RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52875
geboren op [datum] ,
van Somalische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J. Oosterhof),
en
(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Hij is het hier niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser.
De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvraag geen stand kan houden. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser door de veiligheidssituatie in de regio Lower Shabelle, waarnaar hij moet terugkeren en waar hij doorheen moet reizen, geen reëel risico loopt op ernstige schade. De motivering van de minister is namelijk te summier. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 22 oktober 2025 afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en is hem aangezegd dat hij binnen vier weken moet vertrekken.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Somalië te vrezen heeft voor Al Shabaab en voor discriminatie vanwege zijn stamafkomst. In dit verband heeft eiser verklaard dat hij op 20 februari 2018 door Al Shabaab is opgepakt, omdat hij werd beschuldigd van samenwerking met een vredesoperatie van de Verenigde Naties (VN). Eiser heeft verklaard dat hij door Al Shabaab is mishandeld en voor vier maanden is gedetineerd. Vervolgens is eiser ontsnapt en ondergedoken bij familie in Ceelasha Biyaha. Daar is hij opgenomen geweest in het ziekenhuis, tot augustus 2022. Nadien heeft eiser een kapperszaak geopend en zijn telefoonnummer openbaar gemaakt. Op 9 mei 2023 is hij door leden van Al Shabaab gebeld, bedreigd en in de avond aangevallen door vijf of zes gewapende personen. Eiser is ontsnapt en is het land ontvlucht.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende motieven:
De minister heeft het eerste en derde motief geloofwaardig geacht, maar niet zwaarwegend. De minister heeft het tweede asielmotief niet geloofwaardig geacht. Daartoe heeft de minister gesteld dat eiser niet aannemelijk en samenhangend heeft verklaard. Anders dan eiser heeft verklaard staat Qoryoley volgens landeninformatie niet onder controle van Al Shabaab. Ook acht de minister eisers verklaringen over de ontsnapping uit detentie feitelijk onwaarschijnlijk. Verder acht de minister niet aannemelijk dat eiser na zijn ontsnapping vijf jaar lang geen problemen heeft ondervonden van de genoemde milities. Volgens de minister heeft eiser verder wisselend verklaard over pogingen tot rekrutering door Al Shabaab, over zijn werkzaamheden en over zijn reisbewegingen in de periode van 2015 tot 2020. De minister concludeert dat de gestelde individuele vrees daarom niet aannemelijk is. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege willekeurig geweld. Daartoe heeft de minister gesteld dat eiser niet uit een gebied komt waar Al Shabaab de controle heeft, en eiser niet door land hoeft te reizen waar dit het geval is. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond.
Geloofwaardigheidsbeoordeling problemen Al Shabaab
5. Eiser heeft de geloofwaardigheidsbeoordeling betwist. In dit verband heeft eiser allereerst aangevoerd dat uit openbare landeninformatie blijkt dat Al Shabaab in wisselende mate invloed uitoefent in Qoryoley. De minister heeft ten onrechte gesteld dat deze plaats onder controle van de Somalische overheid staat. Ter onderbouwing is gewezen op vier artikelen, op een rapport van de DRC en op een passage over controleposten in het COI Report van het EUAA. Ten tweede is volgens eiser zijn ontsnapping uit de gevangenis niet onwaarschijnlijk. Hij heeft ondanks zijn verwondingen een nacht lang kunnen lopen, omdat hij vocht voor zijn leven. Eiser is pas later ernstig ziek geworden omdat zijn wonden geïnfecteerd raakten. Eiser heeft ten derde gesteld dat Al Shabaab hem jarenlang niet heeft kunnen vinden, omdat hij in landelijk gebied was ondergedoken en een tijd opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Volgens eiser blijkt uit veel artikelen dat medische faciliteiten worden beveiligd, zo ook het ziekenhuis waar eiser verbleef. Dat de milities in deze periode naar eiser hebben geïnformeerd bij zijn buren is onmogelijk te staven met objectief bewijs. Tot slot heeft eiser ten vierde betwist dat hij in de verschillende gehoren wisselend zou hebben verklaard over pogingen tot rekrutering door Al Shabaab, zijn werkzaamheden of reisbewegingen. Daartoe stelt eiser dat bij het politieverhoor en het aanmeldgehoor geen gebruik is gemaakt van een tolk die het Af Maay dialect vaardig was, waardoor in de rapporten onjuistheden terecht zijn gekomen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de door eiser gestelde problemen met Al Shabaab, in onderlinge samenhang bezien, niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Daartoe overweegt zij als volgt.
De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat eisers verklaringen ongerijmd zijn met algemene landeninformatie. De rechtbank volgt eiser niet in het eerste betoog. Eiser heeft verklaard dat Qoryoley van 2014 tot zijn vertrek voor zeventig procent onder de controle stond van Al Shabaab. Uit de landeninformatie waarnaar partijen verwijzen volgt echter dat Qoryoley sinds 2014 onder controle staat van de Somalische overheid en veiligheidstroepen van de VN. Daartoe heeft de minister kunnen wijzen op de algemene ambtsberichten inzake Somalië van 2017, 2023 en 2025 en het genoemde rapport van de EUAA. Het EUAA schrijft over de referentieperiode vanaf april 2023, voor het vertrek van eiser uit Somalië: “meanwhile, the towns of […], Qoryooley, Bulo Mareer […] remained under the control of the FGS coalition, while control of their rural hinterlands was mostly mapped as being mixed between Al-Shabaab and the FGS coalition.”Uit de artikelen waarnaar eiser heeft verwezen blijkt temeer dat Qoryoley in 2014 is heroverd door de Somalische overheid en de VN veiligheidstroepen, en dat deze een basis nabij het dorp hebben. Weliswaar wordt bericht over geweldsincidenten door Al Shabaab in 2016, 2017 en 2018, maar de artikelen vermelden ook dat de coalitie van de Somalische overheid en de VN de controle in Qoryoley steeds herpakt. Het DRC rapport meldt eveneens dat Qoryoley onder controle staat van deze coalitie. Voor zover dit rapport vermeldt dat deze controle overdag geldt en dat Al Shabaab dorpen en steden in de nacht kan infiltreren, passen de verklaringen van eiser ook niet binnen deze nuancering. Eiser heeft namelijk verklaard dat Al Shabaab dag en nacht te zien zijn in Qoryoley. De stelling van eiser dat het EUAA rapport vermeldt dat Al Shabaab rondom Qoryoley controleposten heeft, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, omdat dit niet betekent dat Al Shabaab de controle heeft in Qoryoley.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over de gestelde detentie door Al Shabaab en zijn ontsnapping feitelijk onwaarschijnlijk zijn. Daartoe heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiser heeft verklaard dat tegen hem bij aanvang van de detentie zou zijn gezegd dat hij al gedood had moeten zijn, maar dat hij alsnog vier maanden gevangen is gezet om vervolgens te worden achtergelaten door alle bewakers op het moment dat zij een vliegtuig en bom hoorden. Eiser heeft deze tegenwerpingen niet wezenlijk betwist. Het tweede betoog slaagt daarom niet.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister verder ongeloofwaardig mogen achten dat eiser na de gestelde ontsnapping uit detentie, vijf jaar lang geen problemen zou hebben ondervonden van de milities. De rechtbank volgt eiser niet in herhaalde stellingen in beroep dat hij was ondergedoken in een landelijk gebied en dat het ziekenhuis waar hij opgenomen was voor twintig maanden, vanwege beveiliging niet toegankelijk was voor Al Shabaab. Eiser heeft dit laatste namelijk niet onderbouwd. Daartoe is de enkele stelling dat beveiliging van ziekenhuizen uit veel artikelen blijkt onvoldoende. Evenmin heeft eiser betwist dat het volgens de minister ongerijmd is dat hij niet gevonden zou kunnen worden in het landelijk gebied nu eiser heeft verklaard dat de milities feitelijk overal de macht hebben. De minister heeft dit ongerijmd kunnen achten, omdat uit de genoemde landeninformatie volgt dat Al Shabaab juist in landelijke gebieden meer controle uitoefent.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard en dat dit afbreuk doen aan de gestelde problemen met Al Shabaab. Eiser heeft in het aanmeldgehoor eerst verklaard dat hij sinds 2015 in Bulo Marer heeft verbleven, dat hij in april 2020 naar Ceelasha Biyaha is vertrokken en van eind 2020 tot 2023 in Arbacun verbleef waar hij sigaretten verkocht. Deze verklaringen doorkruisen feitelijk het asielrelaas. Eiser heeft het nader gehoor namelijk verklaard dat hij tot februari 2018 nabij Qoryoley woonde en daar door Al Shabaab is opgepakt, dat hij in Doon Buraale gevangen is gezet en in juni 2018 via Bulo Marer naar Arbacun is gevlucht, een wijk in Ceelasha Biyaha. Daar zou eiser sinds december 2020 tot augustus 2022 opgenomen zijn geweest ziekenhuis. Vervolgens zou eiser daar in 2023 een kapperszaak hebben geopend en daardoor opnieuw gevonden zijn door Al Shabaab. De minister heeft de verklaringen uit het aanmeldgehoor aan eiser kunnen tegenwerpen, omdat deze niet het asielrelaas betreffen, maar zien op zijn reisbewegingen en werk. Ook heeft de minister de wisselende verklaringen aan eiser voorgehouden in het nader gehoor. De rechtbank volgt eiser niet in het vierde betoog dat de wisselende verklaringen te verklaren zijn door vertaalproblemen en de gebruikte tolk bij het aanmeldgehoor. Bij het aanmeldgehoor is namelijk een registertolk Somali gebruikt en eiser heeft verklaard dat hij standaard Somali spreekt. Ook heeft eiser in het aanmeldgehoor bij aanvang en het einde verklaard dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen. De rechtbank volgt eiser daarom niet in de stelling dat door vertaalproblemen onjuistheden in de rapporten terecht zijn gekomen. Dit geldt temeer nu eiser zijn verklaringen over zijn reisbewegingen in 2015 tot 2020 en werkzaamheden, niet heeft gecorrigeerd in de ingediende correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor. De beroepsgronden slagen in zoverre niet.
Beoordeling zwaarwegendheid discriminatie
6. Eiser heeft verder aangevoerd dat discriminatie zijn leven in Somalië onmogelijk maakt.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft gesteld dat niet is gebleken dat het voor eiser onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren in Somalië. Daartoe heeft de minister terecht gesteld dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij kon werken en dat hij toegang had tot scholing, onderwijs, onderdak en medische zorg. De verklaringen van eiser dat zijn landbouwgrond soms werd afgegraasd door vee van andere stammen en dat hij door hen werd uitgescholden zijn ernstig, maar niet zodanig dat het voor eiser onmogelijk was om maatschappelijk te functioneren. Daartoe heeft de minister terecht gesteld dat uit zijn overige verklaringen blijkt dat hij zich financieel kon redden. Eiser heeft deze motivering niet wezenlijk betwist. Daartoe is de enkele herhaalde stelling in beroep onvoldoende.
Veiligheidssituatie Lower Shabelle
7. Eiser heeft tot slot op zitting aangevoerd dat het willekeurig geweld in Qoryoley en de regio Lower Shabelle een hoog niveau heeft bereikt. Volgens eiser gaat de minister ten onrechte uit van een lager niveau. Uit landeninformatie blijkt dat de regio er één is waar Al Shabaab het sterkst de controle heeft en dat het aantal geweldsincidenten en slachtoffers is toegenomen. Ook wordt door de milities humanitaire hulp uitgesloten, worden inwoners afgeperst van geoogste gewassen als een vorm van belasting en vindt een groot aantal ontvoeringen van kinderen plaats voor rekrutering. Ter onderbouwing is gewezen op het ambtsbericht van 2025 en het EUAA rapport van oktober 2025. Volgens eiser loopt hij bij terugkeer naar Qoryoley een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM.
Het betoog slaagt. De rechtbank overweegt dat uit het landenbeleid van de minister volgt dat in gebieden in Somalië waar Al Shabaab aan de macht is dan wel het gebied controleert, voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade. Datzelfde risico wordt aangenomen indien een terugkeerder over land moet reizen waar Al Shabaab de macht heeft of het gebied controleert.
De rechtbank overweegt verder dat het genoemde EUAA rapport concludeert dat het willekeurig geweld in de regio Lower Shabelle, waar Qoryoley ligt, een hoog niveau heeft bereikt. Het rapport maakt melding van een toename van activiteiten door Al Shabaab en van geweldsincidenten in de regio. Dit sluit aan bij wat hierover al in het ambtsbericht van april 2025 is aangegeven. Daarin staat beschreven dat Al Shabaab in de laatste maanden van de verslagperiodes de controle in gebieden in Lower Shabelle heeft veroverd en zijn positie (en controle) daar heeft bestendigd. De rechtbank wijst op de volgende passages in het ambtsbericht: “Eind februari 2025, aan het eind van de verslagperiode, zette Al Shabaab een offensief in de regio’s Middle en Lower Shabelle. Al Shabaab was rond half maart 2025 Mogadishu tot op afstanden van tien tot enkele tientallen kilometers genaderd. Volgens de internetkrant Somali Guardian waren er berichten dat Al Shabaab in dit gebied op de uitvalswegen van Mogadishu controleposten had ingesteld.” En: “De autoriteiten bleken niet of onvoldoende in staat geweest om herwonnen gebieden duurzaam onder controle te krijgen en te stabiliseren. Ook in door de federale regering gecontroleerde gebieden had Al Shabaab nog een vorm van controle. Daarmee had Al Shabaab meer controle dan op het eerste gezicht het geval leek. (…) Volgens verschillende bronnen koos Al Shabaab ervoor stedelijke gebieden en de bases van ATMIS die zich daar bevonden niet over te nemen. De groep gaf er de voorkeur aan af en toe aanvallen te doen om aan wapens en materieel te komen, om zich vervolgens weer terug te trekken in de rurale gebieden. De stedelijke gebieden die in handen van de overheid waren, waren over het algemeen belegerd door Al Shabaab in de omringende gebieden.”
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich, in het licht van deze landeninformatie, ten onrechte onverkort op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Somalië, geen reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank stelt in dit verband vast dat de motivering van de minister zeer summier is. In het voornemen is namelijk woordelijk gesteld dat eiser niet afkomstig is uit een regio waar sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, terwijl dit wel het geval is volgens het landenbeleid. Verder is niet gemotiveerd via welke route eiser naar Qoryoley wordt geacht te reizen. In de verdere besluitvorming en op zitting is de minister alleen gemotiveerd ingegaan op de controle in Qoryoley en is ter onderbouwing gewezen naar een kaart in het genoemde EUAA rapport van oktober 2025. Ook is gewezen op eerdere rechtspraak waarin een dergelijke kaart voldoende werd geacht. In deze uitspraken is echter niet het EUAA rapport van oktober 2025 betrokken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister in de zaak van eiser niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij bij terugkeer niet door land hoeft te reizen waar Al Shabaab een vorm van controle heeft. Evenmin heeft de minister in de zaak van eiser gemotiveerd dat in de regio Lower Shabelle, in weerwil van de conclusie van het EUAA, een relatief lager niveau van willekeurig geweld geldt.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De minister heeft de asielaanvraag ten onrechte afgewezen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat dit in strijd is genomen met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Dit is namelijk aan de minister om opnieuw te beoordelen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om de gebreken te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus), omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken na de dag van de bekendmaking van deze uitspraak. Dit betekent dat de minister opnieuw en aan de hand van alle relevante openbare informatiebronnen een actuele beoordeling dient te maken van de vraag of eiser bij terugkeer naar Qoryoley een reëel risico op ernstige schade loopt.
10. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.