RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.233
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Verweerder heeft op 27 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 12 januari 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1997 en de Egyptische nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 10 december 2025 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte ontbreekt. Op 4 december 2025 is een LP aangevraagd. Hierop is nog niet gereageerd door de Egyptische autoriteiten. Om die reden kan worden vastgesteld dat de Egyptische autoriteiten geen enkele intentie hebben om mee te werken aan eisers uitzetting, zoals dat in een eerdere procedure ook het geval was.
5. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Egypte in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. Uit het voortgangsrapport blijkt dat op 4 december 2025 een LP-aanvraag is ingediend, waarna op 17 december 2025 is gerappelleerd bij de Egyptische autoriteiten. Verder rust op eiser de verplichting om voldoende medewerking te verlenen aan zijn terugkeer. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 5 januari 2026 blijkt dat eiser meermaals heeft aangegeven niet terug te willen naar Egypte en hieraan ook niet mee te willen werken. Zo wil hij zijn paspoort bij een vriend van hem in Spanje niet opvragen, zodat hij hiermee de voortgang van zijn uitzetting frustreert. De duur van de LP-aanvraag, en daarmee de huidige duur van zijn bewaring is dan ook volledig aan hem toe te rekenen.
6. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is op 16 januari 2026 gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.