RECHTBANK DEN HAAG
[naam],
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.20985 en NL25.20988
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Ebes),
en
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om zijn inreisverbod op te heffen. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van eiser om de minister bij wijze van voorlopige voorziening te verbieden hem uit te zetten tot dat op zijn beroep is beslist. Mede aan de hand van het beroepschrift van eiser beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 8 april 2025 heeft de minister het verzoek van eiser om het inreisverbod op te heffen afgewezen.
Eiser heeft op 6 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
De rechtbank heeft het beroep tezamen met het verzoek om voorlopige voorziening op 30 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De minister heeft eiser op 22 november 2013 een zwaar inreisverbod van vijf jaar opgelegd. Op 5 december 2024 heeft eiser verzocht om opheffing van dit inreisverbod. De minister heeft het verzoek met het bestreden besluit afgewezen. Volgens de minister is niet gebleken dat eiser ten minste vijf jaar buiten Nederland en de Europese Unie heeft verbleven. Er is ook geen sprake van bijzondere feiten of omstandigheden waardoor het inreisverbod kan worden opgeheven. Eiser heeft op 17 april 2023 een aanvraag ingediend voor het verblijfsdoel ‘privéleven op grond van artikel 8 EVRM’ maar deze aanvraag is afgewezen. De minister heeft verder gesteld dat er geen sprake is van duurzame strijdigheid met artikel 3 van het EVRM of toepasselijkheid van artikel 3.105c of artikel 3.105e van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Tot slot heeft de minister gesteld dat eiser ten tijde van het opleggen van het inreisverbod een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving en dit momenteel ook nog vormt. De minister concludeert dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod.
Overwegingen
Belangenafweging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM
4. Eiser voert aan dat hij privéleven heeft opgebouwd in Nederland. Hij is op zeer jonge leeftijd naar Nederland gekomen en heeft geen band met Somalië noch heeft hij daar een sociaal vangnet waarop hij kan terugvallen. Zijn broer woont in Nederland. Eiser verwijst naar hetgeen hij heeft aangevoerd bij de aanvraag die is ingediend op grond van artikel 8 van het EVRM. Het inreisverbod maakt een inbreuk op zijn familieleven en opgebouwd privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
De rechtbank overweegt dat er alleen in de volgende situaties bijzondere feiten en omstandigheden kunnen zijn waardoor het inreisverbod kan worden opgeheven:
a. familie- en gezinsleven dan wel privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM;
b. verbod tot uitzetting in verband met artikel 3 EVRM;
c. toepasselijkheid van artikel 3.105c of artikel 3.105e Vb.
In het kader van het verzoek om opheffing van het inreisverbod heeft eiser een beroep gedaan op de aanvraag voor een 8 EVRM-verblijfsrecht die hij op 17 april 2023 heeft ingediend. De rechtbank overweegt dat in het bestreden besluit over het inreisverbod niet de vereiste belangenafweging is gemaakt, maar dat in dat kader is verwezen naar de beoordeling in de voornoemde verblijfsrechtprocedure, die heeft geleid tot afwijzing van die aanvraag bij besluit van 5 oktober 2023. In de beslissing op bezwaar van 5 juni 2025 is de minister bij dit standpunt gebleven.
De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het inreisverbod niet kan worden opgeheven vanwege familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Dat betekent dat er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven.
De rechtbank stelt vast dat de minister op de zitting, waar ook het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning met als doel ‘privéleven op grond van artikel 8 EVRM’ is behandeld, heeft herhaald en nader heeft onderbouwd op welke wijze het privéleven in de belangenafweging is betrokken. Ook heeft de minister al in het verweerschrift van 5 augustus 2025 verwezen naar de motivering van die afwijzing in het besluit op bezwaar van 5 juni 2025. De minister heeft erop gewezen dat de band die eiser met Nederland heeft, namelijk dat hij als jong kind naar Nederland is gekomen, dat hij gedurende 15 jaar een verblijfsvergunning heeft gehad, dat hij inmiddels 31 jaar in Nederland verblijft en dat hij de Nederlandse taal spreekt, niet opweegt tegen de omstandigheid dat eiser door zijn aanhoudend crimineel gedrag ernstig afbreuk heeft gedaan aan zijn sociale en culturele binding met Nederland. Eiser heeft verder geen nieuwe feiten en omstandigheden aangedragen die aanleiding hadden moeten zijn voor een ander oordeel in het kader van artikel 8 EVRM. Eiser heeft ook anderszins geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die aanleiding zouden moeten zijn tot opheffing van het inreisverbod. De enkele stelling dat de Somalische ambassade onlangs heeft aangegeven dat de (Somalische) nationaliteit van eiser niet bevestigd kan worden, is hiertoe onvoldoende.
De minister heeft, gelet op het voorgaande, op kenbare en afdoende manier gemotiveerd waarom het privéleven van eiser geen omstandigheid is waardoor het inreisverbod wordt opgeheven. Dit betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand laat.
Geldigheid en rechtmatigheid van het inreisverbod van 22 november 2013
5. Eiser voert aan dat het inreisverbod van 22 november 2013 niet deugdelijk was gemotiveerd, omdat in dit besluit niet is uitgelegd dat eiser een ernstige bedreiging vormde voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid als bedoeld in het arrest Z.Zh. & I.O. Eiser betwist daarom de geldigheid en rechtmatigheid van dit verbod.
De rechtbank overweegt dat het arrest Z.Zh & I.O. ten tijde van het besluit tot het opleggen van het inreisverbod op 22 november 2013 nog niet was gewezen. Uit dit arrest blijkt het Unierechtelijke openbare orde-criterium. De minister is in het bestreden besluit alsnog ingegaan op het Unierechtelijke openbare orde-criterium en heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat ook ten tijde van het opleggen van het inreisverbod ten aanzien van het gedrag van eiser sprake was van een ‘actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving’, zodat in 2013 terecht een inreisverbod is opgelegd voor de duur van vijf jaar. Zo heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er, (mede) gezien de veroordelingen in 2010, 2011 en 2013, sprake was van een actuele bedreiging. Daarnaast heeft eiser herhaaldelijk misdrijven gepleegd en hebben de opgelegde straffen er niet voor gezorgd dat eiser zijn leven heeft gebeterd. Het gedrag van eiser vormt hierdoor een ernstige en werkelijke bedreiging. Bovendien versterken de duur van eisers veroordelingen en het feit dat hij meerdere keren is veroordeeld de ernst van de bedreiging van de openbare orde die van hem uitgaat. In de beschikking op bezwaar van 5 juni 2025 is eveneens getoetst aan de actualiteit van het gevaar voor de openbare orde. Ook daar is uitvoering gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat geen sprake meer is van een actueel gevaar voor de openbare orde. Relevant daartoe is onder andere dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is geweest van een positieve gedragsverandering de afgelopen jaren. Met de stelling in beroep dat slechts sprake is van vermogensdelicten en er ook vrijspraken en sepots zijn geweest, maakt eiser niet aannemelijk dat geen sprake meer is van een actueel gevaar voor de openbare orde en bagatelliseert eiser de vele veroordelingen die op zijn naam staan. Van belang is ook nog dat aan eiser in 2023 vanwege stelselmatig plegen van delicten de ISD-maatregel is opgelegd voor de duur van twee jaar. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat eiser heeft niet onderbouwd dat hij gedurende zijn behandeling daadwerkelijk een zodanige langdurige positieve gedragsverandering heeft ondergaan dat niet langer gesproken kan worden van een actuele dreiging. Bovendien hebben op 14 oktober 2023 en
4 maart 2023 gewelddelicten plaatsgevonden in detentie en heeft eiser langdurig hulpverlening op afstand gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat is voldaan aan het Unierechtelijke criterium ‘actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving’. De beroepsgrond slaagt niet.
Strijd met het evenredigheidsbeginsel
6. Eiser voert aan dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel omdat het van onevenredige hardheid getuigt om hem op basis van het inreisverbod de toegang tot het grondgebied van de EU-lidstaten te ontzeggen in de wetenschap dat hij nergens naar toe kan.
De rechtbank overweegt dat er vanuit het oogpunt van een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid een gewichtig algemeen (nationaal en Unierechtelijk) belang bestaat bij generale en consequente naleving van regels. Dit betekent onder meer dat inreisverboden, als niet aan de opheffingsvoorwaarden van artikel 6.5b van het Vb wordt voldaan, niet lichtvaardig maar slechts in bijzondere gevallen worden opgeheven. Zo bezien heeft verweerder in het algemeen, en ook in dit geval, een gewichtig belang bij handhaving van inreisverboden van vreemdelingen die niet aan de opheffingsvoorwaarden voldoen. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft gesteld dat in dit geval zijn belang des te gewichtiger is nu eiser tot heden geen gevolg heeft gegeven aan het terugkeerbesluit. Het inreisverbod is dus tot heden ook nog niet in werking getreden. De enkele stelling in beroep dat de nationaliteit van eiser niet is bevestigd leidt niet zonder meer tot de conclusie dat het handhaven van het inreisverbod onevenredig zou zijn. Niet is onderbouwd dat het voor eiser geheel onmogelijk is om terug te keren naar Somalië, enkel vanwege het feit dat zijn nationaliteit onder de thans bekende gegevens niet is bevestigd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet, zoals vermeld onder 4.4., wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Dit betekent dat het inreisverbod geldig blijft.
Omdat op het beroep is beslist, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 1.868,-.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.