RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , verzoeker
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25270
gesteld te zijn geboren op [datum] ,
V-nummer: [nummer]
van Somalische nationaliteit
(gemachtigde: mr. H. Meijerink),
en
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
Procesverloop
1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is aan verzoeker een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep, op 1 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, een tolk en mr. D. Post als de gemachtigde van de minister.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de minister in de gelegenheid gesteld om een standpunt in te nemen hoe het uitvaardigen van een terugkeerbesluit met een 0-dagen termijn en bijbehorend inreisverbod zich verhoudt tot de verleende vluchtelingenstatus in Griekenland. Daarnaast heeft de minister aangegeven het nieuwe AAB Somalië van 2025 in te brengen in het kader van de door verzoeker overgelegde documenten en ten aanzien van de algehele veiligheidssituatie in Somalië.
Bij brief van 10 september 2025 heeft de minister van die gelegenheid gebruik gemaakt.
Verzoeker heeft bij bericht van 24 september 2025 daarop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting is op verzoek van partijen voortgezet op de zitting van 5 februari 2026. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van de minister. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.25269, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
De voorzieningenrechter ziet, gelet op de inhoud van de uitspraak op het beroep aanleiding te bepalen dat verzoeker een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 1 september 2025; met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 1868,00 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.