[naam], verzoeker,
V-nummer: [v-nummer:],
[naam], verzoekster,
V-nummer: [v-nummer:],
hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers,
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).
Inleiding
1. De minister heeft op 15 december 2025 de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Beslissing
2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Gelet op de uitkomst van de beroepsprocedure veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoekers een verzoekschrift heeft ingediend (1 punt).
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, op 26 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.