ECLI:NL:RBDHA:2026:6806

ECLI:NL:RBDHA:2026:6806

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 27-03-2026
Zaaknummer NL25.60824
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Asiel, Iran, afvalligheid en politieke overtuiging verder ontwikkeld en geuit, onvoldoende gemotiveerd dat terughoudendheid verwacht mag worden, risico voor Iraniërs die terugkeren na verblijf in het Westen onvoldoende onderzocht, beroep gegrond.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Taheri),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.

Eiser heeft op 4 maart 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 4 december 2025 (bestreden besluit) deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Tishe als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

3. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het asielrelaas

4. Eiser heeft de Iraanse nationaliteit. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij niet kan terugkeren naar Iran vanwege zijn afvalligheid en politieke overtuiging. Eiser heeft aan zijn familie in Iran verteld dat hij afvallig is, waarna zijn oudere broer hem heeft mishandeld. Verder is hij in 2019 mishandeld door een politieagent bij een protest. In Nederland heeft eiser deelgenomen aan protesten tegen het Iraanse regime, waarvan beelden zijn geplaatst op sociale media. Ook is hij actief geworden op Instagram en heeft hij daarop uitingen gedaan over zijn afvalligheid en politieke overtuiging.

Het bestreden besluit

5. Het relaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. dat eiser in de negatieve aandacht staat van de Iraanse autoriteiten vanwege zijn politieke mening en uitingen;

3. dat eiser problemen heeft vanwege zijn afvalligheid.

De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Dit is echter onvoldoende om aan te nemen dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade.

De minister acht niet geloofwaardig dat eiser vanwege zijn politieke mening en uitingen in de negatieve aandacht staat van de Iraanse autoriteiten. Eiser heeft zich in Iran nooit politiek geuit. Bij een protest in 2019 is hij geslagen door de politie, maar uit zijn verklaringen komt naar voren dat eiser daar toevallig aanwezig was en niet deelnam aan het protest. Dat eiser in Nederland wel heeft deelgenomen aan protesten en zich op sociale media heeft geuit, leidt evenmin tot de conclusie dat hij in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staat. Bij de protesten heeft hij immers geen prominente rol gespeeld en eisers berichten op sociale media hebben slechts een beperkt bereik. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Iraanse autoriteiten zijn activiteiten monitoren. Het is mogelijk dat eiser bij terugkeer naar Iran wordt ondervraagd, maar niet elke terugkeerder wordt ondervraagd. Verder is niet aannemelijk dat eiser zich bij terugkeer in Iran zo zal uiten dat hij in de negatieve aandacht van de autoriteiten komt. De politieke mening en uitingen van eiser leveren daarom geen gegronde vrees voor vervolging op en evenmin een reëel risico op ernstige schade.

De minister acht geloofwaardig dat eiser afvallig is, maar de problemen in verband met afvalligheid acht de minister niet geloofwaardig. Hierbij is van belang dat eiser zijn afvalligheid in Iran niet actief en openbaar heeft geuit. Ook in Nederland heeft hij dit slechts beperkt gedaan. Eiser heeft geen inzicht gegeven in hoe hij zijn afvalligheid in Iran zou willen uiten en waarom dit zo belangrijk voor hem is. Dat de afvalligheid van eiser tot spanningen binnen zijn familie leidt, is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Niet valt met zekerheid te zeggen of eiser bij terugkeer naar Iran een verklaring moet ondertekenen waarin hij moet bevestigen dat hij de islam aanhangt. Indien eiser wordt ondervraagd, mag van hem worden verwacht dat hij niet verklaart afvallig te zijn. Er zijn geen indicaties dat de autoriteiten eiser dan afvalligheid zullen toedichten. Eiser heeft dan ook geen gegronde vrees voor vervolging en loopt geen reëel risico op ernstige schade in verband met zijn afvalligheid.

Gegronde vrees bij terugkeer

6. Eiser voert aan dat zijn afvalligheid en politieke overtuiging met elkaar verweven zijn. Hij heeft hier wel degelijk uiting aan gegeven in Iran. Hierdoor heeft hij problemen gekregen met zijn broer, die banden heeft met de autoriteiten. Bovendien uit hij zijn afvalligheid en politieke overtuiging actief in Nederland. Op Instagram plaatst hij – onder eigen naam en met eigen foto – berichten. Daarnaast neemt hij deel aan protesten, waarvan beelden op internet te vinden zijn. Hierbij is eiser ook in beeld. De Iraanse autoriteiten monitoren sociale media en beschikken over een gezichtsherkenningssysteem. Ook kan eiser via de gebruikte hashtags gemakkelijk getraceerd worden. De minister verwacht ten onrechte van eiser dat hij onderbouwt dat hij hierdoor in de negatieve belangstelling staat. Bovendien is het risico groot dat eiser bij terugkeer zal worden ondervraagd en gecontroleerd, omdat hij uit het buitenland terugkomt en zal inreizen met een laissez-passer. Van hem mag bovendien niet verwacht worden dat hij een verklaring tekent dat hij moslim is. Eiser stelt dit te zullen weigeren.

7. Niet in geschil is dat eiser afvallig is en dat hij dit ook in Iran al was.

De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser zich in Iran nog niet uitte wat betreft zijn politieke overtuiging. Weliswaar heeft eiser verklaard dat hij bij een protest in 2019 is mishandeld, maar hij heeft tevens verklaard dat hij daar toevallig aanwezig was en niet deelnam aan het protest.

Wel staat vast dat eiser in Nederland uiting is gaan geven aan zijn politieke overtuiging, zowel door deelname aan protesten als door het plaatsen van berichten op sociale media. De rechtbank volgt eisers stelling dat zijn politieke overtuiging in het verlengde ligt van zijn afvalligheid. Het regime in Iran is immers religieus van aard. De uitingen van eiser op politiek vlak zijn dus weliswaar relatief nieuw, maar hebben wel oudere en diepere wortels.

Uit verschillende beelden die op internet te vinden zijn, blijkt dat eiser in Nederland heeft deelgenomen aan protesten tegen het Iraanse regime. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat sommige van die beelden enkele duizenden keren zijn bekeken. Dit geldt ook voor berichten die eiser heeft geplaatst, waarvan de inhoud tegen het Iraanse regime en/of tegen de islam is gericht. De rechtbank volgt de minister dan ook niet in diens standpunt dat deze berichten slechts een beperkt bereik hebben.

Gelet op de afvalligheid van eiser en de hiermee samenhangende politieke overtuiging, die hij in Nederland verder heeft ontwikkeld en geuit, heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat van eiser verwacht mag worden dat hij zich bij terugkeer naar Iran terughoudend opstelt. De minister heeft ter zitting aangevoerd dat van eiser terughoudendheid verwacht mag worden, omdat eiser heeft verklaard dat hij zich bij terugkeer niet zo zou uiten als in Nederland. De rechtbank passeert dit, omdat eiser bij het nader gehoor juist uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij zich wél wil uiten, maar dat dit in Iran niet mogelijk is omdat hij dan de doodstraf zal krijgen.

Uit het voorgaande volgt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Iran geen gegronde vrees heeft voor vervolging.

Daar komt bij dat de minister onvoldoende heeft onderzocht hoe de Iraanse autoriteiten omgaan met Iraniërs die terugkeren na een langer verblijf in het Westen. De rechtbank verwijst op dit punt naar de uitspraak van 5 februari 2026. Uit het Algemeen Ambtsbericht inzake Iran van september 2023 blijkt dat de Iraanse autoriteiten destijds al behoorlijk achterdochtig waren jegens Iraniërs die terugkeerden na een langer verblijf in het Westen. Niet duidelijk is hoe dit zich heeft ontwikkeld naar aanleiding van de recente gebeurtenissen in Iran. In het geval van eiser is bovendien van belang dat de autoriteiten bij een eventuele controle snel en eenvoudig kennis kunnen nemen van de afvalligheid en politieke overtuiging van eiser, wanneer zij sociale media raadplegen. De minister heeft het hiermee samenhangende risico voor eiser onvoldoende onderzocht.

De beroepsgrond slaagt.

8. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 4 december 2025;

- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J. Janssen

Griffier

  • mr. S.J. Valk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?