ECLI:NL:RBDHA:2026:684

ECLI:NL:RBDHA:2026:684, Rechtbank Den Haag, 05-01-2026, NL25.63018

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-01-2026
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer NL25.63018
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Vervolgberoep, Bewaring, Belangenafweging, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.63018

(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 15 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft op 30 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Belangenafweging

Toetsingskader

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 december 2025 (in de zaak NL25.58694) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

3. Eiser voert aan dat verweerder geen belangenafweging heeft gemaakt, nu in de voortgangsrapportage (de ‘M120’) het kopje ‘belangenafweging’ blanco is gelaten. Eiser meent dat verweerder zich bij een verzwaarde belangenafweging niet kan beroepen op de initiële gronden van de inbewaringstelling om de voortduring daarvan te rechtvaardigen. Verweerder had hem dan ook in vrijheid moeten stellen.

4. Als een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en verweerder voortvarend werkt aan de verwijdering, is de duur van de bewaring een element dat bij de belangenafweging moet worden betrokken. De Vreemdelingenwet stelt een maximum van achttien maanden aan de duur van de bewaring. Dit betekent echter niet dat de bewaring in alle gevallen ook achttien maanden mag voortduren. Naarmate de bewaring voortduurt, wordt het belang van betrokkene om in vrijheid te worden gesteld groter. Indien de maatregel langer duurt dan zes maanden, kan deze toch voortduren indien de uitzetting meer tijd zal vergen omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting. In voornoemde uitspraak van 17 december 2025 heeft de rechtbank onder 5. al geoordeeld dat verweerder in zijn verzwaarde belangenafweging van 4 november 2025 voldoende concreet heeft gemaakt waarom deze niet in het voordeel van eiser kon uitvallen. Uit het voortgangsrapport blijkt dat eiser geen enkele actie heeft ondernomen om stukken te bemachtigen ter staving van zijn identiteit en nationaliteit. Dat het kopje ‘belangenafweging’ in de M120 blanco is gelaten doet niets af aan de kenbare belangenafweging die verweerder onder het kopje ‘verzwaarde belangenafweging’ heeft opgenomen. Gesteld noch gebleken is dat eiser in de te toetsen periode wel stappen heeft ondernomen om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen of om zijn vertrek te bewerkstelligen. Daarnaast blijkt uit het verslag van het laatste vertrekgesprek van 5 december 2025 dat eiser heeft toegezegd actief contact op te nemen met mensen en organisaties die hem zouden kunnen helpen zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen en dat hij dit vervolgens niet heeft gedaan. Gelet op het voorgaande en zoals al overwogen in voornoemde uitspraak van 17 december 2025 heeft verweerder, anders dan eiser stelt, niet slechts verwezen naar de initiële gronden van bewaring.

5. De hiervoor genoemde omstandigheden leiden de rechtbank tot de conclusie dat aan het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ambtshalve toetsing

6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.

7. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.N. Abdoelkadir

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?