RECHTBANK DEN HAAG
[naam],
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.29267 en NL25.29268
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Ebes),
en
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel ‘privéleven’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Eiser heeft verzocht om de minister bij wijze van voorlopige voorziening te verbieden hem uit te zetten totdat op zijn beroep is beslist. Mede aan de hand van het beroepschrift van eiser beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 17 april 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel ‘privéleven’. De minister heeft de aanvraag met het besluit van
5 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 juni 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
De rechtbank heeft het beroep tezamen met het verzoek om voorlopige voorziening op 30 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser geen geldige machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft de belangen van eiser afgewogen tegen de belangen van de Nederlandse Staat en de belangenafweging in het nadeel van eiser geoordeeld. De aanvraag is tevens afgewezen omdat eiser een strafrechtelijk verleden heeft, waardoor hij wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde. In het bestreden besluit blijft de minister bij zijn eerder genomen besluit tot afwijzing van de aanvraag.
Het beroep van eiser
4. Eiser heeft beroep aangetekend tegen het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna zal de rechtbank bespreken wat eiser heeft aangevoerd en hoe de rechtbank tot haar oordeel is gekomen.
Overwegingen
Antecedenten en positieve gedragsverandering
5. Eiser voert aan dat er sprake is van een positieve gedragsverandering, mede omdat hij heeft ingestemd met een ISD maatregel. De maatregel zou namelijk niet zijn opgelegd als eiser daarmee niet had ingestemd. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake zou zijn van een positieve gedragsverandering, ondanks de brief van de hoofdbehandelaar van de PI in Ter Apel die eiser heeft overgelegd bij zijn bezwaarschrift. In deze brief is gesteld dat eiser grote stappen heeft gemaakt. Eiser voert aan dat de belangenafweging een gedegen motivering mist.
De rechtbank oordeelt dat de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is ingegaan op het gedrag van eiser. De minister heeft in zijn beoordeling niet ten onrechte gesteld dat, ondanks eisers verwaarloosde jeugd die tot gedragsproblemen heeft geleid, aan eiser ook op volwassen leeftijd diverse mogelijkheden zijn geboden om tot blijvend ander gedrag te komen. De minister heeft tevens het omvangrijke strafblad van eiser in de beoordeling mogen betrekken, waaruit blijkt dat aan eiser sinds 2003 diverse celstraffen, taakstraffen en geldboetes zijn opgelegd. Ten tijde van het nemen van bestreden besluit verbleef eiser nog in een ISD, waar eiser EMDR-therapie heeft gekregen voor het verwerken van trauma’s en psychomotorische therapie heeft gevolgd. De ISD-maatregel is op 27 juni 2025 geëindigd. De minister heeft niet ten onrechte aangevoerd dat er tijdens eisers verblijf in de ISD op 14 oktober 2023 en 4 maart 2024 geweldsdelicten met medegedetineerden hebben plaatsgevonden en dat het, ondanks de behandelingen die eiser heeft gehad, voor hem lastig is om zijn impulsiviteit te beheersen en te controleren. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat eiser de geweldsdelicten in de ISD betreurt en gemotiveerd is om zijn patroon van vastzitten en terugval te doorbreken. Uit de documenten blijkt echter ook dat de motivatie van eiser om zijn gedrag te veranderen vooral extrinsiek van aard was, resulterend in het afbreken van de therapie. De minister heeft daarom niet ten onrechte gesteld dat eiser niet wordt gevolgd in zijn stelling dat onvoldoende is meegewogen hij hard werkt om zijn gedrag te veranderen. De enkele omstandigheid dat in het verslag van de hoofdbehandelaar van eiser is gewezen op het feit dat eiser grote stappen heeft gemaakt doet hier niet aan af, temeer daar er in deze brief ook wordt gewezen op het agressieve gedrag van eiser waarnaar de minister ook heeft verwezen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging in het kader van privéleven
6. Eiser voert verder aan dat hij vanwege zijn lange verblijf van 31 jaar in Nederland privéleven heeft opgebouwd in Nederland. Hij doet een beroep op onder andere uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser uitvalt. De minister heeft onderkend dat eiser als zesjarig kind met zijn vader en broers naar Nederland is gekomen. Eiser heeft 15 jaar lang, van 9 mei 1996 tot 9 mei 2011, een verblijfsvergunning gehad. In deze periode heeft eiser privéleven opgebouwd. Eiser spreekt de Nederlandse taal en verblijft 31 jaar in Nederland. Eisers oudste broer woont in Nederland. De minister heeft echter in het nadeel van eiser meegewogen dat dat hij bijna 14 jaar onrechtmatig in Nederland heeft verbleven en dat eiser er sinds het besluit van
22 november 2013 van op de hoogte is dat zijn verblijf in Nederland strafbaar is. De keuze van eiser om in Nederland privéleven op te bouwen terwijl hij wist dat hij Nederland moest verlaten, heeft de minister dan ook niet ten onrechte voor eisers eigen rekening en risico laten komen. De verwijzing van eiser naar het arrest Ghadamian v. Zwitserland maakt de conclusie uit het bestreden besluit niet anders. Eiser heeft niet onderbouwd dat er gelijkluidende omstandigheden zijn. Nu de toetsing aan artikel 8 van het EVRM plaatsvindt op basis van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, kan alleen al daarom aan dit arrest niet de door eiser gewenste waarde worden gehecht. Ook de verwijzing naar het arrest Azzaqui v. Nederland maakt de conclusie van het bestreden besluit niet anders, omdat de minister de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd wel degelijk heeft betrokken in de belangenafweging. Dat dit niet heeft geleid tot de conclusie dat de belangenafweging in het voordeel van eiser is uitgevallen, maakt voorgaande niet anders.
De rechtbank is verder van oordeel dat het betoog dat de minister de aanvraag ten onrechte niet heeft getoetst overeenkomstig de uitspraak van het VN Mensenrechtencomité van 21 juli 2021, Warsame v. Canada, geen doel treft. Uit deze uitspraak volgt dat niemand het recht mag worden ontnomen om naar zijn eigen land te reizen. Volgens eiser moet onder eigen land worden verstaan: het land waarmee hij de meeste banden heeft, en dat is volgens eiser Nederland. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het in de aangehaalde uitspraak om andere omstandigheden gaat dan die van eiser. In die uitspraak ging het om een vreemdeling van Somalische herkomst, die daar niet was geboren en ook nooit was geweest. Bovendien stond de Somalische nationaliteit van die vreemdeling ook niet vast. Eiser is daarentegen in Somalië geboren en heeft daar tot zijn vijfde levensjaar gewoond. Verder verwijst de minister niet ten onrechte naar de belangenafweging in het bestreden besluit waar de minister naar het oordeel van de rechtbank afdoende heeft gemotiveerd waarom het belang van de Nederlandse overheid prevaleert boven het belang van eiser om zijn privéleven hier in Nederland uit te oefenen. In die afweging zijn de banden die eiser heeft opgebouwd gedurende zijn verblijf in Nederland meegewogen en afgezet tegen het belang van de Nederlandse overheid. De bescherming van de openbare orde en veiligheid is daarbij een zwaarwegend belang. In het besluit heeft de minister voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de Nederlandse samenleving vormt. Ook volgt de rechtbank de minister in zijn standpunt dat de verwijzing van eiser naar de uitspraak van de VN kan niet leiden tot een andere conclusie, nu de inzichten van het Mensenrechtencomité een gezaghebbende bron zijn voor uitleg van het IVBPR, maar niet verbindend zijn voor de lidstaten. Bovendien heeft eiser niet nader geconcretiseerd op welke wijze artikel 12, vierde lid, van het IVBPR kan worden gezien als een eenieder verbindende bepaling en of de bepaling onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk en nauwkeurig is geformuleerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Inherente afwijkingsbevoegdheid
7. Eiser voert ook aan dat er, gezien de bijzondere omstandigheden van zijn persoonlijke situatie, aanleiding had moeten bestaan om gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb. Eiser wijst erop dat zijn afwezigheid namelijk tot op heden is getolereerd.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eiser onder 6.1. aangevoerde omstandigheden onvoldoende heeft mogen achten voor het oordeel dat sprake is van een zodanige bijzondere binding met Nederland dat die maakt dat een vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM gerechtvaardigd zou zijn. De Afdeling heeft in de uitspraak van 11 januari 2018 geoordeeld dat de minister niet ten onrechte de lange verblijfsduur van de vreemdelingen in Nederland, en de worteling die daarvan onvermijdelijk het gevolg is, niet als bijzondere omstandigheden heeft aangemerkt. Het beroep op het arrest Jeunesse v. Nederland leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat het gebrek aan uitzettingshandelingen moet leiden tot verlenen van de vergunning heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat primair op eiser een plicht ligt om zelfstandig uit Nederland te vertrekken en dat eiser dit heeft nagelaten. Ook is niet gebleken dat eiser actief heeft meegewerkt aan terugkeer naar Somalië. Eiser heeft verschillende keren bij de Dienst Terugkeer en Vertrek aangegeven dat hij niet wilde terugkeren naar Somalië en hiermee heeft eiser de vertrekplicht gefrustreerd. Dat eiser zich in 2025 heeft gepresenteerd bij de Somalische ambassade in Brussel doet aan voorgaande niet af. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Refoulementbeoordeling
8. Eiser voert ten slotte aan dat gezien zijn situatie een geactualiseerde toetsing had moeten plaatsvinden van het refoulementrisico. De minister heeft volgens eiser niet voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de actuele veiligheids- en mensenrechtensituatie in Mogadishu niet verschilt van die in 2014. Eiser verwijst naar hetgeen de minister eerder heeft gesteld in een andere zaak dat ‘de beleidsconsequenties van het nieuwe ambtsbericht op dit moment nog worden bezien’. De minister loopt daarom nu ten onrechte vooruit op het onbekende beleid voor Somalië.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er zich sinds de asielprocedure in 2014 – waarbij het risico op refoulement is onderzocht – geen feiten en omstandigheden hebben voorgedaan waaruit zwaarwegende en op feiten berustende gronden blijken die leiden tot het oordeel dat bij terugkeer sprake zal zijn van een risico op refoulement. De minister heeft hierbij niet ten onrechte verwezen naar het landgebonden beleid en het Algemeen Ambtsbericht Somalië van 4 april 2025 in vergelijking met de situatie in 2014. Ook uit het huidige landgebonden beleid volgt dat voor Mogadishu wordt aangenomen dat daar een situatie geldt zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn waarbij sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Er zijn in dat geval individuele omstandigheden vereist die de conclusie rechtvaardigen dat er voor eiser in Mogadishu een verhoogd risico is om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Deze omstandigheden zijn door eiser niet aangedragen en niet is gebleken dat het eerdere terugkeerbesluit berust op een achterhaalde beoordeling. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat een geactualiseerde toetsing van het risico op refoulement geen aanleiding geeft om anders te oordelen dan is gedaan in 2014. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.