ECLI:NL:RBDHA:2026:6854

ECLI:NL:RBDHA:2026:6854

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 27-03-2026
Zaaknummer NL24.26505
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Vreemdelingenrecht. Beroep ongegrond. Opheffing inreisverbod. Geen nieuwe beoordeling Unierechtelijk openbare orde-criterium. Geen nieuwe feiten en omstandigheden in het kader van artikel 8 EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.26505

(gemachtigde: mr. M.C. de Jong),

en

de minister van Asiel en Migratie , verweerder

(gemachtigde: mr. S. Kuster).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om opheffing van het inreisverbod dat op 9 augustus 2018 tegen eiser is uitgevaardigd. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser geen bijzondere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan het inreisverbod moet worden opgeheven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft verweerder verzocht om het aan hem opgelegde zware inreisverbod op te heffen. Met het bestreden besluit van 3 juni 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, Z. Hamidi als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1966 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.

Met het besluit van 9 augustus 2018 heeft verweerder tegen eiser een zwaar inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van 10 jaar. Op 27 maart 2024 heeft eiser verzocht om het inreisverbod op te heffen.

Het verzoek is met het bestreden besluit afgewezen. Verweerder stelt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod omdat hij Nederland sinds het opleggen van het inreisverbod niet heeft verlaten. Eiser heeft volgens verweerder verder geen bijzondere feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het inreisverbod anderszins kan worden opgeheven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Toetsingskader

4. Op aanvraag kan verweerder een uitgevaardigd inreisverbod opheffen. Naast de mogelijkheid zoals neergelegd in artikel 6.5, tweede lid, van het Vb, kan een inreisverbod ook worden opgeheven als dringende individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven. Overeenkomstig de toetsing van een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring zal sprake moeten zijn van bijzondere feiten of omstandigheden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de uitzetting in strijd is met het recht op familie- of gezinsleven of privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?

5. Eiser stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser wijst erop dat verweerder weliswaar heeft overwogen dat bepaalde informatie ontbreekt (zoals een kopie van de documenten voor grensoverschrijding sinds het inreisverbod, een schriftelijke verklaring waaruit volgt dat eiser na uitreis geen misdrijven heeft gepleegd en geen sprake is geweest van strafvervolging), maar verweerder heeft eiser niet de mogelijkheid geboden dit gebrek te herstellen. Eiser stelt bovendien dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig is, nu verweerder tegelijkertijd heeft opgemerkt dat ook zonder die stukken direct is gebleken dat eiser niet aan de voorwaarden voldoet.

Dit betoog faalt. Niet ter discussie staat dat eiser Nederland – in weerwil van het inreisverbod – in het geheel niet heeft verlaten. Om die reden voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod, zoals ook volgt uit het bestreden besluit. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat het feit dat informatie ontbreekt, een overweging ten overvloede is geweest. Dit blijkt ook genoegzaam uit het bestreden besluit. Van een innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder het juiste beoordelingskader toegepast?

6. Eiser stelt dat verweerder een onjuist beoordelingskader heeft toegepast. Eiser stelt dat uit rechtspraak volgt dat verweerder een opheffingsverzoek inhoudelijk moet beoordelen en in dat kader moet onderzoeken of nog steeds sprake is van een actuele en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Dat heeft verweerder ten onrechte nagelaten.

De rechtbank overweegt dat juist uit rechtspraak volgt dat verweerder niet verplicht is bij ieder verzoek om opheffing van het reisverbod te beoordelen of de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (het Unierechtelijke openbare orde-criterium). Die beoordeling is bijvoorbeeld wel aan de orde als ten tijde van het uitvaardigen van het inreisverbod nog niet is getoetst aan het Unierechtelijke openbare orde-criterium of als de vreemdeling ten minste de helft van de duur van het inreisverbod buiten de EU heeft verbleven. Die situaties doen zich hier niet voor. Verweerder heeft bij het opleggen van het inreisverbod al getoetst aan dit criterium en dat besluit staat in rechte vast. Ook is al vastgesteld dat eiser Nederland – en daarmee de EU – niet heeft verlaten. Voor zover eiser in het beroepschrift heeft verwezen naar rechtspraak van de Afdeling met een andersluidend oordeel, zien de aangehaalde uitspraken op vreemdelingen op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Uit een door eiser ter zitting aangehaalde uitspraak volgt dat die rechtspraak niet op eiser van toepassing is en hem dus niet kan baten. Dat geldt ook voor een andere uitspraak die eiser ter zitting heeft genoemd. In die uitspraak had verweerder – anders dan in geval van eiser – nog niet getoetst aan het Unierechtelijke openbare orde-criterium. De rechtbank oordeelt dat verweerder – gelet op deze omstandigheden – niet gehouden is om in het kader van de opheffing van het onderhavige inreisverbod opnieuw te beoordelen of aan het Unierechtelijke openbare orde-criterium (nog) wordt voldaan.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Dient het beroep op artikel 8 van het EVRM te leiden tot opheffing van het inreisverbod?

7. Eiser stelt verder dat verweerder weliswaar heeft beoordeeld of handhaving van het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM, maar verweerder (ook hier) een onjuiste beoordeling heeft gemaakt. Dit omdat, anders dan verweerder meent, wel nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Eiser wijst in dat kader op het tijdsverloop en gedrag van eiser. Eiser heeft immers na zijn vrijlating geen strafbare feiten meer gepleegd. Verweerder had verder de familiebanden en medische omstandigheden van eiser in een belangenafweging moeten betrekken.

Bij de beoordeling van een aanvraag om opheffing van een inreisverbod beoordeelt verweerder allereerst of sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden sinds het uitvaardigen van het inreisverbod. Als er sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden, beoordeelt verweerder of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het belang van de vreemdeling bij familie- of gezinsleven in Nederland meer gewicht moet worden toegekend dan aan het algemeen belang van de Nederlandse Staat.

De rechtbank overweegt dat verweerder zich in het bestreden besluit op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van gewijzigde, bijzondere feiten of omstandigheden als hiervoor bedoeld. Daartoe merkt de rechtbank allereerst op dat het enkele feit dat de vreemdeling zich tijdens de duur van het inreisverbod niet heeft schuldig gemaakt aan enig strafbaar feit, niet geldt als een bijzonder feit of bijzondere omstandigheid op grond waarvan het inreisverbod moet worden opgeheven, zoals verweerder ook in het bestreden besluit heeft opgemerkt. De uitspraak waarnaar eiser verwijst, helpt eiser niet. Deze uitspraak ziet op toepassing van het Unierechtelijk openbaar orde-criterium ten aanzien van een vreemdeling op wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is en die heeft verzocht om opheffing van een inreisverbod. Zoals de rechtbank onder 6.1. al heeft overwogen, kan eiser zich niet op die rechtspraak beroepen. De uitspraak die eiser ter zitting heeft aangehaald maakt het voorgaande niet anders. In die zaak had verweerder de duur van het inreisverbod gewijzigd en daarbij doorslaggevend belang gehecht aan het openbaar orde aspect. Dat is hier niet aan de orde.

De rechtbank overweegt verder dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser ook geen andere nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die dienen te leiden tot een andere uitkomst. Bij het besluit tot uitvaardiging van het inreisverbod is reeds betrokken dat eiser heeft verklaard een vrouw, kinderen en familie in Europa te hebben. Dat eiser destijds nog in detentie zat en daardoor geen familieleven kon uitoefenen, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, maakt dit niet anders. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat enkel tijdsverloop nog niet maakt dat de banden sterker zijn geworden. Verweerder heeft verder in het bestreden besluit gemotiveerd dat eiser ten aanzien van de familieleden in Europa niet heeft aangetoond dat sprake is van familiebanden, noch dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Ten aanzien van het privéleven is evenmin gebleken van veranderde omstandigheden. In de medische omstandigheden (naar gesteld een operatie aan de galblaas en medicatie voor astma en een allergie) heeft verweerder geen bijzondere feiten of omstandigheden hoeven zien, nu gesteld noch gebleken is dat eiser voor een medische behandeling aan Nederland is gebonden.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van het verzoek om opheffing van het inreisverbod van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

EVRM

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 6.5b

1. Onze Minister kan op aanvraag het inreisverbod dat is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, tweede lid, van de Wet, opheffen indien de vreemdeling aantoont Nederland geheel in overeenstemming met de op hem rustende verplichting, bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Wet, te hebben verlaten.

2. In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister op aanvraag het inreisverbod opheffen, indien de vreemdeling aantoont dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland na het inreisverbod een ononderbroken periode van ten minste de helft van de duur van het inreisverbod buiten Nederland heeft verbleven en hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is.

Vreemdelingencirculaire 2000 (A)

Paragraaf A4/2.5.2

De IND gaat over tot opheffing van het inreisverbod indien dringende individuele omstandigheden daar aanleiding toe geven. De paragrafen A4/3.6 en A4/3.7 Vc zijn van overeenkomstige toepassing.

De IND gaat niet over tot opheffing van het inreisverbod op grond van omstandigheden die reeds bij het opleggen van het inreisverbod zijn betrokken of betrokken hadden kunnen worden.

Paragraaf A4/3.6.1.

Bij de toepassing van artikel 6.6, tweede lid, Vb weegt de IND de belangen van de vreemdeling af tegen het algemeen belang van de Nederlandse Staat.

Als een vreemdeling die ongewenst verklaard is vanwege gevaar voor de nationale veiligheid een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring heeft ingediend, willigt de IND deze aanvraag uitsluitend in als de vreemdeling sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland tien jaren onafgebroken buiten Nederland heeft verbleven.

(…)

In ieder geval merkt de IND het enkele feit dat de vreemdeling zich gedurende de ongewenstverklaring niet schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit en niet meer in Nederland heeft verbleven, niet aan als een bijzonder feit of bijzondere omstandigheid.

Paragraaf A4/3.7

De IND neemt uitsluitend in de volgende drie situaties aan dat er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die leiden tot de inwilliging van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring:

a. de ongewenstverklaring is in strijd met het recht op familie- of gezinsleven dan wel privéleven, bedoeld in artikel 8 EVRM;

(…)

Ad a.

Bij de beoordeling van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring, betrekt de IND in ieder geval alle feiten en omstandigheden die zijn genoemd in de paragrafen B7/3.8 en B9/14 Vc, voor zover deze feiten en omstandigheden sinds de ongewenstverklaring zijn gewijzigd.

In het geval van gewijzigde feiten en omstandigheden, beoordeelt de IND of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het belang van de ongewenst verklaarde vreemdeling bij familie- of gezinsleven dan wel privéleven in Nederland meer gewicht moet worden toegekend dan aan het algemeen belang van de Nederlandse Staat. Bij deze beoordeling zet de IND altijd de duur van het verblijf van de vreemdeling buiten Nederland af tegen de tijd die sinds het besluit tot ongewenstverklaring is verstreken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?