RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.234
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
(gemachtigde: J.C. van de Leuv).
Procesverloop
Verweerder heeft op 27 november 2025 aan eiser de maatregel van opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd, waarna verweerder een verweerschrift heeft ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 12 januari 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Spaanse nationaliteit.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 10 december 2025 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Op 4 december 2025 is de LP aangevraagd bij de Spaanse autoriteiten. De Spaanse autoriteiten hebben hier niet op gereageerd en verweerder heeft sindsdien nimmer gerappelleerd. Van verweerder mag worden verwacht dat hij bij de Spaanse autoriteiten aandringt om tot een snelle afhandeling van de LP-aanvraag over te gaan.
5. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Uit het dossier blijkt dat verweerder op 4 december 2025 een LP-aanvraag heeft verstuurd naar de Spaanse autoriteiten, waarna op 19 december 2025 is gerappelleerd bij de Spaanse autoriteiten. Verweerder heeft in het verweerschrift uitgelegd dat de opmerking onder punt 13 van de M120 gezien moet worden als een rappel. Dat nimmer is gerappelleerd wordt dan ook niet gevolgd. Verder is verweerder op dit moment afhankelijk van de Spaanse autoriteiten en is hij niet gehouden om, anders dan gebruikelijk, aan te dringen om tot een snelle afhandeling over te gaan.
6. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 januari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.