[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
[naam], eiseres,
V-nummer: [v-nummer:],
hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met het bestreden besluit van 15 december 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep, tegelijk met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers mede aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en vernietigt het bestreden besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, Dublinverordening aanvaard.
Heeft de minister aanleiding moeten zien om de asielaanvragen van eisers op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen?
5. Eisers voeren aan dat de minister geen kenbare overweging heeft gewijd aan hetgeen zij hebben aangevoerd over de bijzondere kwetsbaarheid van eiseres. Volgens eisers is daarmee sprake van een motiveringsgebrek.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat in dit verband in het voornemen ten aanzien van eiseres een kenbare motivering is gegeven. De minister heeft daarin overwogen dat uit de door eiseres overgelegde gegevens niet blijkt van een zodanig bijzondere situatie dat sprake is van onevenredige hardheid. In het besluit heeft de minister dit standpunt gehandhaafd door te overwegen dat de zienswijze van eisers niet tot een ander standpunt heef geleid. Dat deze overweging daarin niet expliciet is herhaald, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van een motiveringsgebrek, omdat het voornemen onderdeel uitmaakt van het besluit.
6. Eisers voeren aan dat de minister toepassing had moeten geven aan zijn bevoegdheid, neergelegd in artikel 17 van de Dublinverordening, omdat overdracht aan Duitsland volgens hen getuigt van onevenredige hardheid. Eiseres lijdt aan borstkanker, heeft diabetes, een traag werkende schildklier en een hoge bloeddruk. Ter onderbouwing verwijzen eisers naar het overgelegde patiëntendossier van eiseres en een e-mailbericht van 16 januari 2026 van de internist-oncoloog, dr. [naam], bij wie eiseres onder behandeling staat. Daarnaast stellen eisers dat eiseres veel stress en angst ervaart over wat er zal gebeuren indien de therapie die zij momenteel ondergaat, wordt onderbroken als gevolg van de overdracht. Gelet hierop lag het volgens eisers op de weg van de minister om voorafgaand aan de overdracht waarborgen te stellen, dan wel te onderzoeken dat de medische behandeling van eiseres in Duitsland naadloos aansluit op de therapie en zorg die zij op dit moment in Nederland krijgt. Eisers verwijzen ter onderbouwing verder naar de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 22 oktober 2025.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Uit paragraaf C2/5 van de Vc blijkt dat de minister terughoudend gebruik maakt van deze bevoegdheid. De bevoegdheid wordt gebruikt wanneer bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de asielzoeker aan de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
Uit de overgelegde medische stukken blijkt dat eiseres ernstig ziek is. Eiseres lijdt aan borstkanker, waarvoor zij is geopereerd en bestraald. Ter vergroting van de kans op genezing ondergaat zij een behandeling bestaande uit immuuntherapie en hormoontherapie. Ter zitting is gebleken dat zij inmiddels negen van de zeventien kuren heeft ondergaan. Uit het bericht van de internist-oncoloog volgt dat het stoppen van de immuuntherapie niet onmiddellijk leidt tot een verslechtering van de gezondheidstoestand van eiseres, maar dat het risico op terugkeer van de ziekte en sterfte wel op termijn groter wordt. Ook staat in dit bericht dat het medisch advies luidt om de immuuntherapie af te ronden. Daarbij is vermeld dat deze behandeling breed beschikbaar is en in meerdere landen kan plaatsvinden.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat eisers met de door hen overgelegde medische stukken niet voldoende hebben aangetoond dat sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië. Evenmin hebben eisers met objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie waarin de minister gehouden was een medisch advies bij het BMA in te winnen. De rechtbank volgt de minister in deze juridische duiding. Dat laat echter onverlet dat vast staat dat eiseres ernstig ziek is en zich midden in een lopend behandeltraject bevindt. Ook staat vast dat eiseres deze behandeling bij overdracht zal moeten onderbreken. Hoewel door eisers niet wordt betwist dat in Duitsland adequate medische zorg beschikbaar is, is onduidelijk op welk moment en onder welke omstandigheden de behandeling aldaar kan worden hervat. Hoewel uit het e-mailbericht van de internist-oncoloog kan worden opgemaakt dat het stoppen van de immuuntherapie niet direct leidt tot een verslechtering van de gezondheidstoestand, blijkt hieruit wel dat het risico op terugkeer van de ziekte en sterfte op termijn groter wordt. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde omstandigheden bijzondere, individuele omstandigheden betreffen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister aan de belangen van eiseres bij het kunnen afronden van haar behandeling in Nederland niet het gewicht heeft toegekend dat daaraan dient toe te komen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich in deze zaak niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiseres aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt en dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Verordening het asielverzoek van eiseres in Nederland te behandelen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
De minister zal opnieuw op de aanvragen van eisers moeten beslissen, waarbij hij rekening dient te houden met deze uitspraak. Nu de behandeling van eiseres tot oktober 2026 voortduurt, heeft deze uitspraak tot gevolg dat de minister eisers niet mag overdragen aan Duitsland.
8. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eisers. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (2 punten ×
€ 934,-), bestaande uit het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, op 26 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.