RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25269
gesteld te zijn geboren op [datum] ,
V-nummer: [nummer]
van Somalische nationaliteit
(gemachtigde: mr. H. Meijerink),
en
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eisers gestelde identiteit en zijn gestelde vrees voor Al-Shabaab niet ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht en dat het feit dat eiser afkomstig is uit El Dheer en tot de Tumaal behoort niet voldoende is om vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade aan te nemen bij terugkeer. Omdat de minister ten onrechte geen contact heeft gezocht met de Griekse autoriteiten om hen op de hoogte te stellen van de uitkomst van de Nederlandse asielprocedure en hen te vragen wat dit betekent voor de door hen aan eiser verleende asielstatus, kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Het bestreden besluit wordt dan ook vernietigd. Wel laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand voor zover dat ziet op eisers asielmotieven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 8 juni 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en mr. D. Post als de gemachtigde van de minister.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de minister in de gelegenheid gesteld om een standpunt in te nemen hoe het uitvaardigen van een terugkeerbesluit met een 0-dagen termijn en bijbehorend inreisverbod zich verhoudt tot de verleende vluchtelingenstatus in Griekenland. Daarnaast heeft de minister aangegeven het nieuwe AAB Somalië van 2025 in te brengen in het kader van de door eiser overgelegde documenten en ten aanzien van de algehele veiligheidssituatie in Somalië.
Bij brief van 10 september 2025 heeft de minister van die gelegenheid gebruik gemaakt.
Eiser heeft bij bericht van 24 september 2025 daarop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting is op verzoek van partijen voortgezet op de zitting van 5 februari 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag hij de Somalische nationaliteit heeft en tot de Tumaal bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft verklaard dat hij is gevlucht uit zijn woonplaats El Dheer, omdat Al-Shabaab hem en zijn broer wilde rekruteren. In december 2020 kwamen leden van Al-Shabaab bij hem thuis langs en eisten van zijn vader dat eiser en zijn broer zich bij hen zouden aansluiten. Toen eisers vader daar ontwijkend op antwoordde, hebben de leden van Al-Shabaab eiser vastgepakt en een mes op zijn keel gezet. Daarop heeft de vader van eiser gezegd dat hij de volgende dag zijn zoons bij Al-Shabaab zou afleveren. Diezelfde avond heeft eisers vader hem en zijn broer het dorp uit gesmokkeld in een vrachtwagen naar Mogadishu. Eiser en zijn broer hebben nog ruim drie maanden ondergedoken gezeten op een adres van een kennis van de vader van eiser. In die periode hoorde eiser dat zijn vader door Al-Shabaab was vermoord. Daarna hebben eiser en zijn broer met behulp van een smokkelaar het land verlaten. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser door Al-Shabaab te worden gerekruteerd of vermoord.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
2. De problemen met Al-Shabaab;
3. De discriminatie vanwege het behoren tot de Tumaal.
Op basis van een taalindicatie en herkomstonderzoek, volgt de minister eiser in zijn verklaringen over zijn nationaliteit en herkomst. De gestelde identiteit van eiser wordt door de minister niet geloofd. In dit verband heeft de minister aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over waarom hij zijn paspoort niet heeft kunnen overleggen en dat uit onderzoek van Bureau Documenten is gebleken dat de door eiser overgelegde identiteitskaart en geboorteakte met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Verder acht de minister ook het tweede asielmotief niet geloofwaardig. In dit verband heeft de minister onder meer gewezen op de vele en grote verschillen in de verklaringen die eiser in Griekenland heeft afgelegd tijdens het asielgehoor ten opzichte van zijn verklaringen hier in Nederland. Ten aanzien van het derde asielmotief heeft de minister overwogen dat, hoewel sprake is van discriminatie van de Tumaal, uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat de door hem ondervonden problemen als gevolg van zijn stamafkomst dusdanig ernstig waren dat hij geen normaal leven kon leiden. In dit verband heeft de minister erop gewezen dat eiser naar school kon dat hij net als zijn vader heef gewerkt. Bovendien vormde de ondervonden discriminatie voor eiser geen reden voor zijn vertrek uit Somalië, aldus de minister. De minister concludeert dat de asielaanvraag van eiser terecht als kennelijk ongegrond is afgewezen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het asiel
5. De Afdeling heeft in een uitspraak van 2 juli 2025 uiteengezet hoe de minister moet omgaan met asielaanvragen van personen die in Griekenland internationale bescherming hebben gekregen, maar niet naar Griekenland kunnen terugkeren. Dit is ook bij eiser aan de orde. Volgens de Afdeling is de minister in zo’n geval niet gebonden aan de door Griekenland verleende status, wat betekent dat de minister niet verplicht is om deze status automatisch te erkennen en over te nemen en de asielaanvraag inhoudelijk mag behandelen. Wel moet de minister ten volle rekening houden met de beslissing van de Griekse autoriteiten om de status toe te kennen en met de elementen waarop die beslissing is gebaseerd.
De minister heeft de Griekse autoriteiten verzocht om informatie om vast te kunnen stellen waarop de beslissing om eiser een asielstatus te verlenen is gebaseerd. De van de Griekse autoriteiten verkregen stukken zijn betrokken bij de beoordeling van de aanvraag in Nederland. De minister heeft geconstateerd dat de verklaringen die eiser in Griekenland heeft afgelegd op essentiële punten verschillen van de verklaringen die eiser in Nederland heeft afgelegd. Die tegenstrijdigheden zien onder meer op de reden waarom eiser geen paspoort zou kunnen overleggen, hij wel of niet ontvoerd zou zijn door Al-Shabaab, zijn vader of juist zijn moeder door Al-Shabaab zou zijn vermoord en een Facebookaccount op naam van eiser met ‘check-ins’ waaruit volgt dat eisers relaas/reisverhaal niet kan kloppen. De enkele ontkenning van eiser dat dit Facebookaccount van hem is acht de rechtbank onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de minister deze omstandigheden niet aan eiser heeft mogen tegenwerpen. Gelet hierop, en het feit dat Bureau documenten heeft vastgesteld dat de door eiser overgelegde identiteitskaart en geboorteakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat de identiteit van eiser en gestelde problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn. In de enkele stelling van eiser dat hij in Griekenland hetzelfde zou hebben verklaard als in Nederland en dat hij twijfelt of het overgelegde asieldossier vanuit Griekenland wel dat van hem betreft, ziet de rechtbank onvoldoende grond om te oordelen dat de minister niet van die informatie mocht uitgaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Reëel risico op ernstige schade
6. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat het feit dat eiser uit Somalië komt niet genoeg is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. In aanvulling daarop heeft de minister, onder verwijzing naar het AAB Somalië van juni 2023, overwogen dat El Dheer, de plaats waar eiser vandaan komt, in handen is van de Somalische federale overheid en dat Al-Shabaab daar niet aan de macht is. Ook hoeft eiser bij terugkeer niet door Al-Shabaab gebied te reizen om in El Dheer te komen. Verder heeft de minister overwogen dat er een relatief lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen voor de regio Galmudug, waar eiser vandaan komt. In dat geval is het aan de vreemdeling om aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarin is eiser niet geslaagd. Zijn gestelde problemen met Al-Shabaab zijn niet geloofwaardig bevonden en eiser heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het aannemen van een dergelijk verhoogd risico. De stelling van eiser dat El Dheer wel degelijk in de macht was van Al-Shabaab toen hij nog in Somalië was, kan eiser niet baten, omdat het bij de beoordeling van een reëel risico op ernstige schade gaat om het nu en niet om hoe de situatie was toen eiser El Dheer verliet. Dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte heeft verwezen naar het AAB Somalië van 2023 terwijl het nieuwe AAB van 2025 al van toepassing was, passeert de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb omdat eiser daarmee niet in zijn belangen is geschaad. Zoals de minister in zijn verweerschrift stelt, wijkt de situatie zoals deze is geschetst in het bestreden besluit niet af van de situatie zoals deze wordt omschreven in het AAB van april 2025.
Ten aanzien van het inreisverbod en terugkeerbesluit
7. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting van 5 februari 2026 medegedeeld dat het aan eiser opgelegde inreisverbod en de SIS-signalering zijn ingetrokken. Het terugkeerbesluit blijft wel gehandhaafd. Volgens de minister is dit mogelijk, omdat een inhoudelijke beoordeling van eisers asielrelaas heeft plaatsgevonden en daarbij is geoordeeld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Somalië en dat hij bij terugkeer naar Somalië evenmin een reëel risico loopt op ernstige schade. Om die reden kan volgens de minister het terugkeerbesluit waarin eiser is opgedragen terug te keren naar Somalië in rechte stand houden. Desgevraagd heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat zij aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens niet kan zien of de Griekse autoriteiten over de uitkomst van de Nederlandse asielprocedure zijn geïnformeerd, maar dat dit volgens haar ook niet hoeft.
De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat het feit dat de minister het inreisverbod heeft ingetrokken, reeds leidt tot gegrondverklaring van het beroep. De rechtbank overweegt verder dat de minister, mede gelet op de onder 5 genoemde uitspraak van de Afdeling, geen terugkeerbesluit kan nemen in zaken van Griekse statushouders, voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie hierop hebben aangegeven of zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken.
In dit geval blijkt uit de besluitvorming niet dat de minister de uitkomst van de beoordeling met de Griekse autoriteiten heeft gedeeld en ook niet wat de reactie van de Griekse autoriteiten daarop is geweest. De SIS-signalering is wel verwijderd, zodat eiser toch naar Griekenland kan terugkeren als hij dat wil. Over de status van eiser in Griekenland kon de gemachtigde desgevraagd geen informatie verschaffen. Daarmee is onduidelijk gebleven of de Griekse autoriteiten de verleende asielstatus zullen intrekken. Naar het oordeel van de rechtbank had de minister daarom (nog) geen terugkeerbesluit mogen opleggen aan eiser. Ook om die reden is het beroep gegrond.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten voor zover dit de afwijzing van de asielaanvraag betreft. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit in stand te laten. De rechtbank draagt de minister op bij de Griekse autoriteiten na te vragen of de beoordeling in Nederland maakt dat zij de aan eiser verleende asielstatus intrekken, om daarna te beoordelen wat dit betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit.
9. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 1 september 2025 en 0,5 punt voor de nadere zitting op 5 februari 2026; met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.