onder 7.1.4 heeft vastgesteld, heeft eiser in de Nederlandse asielprocedure een andere naam en een jongere leeftijd opgegeven dan in Italië, waar hij een oudere leeftijd en een andere naam registreerde. De minister heeft dit verschil zorgvuldig gemotiveerd en mocht daarom de Italiaanse registratie meewegen. Dit wijst erop dat eiser in Nederland bewust een jongere leeftijd en andere naam heeft opgegeven om zijn positie te verbeteren, en daarmee de autoriteiten heeft misleid. Daarnaast heeft eiser onvoldoende gedaan om zijn Eritrese identiteit te onderbouwen. Op grond van het toetsingskader onder 10.1 mocht de minister concluderen dat eiser de minister heeft misleid.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in geheel in stand blijven.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser. Op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze kosten vast op € 1.868 bestaande uit 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, elk met een waarde van € 934.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid vanmr. S.M. Hampsink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.