ECLI:NL:RBDHA:2026:6878

ECLI:NL:RBDHA:2026:6878

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 27-03-2026
Zaaknummer NL25.2364
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de opgegeven geboortedatum van de vreemdeling, en daarmee de identiteit, ongeloofwaardig is. Verder is verweerder niet inhoudelijk ingegaan op (de betekenis van) de bevindingen en conclusies in het iMMO-rapport en het FMO-rapport. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.2364

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),

en

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL25.2365).

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Inleiding

1. Eiseres heeft de Eritrese nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1987. Zij heeft op 5 juli 2019 een asielaanvraag in Nederland ingediend.

2. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres is op enig moment nadat zij was gestopt met school verplicht tot het vervullen van de militaire dienstplicht. Zij heeft in eerste instantie in Wi´a gediend en is vervolgens om gezondheidsredenen overgeplaatst naar een administratiekantoor ter vervulling van civiele dienstplicht. Eiseres is tijdens haar werkzaamheden op het administratiekantoor door haar leidinggevende lange tijd misbruikt en bedreigd. Zij zag daardoor op een gegeven moment geen andere mogelijkheid meer dan het land te verlaten. Eiseres is op 24 mei 2016, zonder dit aan iemand te vertellen, vertrokken uit Eritrea. Hiertoe is zij eerst met een bus vanuit Asmara naar Teseney gegaan, en vervolgens vanuit Teseney met behulp van een mensensmokkelaar naar Soedan gereisd. Daar heeft zij een jaar verbleven, omdat haar familie de mensensmokkelaar nog moest betalen.

Bij terugkeer naar Eritrea vreest eiseres te worden gestraft vanwege desertie en illegale uitreis.

Het bestreden besluit

Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- Identiteit, nationaliteit en herkomst;

- Desertie als gevolg van misbruik van leidinggevende tijdens dienstplicht;

- Illegale uitreis.

Verweerder heeft de nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht, maar haar identiteit niet. Verder heeft verweerder de desertie als gevolg van het misbruik door haar leidinggevende tijdens de dienstplicht en de illegale uitreis van eiseres uit Eritrea ongeloofwaardig geacht. Het deels geloofwaardig geachte eerste element levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiseres een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet hierop, en nu eiseres verweerder heeft misleid over haar identiteit, heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.

Het bestreden besluit omvat tevens een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.

Beroepsgronden

4. Eiseres voert aan dat verweerder haar identiteit, haar desertie als gevolg van het misbruik door haar leidinggevende en haar illegale uitreis ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zij wijst er voor wat betreft haar identiteit op dat zij een echt bevonden Eritrese identiteitskaart heeft overgelegd, dat er in Eritrea geregeld fouten worden gemaakt bij het opstellen van documenten, zoals een huwelijksakte, en dat er in Eritrea minder waarde wordt gehecht aan data dan in Nederland. Eiseres betoogt verder dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met haar fysieke en mentale klachten, die onder andere blijken uit het rapport van 11 januari 2023 van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) en het rapport van 29 augustus 2024 naar aanleiding van het forensisch medisch onderzoek (FMO). Voorts heeft verweerder zich volgens eiseres niet aan de samenwerkingsverplichting gehouden, aangezien hij haar tijdens het nader gehoor niet heeft gewezen op haar tegenstrijdige verklaringen. Eiseres betoogt verder dat zij valt onder een risicoprofiel omdat zij in Eritrea de dienstplicht nog zal moeten vervullen en het aannemelijk is dat zij dit zal gaan ontduiken. Eiseres meent tot slot dat verweerder haar politieke en sociale klasse en haar leeftijd onvoldoende heeft meegewogen.

Het oordeel van de rechtbank

Identiteit (geboortedatum)

Verweerder heeft de door eiseres gestelde geboortedatum van 13 december 1987 ongeloofwaardig geacht, omdat eiseres inconsistente verklaringen heeft gegeven over haar geboortedatum.

In Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6), die ten tijde van het bestreden besluit gold, wordt beschreven hoe verweerder de geloofwaardigheid van asielmotieven beoordeelt. Stap 1 is het verzamelen van informatie. In deze stap worden ook de asielmotieven vastgesteld. Stap 2 behelst de beoordeling van de geloofwaardigheid van de asielmotieven. Blijkens WI 2024/6 moet hierbij allereerst een oordeel worden gevormd over de geloofwaardigheid van de verklaringen ten aanzien van de nationaliteit, identiteit en herkomst van de vreemdeling. Asielmotieven hebben immers slechts betekenis tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. De feiten en omstandigheden die zien op de persoon van de vreemdeling moeten dus als eerste worden vastgesteld. De gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling worden in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling op dezelfde manier beoordeeld als de asielmotieven, zo staat in WI 2024/6.

Uit WI 2024/6 volgt verder dat eerst wordt bekeken of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken (stap 2a). Blijkens WI 2024/6 gaat het hierbij bijvoorbeeld om objectieve documenten die authentiek zijn en waarvan de echtheid kan worden vastgesteld en die bevestigen wat de vreemdeling heeft verklaard. Als de vreemdeling documenten heeft overgelegd ter staving van de door hem gestelde feiten en/of omstandigheden, dan zullen deze in beginsel (voor zover mogelijk én indien relevant) worden onderzocht op echtheid.

Blijkens WI 2024/6 kunnen documenten in beginsel als objectieve onderbouwing gelden, indien:

- de documenten origineel en echt zijn en, indien van toepassing, bevoegd zijn afgegeven;

- de documenten afkomstig zijn van objectieve bronnen en de wijze van verkrijgen strookt met algemene informatie hieromtrent;

- er geen aanwijzingen zijn dat de documenten illegaal verkregen zijn of op eenvoudige wijze illegaal verkregen kunnen worden;

- het aannemelijk is dat het document persoonlijk betrekking heeft op de vreemdeling; en

- de documenten daadwerkelijk het asielmotief van de vreemdeling onderbouwen.

Als blijkt dat de documenten kunnen worden geaccepteerd als voldoende onderbouwing van het asielmotief en er geen sprake is van contra-indicaties, dan heeft de vreemdeling het motief aannemelijk gemaakt en kan het asielmotief waarop deze documenten zien geloofwaardig worden geacht. Als een vreemdeling – ongeacht de reden – een asielmotief niet of onvoldoende kan onderbouwen met objectieve bewijsstukken, past verweerder de geloofwaardigheidstoets toe om tot een oordeel te komen ten aanzien van de geloofwaardigheid (stap 2b). Het asielmotief kan dan geloofwaardig worden geacht als de vreemdeling voldoet aan de vijf – cumulatief geformuleerde – voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw.

In het geval van eiseres geldt het volgende. Volgens verweerder heeft eiseres bij het indienen van haar asielaanvraag verklaard dat haar geboortedatum 12 december 1989 is. De rechtbank heeft in het dossier echter geen stukken aangetroffen waaruit blijkt dat eiseres deze geboortedatum bij het indienen van haar asielaanvraag heeft genoemd. Wel zit er in het dossier een ‘aanmeldformulier asiel’, waarop eiseres heeft ingevuld dat haar geboortedatum 1987 is. Nog belangrijker is dat eiseres bij het indienen van haar asielaanvraag haar Eritrese identiteitskaart heeft ingeleverd. Deze identiteitskaart, waarop de geboortedatum 13 december 1987 staat, is diezelfde dag door verweerder onderzocht en echt bevonden.

Deze echt bevonden Eritrese identiteitskaart betreft een objectief bewijsstuk dat de identiteit van eiseres onderbouwt. Blijkens WI 2024/6, stap 2a, is dit in beginsel voldoende om de identiteit aannemelijk te achten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij de identiteit van eiseres zoals die blijkt uit de echt bevonden Eritrese identiteitskaart desondanks niet aannemelijk heeft geacht in het kader van stap 2a van WI 2024/6. In de eerste plaats overweegt de rechtbank hiertoe dat verweerder de beoordelingswijze zoals uiteengezet in stap 2a van WI 2024/6, en zoals weergegeven onder 5.3 tot en met 5.5, niet (kenbaar) heeft gevolgd. Verweerder heeft immers niet de echt bevonden Eritrese identiteitskaart van eiseres als uitgangspunt voorop gesteld en vervolgens beoordeeld of er sprake is van contra-indicaties, maar heeft alle gegevens omtrent de identiteit van eiseres ‘op een hoop gegooid’. Daardoor is er onvoldoende waarde toegekend aan de echt bevonden Eritrese identiteitskaart van eiseres. Verder overweegt de rechtbank hiertoe dat verweerder onvoldoende heeft uitgelegd waarom de overige gegevens omtrent de identiteit, te weten: de eigen verklaringen van eiseres, het overgelegde huwelijkscertificaat en de registratie in Griekenland, contra-indicaties zouden vormen voor (de gegevens op) de echt bevonden identiteitskaart. Daarbij merkt de rechtbank op dat het aan verweerder is om gestelde contra-indicaties, die een bepaalde gewichtigheid moeten hebben, te substantiëren. Over de verklaringen van eiseres overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat eiseres bij het indienen van haar asielaanvraag (zie onder 5.6) dan wel tijdens één van de gehoren uitdrukkelijk zelf heeft verklaard dat haar geboortedatum [geboortedatum 2] 1989 is, terwijl zij tijdens het aanvullend gehoor wel uitdrukkelijk heeft verklaard dat haar geboortedatum [geboortedatum 1] 1987 is, zoals op haar Eritrese identiteitskaart staat. Hierbij komt dat eiseres heeft toegelicht, en zo blijkt ook uit het advies van Medifirst, dat zij moeite heeft met data. Gelet hierop zijn de eigen verklaringen van eiseres over haar geboortedatum onvoldoende gewichtig om een contra-indicatie te vormen voor (de gegevens op) de echt bevonden Eritrese identiteitskaart. Over (de kopie van) het huwelijkscertificaat, waarop de geboortedatum [geboortedatum 2] 1989 staat, overweegt de rechtbank dat dit geen officieel identificerend document is en dat verweerder daarover te kennen heeft gegeven dat het qua verschijningsvorm, opmaak en afgifte afwijkt van het beschikbare referentie- en vergelijkingsmateriaal. Aan dit certificaat komt daarom geen identificerende waarde toe, ook niet in voor eiseres negatieve zin, nu verweerder eiseres nauwelijks heeft bevraagd over (de verkrijging en afgifte van) dit certificaat. Gelet hierop is dit huwelijkscertificaat onvoldoende gewichtig om een contra-indicatie te vormen voor (de gegevens op) de echt bevonden Eritrese identiteitskaart. Over de Griekse registratie, waarop de geboortedatum 3 december 1988 is vermeld, overweegt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft uitgezocht hoe die tot stand is gekomen, terwijl eiseres heeft verklaard dat zij in Griekenland nooit asiel heeft aangevraagd. Gelet hierop is ook de Griekse registratie onvoldoende gewichtig om een contra-indicatie te vormen voor (de gegevens op) de echt bevonden Eritrese identiteitskaart.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de opgegeven geboortedatum van eiseres (13 december 1987), en daarmee haar identiteit, in weerwil van de echt bevonden Eritrese identiteitskaart die deze geboortedatum bevestigt, ongeloofwaardig is. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt.

Desertie als gevolg van misbruik van leidinggevende tijdens dienstplicht

Verweerder heeft ongeloofwaardig geacht dat eiseres is gedeserteerd als gevolg van misbruik door haar leidinggevende tijdens haar (civiele) dienstplicht. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres ongerijmd heeft verklaard over wanneer en op welke leeftijd zij is gestopt met school, dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe lang en op welke manier zij vervolgens de dienstplicht heeft kunnen ontwijken alsmede dat eiseres vaag en niet eenduidig heeft verklaard over haar eerste oproep voor de dienstplicht en over wanneer zij op het administratiekantoor werkzaam was. Verder heeft verweerder hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over hoe vaak zij is misbruikt en wanneer het misbruik is begonnen. Eiseres heeft deze argumenten van verweerder op zichzelf niet inhoudelijk betwist. Wél heeft eiseres betoogd dat verweerder deze argumenten niet aan haar heeft mogen tegenwerpen, gelet op de informatie die volgt uit het medisch Advies horen en beslissen van het FMMU van 15 oktober 2020, het iMMO-rapport van 11 januari 2023 en het FMO-rapport van 29 augustus 2024.

Het FMMU-advies

In het advies van het FMMU van 15 oktober 2020 is geconcludeerd dat eiseres wel kan worden gehoord, maar dat eiseres moeite heeft met het terughalen en plaatsen van exacte data. Het advies is om haar tijd te geven om de gevraagde informatie terug te halen en te vertellen en om data zo nodig bij benadering uit te vragen.

Het iMMO-rapport

Het iMMO – meer concreet een GZ-psycholoog en geregistreerd profielarts internationale gezondheidszorg en geneeskunde, verbonden aan het iMMO – heeft op verzoek van eiseres op 11 januari 2023 een rapport uitgebracht. Daarin heeft het iMMO antwoord gegeven op de volgende vragen, waarvan de eerste vraag uiteenvalt in drie onderdelen:

(A) “Kan de medische (lichamelijke en/of psychische) problematiek zijn voortgekomen uit het gestelde geweldsrelaas dat ten grondslag ligt aan de asielaanvraag?”

(B) “Was er ten tijde van de eerdere asielgehoren sprake van medische problematiek die interfereert met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren in het kader van de asielaanvraag?”

De vraag (A1) “In welke mate, volgens de gradaties van het Istanbul Protocol, geldt dit voor de lichamelijke problematiek?”, heeft het iMMO als volgt beantwoord. Van de vijf beoordeelde littekens/littekengroepen/huidverkleuringen worden er vier beoordeeld als consistent en één als zeer consistent. Daarnaast wordt de combinatie van gynaecologische klachten, blaasklachten, buikpijnklachten en seksuele klachten beoordeeld als zeer consistent. De hoofdpijnklachten en de pijn aan de voeten worden als consistent beoordeeld.

De vraag (A2) “In welke mate, volgens de gradaties van het Istanbul Protocol, geldt dit voor de psychische problematiek?”, heeft het iMMO, voor zover hier relevant, als volgt beantwoord. In het onderzoek zijn klachten naar voren gekomen die specifiek zijn te relateren aan de door eiseres in haar asielrelaas gestelde geweldservaringen. De inhoud van nachtmerries en herbelevingen, de vermijding om de gestelde vernederende gebeurtenissen te vertellen en eraan te denken, evenals de tijdens het onderzoek waargenomen schaamte waarmee dit gepaard gaat, passen qua aard en inhoud nadrukkelijk bij het gestelde ondergane geweld. Hieraan wordt de IP-gradatie typerend toegekend.

Op de vraag (A3) “Wat is de algehele beoordeling van het totaal van bevindingen volgens de gradaties van het Istanbul Protocol?”, heeft het iMMO geantwoord dat de medische problematiek van eiseres (de lichamelijke en psychische problematiek) gezamenlijk wordt beoordeeld volgens het Istanbul Protocol als typerend voor het gestelde ondergane geweld.

De vraag (B) “Was er ten tijde van de eerdere asielgehoren sprake van medische problematiek die interfereert met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren in het kader van de asielaanvraag?”, heeft het iMMO als volgt beantwoord. Vanuit de medische en juridische gegevens komt naar voren dat de geconstateerde psychische problematiek ten tijde van de gehoren beperkingen heeft gegeven die zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Het iMMO heeft voor een uitgebreide onderbouwing van deze conclusie verwezen naar hoofdstuk 7 van het rapport.

In hoofdstuk 7 van het rapport heeft het iMMO onder andere vermeld dat de schaamte over het seksuele misbruik en de vermijding om erover te praten in het onderzoek duidelijk waarneembaar zijn geweest en dat schaamte een beperkende rol heeft gespeeld tijdens het nader gehoor. Daarnaast heeft het iMMO geconstateerd dat eiseres de indruk maakt van een beneden gemiddelde intelligentie en dat ook dit een beperkende invloed heeft gehad tijdens de gehoren. Daarbij wijst het iMMO erop dat eiseres moeite heeft met het benoemen van data, jaartallen en het inschatten van tijdverloop tussen gebeurtenissen, en dat deze beperkingen ook tijdens het FMMU onderzoek zijn benoemd. De schaamte en de verminderde intellectuele capaciteiten vormen volgens het iMMO ‘uitzonderlijke factoren’. Het iMMO concludeert in hoofdstuk 7 dat de geconstateerde psychische problematiek – zie hoofdstuk 6.2, waarin onder meer melding wordt gemaakt van PTSS-klachten – samen met de schaamte en vermijding om over het seksuele misbruik te praten, alsmede de verminderde intellectuele vermogens van eiseres, beperkingen hebben gegeven die ten tijde van de gehoren zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren.

Het FMO-rapport

Op verzoek van verweerder is er door een forensisch arts van het NFI en een psychiater van het NIFP op 29 augustus 2024 een forensisch medisch onderzoeksrapport (FMO-rapport) uitgebracht over eiseres.

De forensisch arts van het NFI heeft in het FMO-rapport de vraag (A) “In welke mate is sprake van causaliteit tussen fysieke en/of psychische sporen/aandoeningen enerzijds en de wijze van het ontstaan daarvan zoals gesteld in het asielrelaas anderzijds?” als volgt beantwoord. Bij lichamelijk onderzoek werden geen littekens gezien of andere bevindingen gedaan die doorgemaakt seksueel misbruik kunnen objectiveren. Afwezigheid van littekens of ziekelijke posttraumatische afwijkingen kunnen het beschreven doorgemaakte geweld echter niet uitsluiten. De bevindingen bij lichamelijk onderzoek zouden verklaard kunnen worden door de geweldsinwerkingen waarover eiseres heeft verklaard. Andere oorzaken zijn eveneens goed mogelijk.

De psychiater van het NIFP heeft in het FMO-rapport op de vraag (B) “Is er sprake van psychische schade/psychopathologie? Zo ja, in welke mate?” geantwoord dat er bij eiseres momenteel geen psychische stoornis, zoals een psychotische stoornis of een stemmingsstoornis, een angststoornis of een posttraumatische stressstoornis, kan worden vastgesteld. Eiseres lijkt wel alles uit de weg te gaan wat haar aan de traumatische gebeurtenissen doet denken en vertoont ‘alsof gedrag’ om haar klachten en symptomen te verbloemen. Zo beschermt zij zichzelf tegen negatieve emoties. Het evenwicht is echter kwetsbaar en sterk afhankelijk van psychosociale stressfactoren en de beschikbare sociale steun, aldus de psychiater.

De psychiater van het NIFP heeft in het FMO-rapport de vraag (C) “In hoeverre is de psychische schade/psychopathologie voortgekomen uit het gestelde

relaas dat ten grondslag ligt aan het asielverzoek? Tot welke classificatie leidt dit?” als volgt beantwoord. Het onderzoek naar het verband tussen de psychische klachten en symptomen van eiseres en de gestelde traumatische ervaringen uit het asielrelaas is beperkt mogelijk geweest door haar terughoudendheid (vermijding) om haar ervaringen in detail te bespreken. Wel was zij in staat om met behulp van de tolk in haar eigen taal te reflecteren op wat zij heeft meegemaakt in het land van herkomst en wat voor impact dit heeft gehad op haar leven. De aard van haar klachten en symptomen en het wisselende beloop daarvan onder invloed van psychosociale stressfactoren in het verleden alsook zelfwaarderingsproblemen zijn passend bij psychische traumatisering. De causale relatie tussen de psychiatrische bevindingen en de gestelde ervaringen uit het asielrelaas betreffende de bestraffing tijdens de militaire training in Wi’a en het seksuele geweld (verkrachtingen) wordt geïnterpreteerd als consistent tot zeer consistent. Wegens bovengenoemde beperking van het onderzoek kan een sterker verband (‘typerend’) niet worden aangetoond noch uitgesloten.

Wat heeft verweerder in het bestreden besluit met deze rapporten gedaan?

Verweerder heeft in het bestreden besluit de conclusies uit het FMMU-rapport, het iMMO-rapport en het FMO-rapport weergegeven en op basis daarvan zelf als conclusie in het bestreden besluit vermeld dat het niet is uitgesloten dat er een causaal verband is tussen de verklaringen van eiseres en haar psychische klachten. Daar is het echter bij gebleven. Verweerder heeft in het bestreden besluit nagelaten om verder in te gaan op deze rapporten, en dan vooral het iMMO-rapport en het FMO-rapport, en om te motiveren wat deze rapporten betekenen voor het vermogen van eiseres om te verklaren en voor de geloofwaardigheid van de door eiseres afgelegde verklaringen. De rechtbank legt hierna uit wat verweerder op zijn minst had moeten motiveren naar aanleiding van die rapporten.

Verweerder heeft aan eiseres diverse tegenwerpingen gedaan die te maken hebben met data, chronologie en tijdsverloop tussen gebeurtenissen. Zo heeft verweerder tegengeworpen dat eiseres ongerijmd heeft verklaard over de leeftijd waarop zij gestopt is met school, dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe lang zij de dienstplicht heeft kunnen ontwijken vanaf het moment dat zij van school ging, dat eiseres vaag en onduidelijk heeft verklaard over wanneer zij haar eerste oproep voor de dienstplicht heeft ontvangen en wanneer zij op het administratiekantoor werkzaam was alsmede dat eiseres wisselend heeft verklaard over wanneer het misbruik begon. In het bestreden besluit heeft verweerder, in reactie op het standpunt van eiseres in de zienswijze dat zij niet goed kan verklaren over data, gesteld dat het eiseres niet wordt aangerekend dat zij geen exacte data kan benoemen, maar wel dat zij data niet bij benadering kan noemen en ook dat zij niet consistent kan verklaren over of het misbruik is gestart vóór of ná een belangrijke gebeurtenis. Dit standpunt van verweerder is in lijn met het FMMU-rapport, waarin staat dat eiseres moeite heeft met het terughalen en plaatsen van exacte data en waarin wordt geadviseerd om data zo nodig bij benadering uit te vragen. Het iMMO-rapport gaat naar het oordeel van de rechtbank op dit punt echter een stap verder dan het FMMU-rapport. In het iMMO-rapport is vermeld dat tijdens het onderzoek naar voren is gekomen dat eiseres nauwelijks chronologie kan aanhouden, geen data en jaartallen kan benoemen en moeilijk het tijdsverloop tussen gebeurtenissen kan inschatten, hetgeen het iMMO mede toeschrijft aan de beperkte intellectuele en cognitieve vermogens van eiseres (p. 21 en 32). Verweerder is echter niet (kenbaar) inhoudelijk ingegaan op (de betekenis van) deze bevindingen van het iMMO. Dit had naar het oordeel van de rechtbank wel gemoeten, nu die bevindingen zonder meer relevant zijn voor de beantwoording van de vraag in hoeverre eiseres moet worden geacht te kunnen verklaren over data, chronologie en tijdsverloop.

Uit de beantwoording van de A-vragen in het iMMO-rapport blijkt verder dat het iMMO het causaal verband tussen eiseres’ lichamelijke problematiek en de gestelde geweldsincidenten in het asielrelaas heeft gekwalificeerd als consistent tot zeer consistent en het causaal verband tussen eiseres’ psychische problematiek en de gestelde geweldsincidenten in het asielrelaas heeft gekwalificeerd als typerend. Uit de beantwoording van de C-vraag in het FMO-rapport blijkt dat de psychiater van het NIFP het causaal verband tussen de psychiatrische bevindingen en de gestelde geweldsincidenten in het asielrelaas heeft gekwalificeerd als consistent tot zeer consistent. Verweerder is in het bestreden besluit echter in het geheel niet inhoudelijk ingegaan op (de betekenis van) deze conclusies in het iMMO-rapport en het FMO-rapport. Dit had naar het oordeel van de rechtbank wel gemoeten, nu deze conclusies kunnen bijdragen aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres.

Uit de beantwoording van de B-vraag in het iMMO-rapport blijkt voorts dat de bij eiseres geconstateerde psychische problematiek samen met de schaamte en vermijding om over het seksuele misbruik te praten, alsmede de verminderde intellectuele vermogens van eiseres, volgens het iMMO beperkingen geven die ten tijde van de gehoren zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Ook op (de betekenis van) deze conclusie is verweerder in het bestreden besluit in het geheel niet inhoudelijk ingegaan. Dit had naar het oordeel van de rechtbank wel gemoeten. De rechtbank merkt hierbij op dat zij bekend is met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1472, over de werkwijze van het iMMO. In deze uitspraak heeft de Afdeling, mede op basis van de bevindingen van een onafhankelijke deskundige, geoordeeld dat het iMMO bij de beantwoording van de B-vraag in het rapport onvoldoende inzichtelijk had gemaakt dat de daarin opgenomen conclusie gebaseerd is op een op de individuele vreemdeling toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. Wat van deze Afdelingsuitspraak ook zij, verweerder heeft in het bestreden besluit niet gesteld, laat staan gemotiveerd, dat het antwoord op de B-vraag in het op eiseres betrekking hebbende iMMO-rapport is gebaseerd op een onvoldoende op eiseres toegespitste beoordeling. Het innemen van een dergelijk standpunt ligt naar het oordeel van de rechtbank overigens in deze zaak ook niet in de rede, aangezien het iMMO bij de beantwoording van de B-vraag juist uitgebreid is ingegaan op de situatie van eiseres en het iMMO het antwoord op de B-vraag niet enkel heeft gebaseerd op de bij eiseres geconstateerde PTSS-klachten maar ook op de bij eiseres vastgestelde ‘uitzonderlijke factoren’ van schaamte en beperkte intellectuele capaciteiten.

Nu verweerder heeft nagelaten om inhoudelijk op (de betekenis van) voormelde bevindingen en conclusies in het iMMO-rapport en het FMO-rapport in te gaan, heeft verweerder zich in het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld (a) dat hij bij zijn geloofwaardigheidsbeoordeling is uitgegaan van gerechtvaardigde verwachtingen omtrent het verklaringsvermogen van eiseres en (b) dat de desertie van eiseres als gevolg van het misbruik door haar leidinggevende tijdens de dienstplicht ongeloofwaardig is. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt.

Illegale uitreis

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn standpunt dat de illegale uitreis van eiseres ongeloofwaardig is onder andere heeft gebaseerd op zijn standpunt dat de desertie van eiseres ongeloofwaardig is. Volgens verweerder is er namelijk geen noodzaak tot illegale uitreis als eiseres niet gedeserteerd is. Zoals uit het voorgaande volgt, heeft verweerder zich onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat ongeloofwaardig is dat eiseres gedeserteerd is. Reeds daarom heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende gemotiveerd dat de illegale uitreis van eiseres ongeloofwaardig is. Verweerder stelt immers zelf dat er een onlosmakelijk verband is tussen de beide asielmotieven van eiseres. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gelet op het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet hierop en op wat er hierna over de wijze van geschilbeslechting is overwogen, laat de rechtbank hetgeen meer of overigens door eiseres is aangevoerd onbesproken.

9. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder de hiervoor geconstateerde gebreken in het bestreden besluit niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het (vooralsnog) aan verweerder is en blijft om het asielrelaas op geloofwaardigheid te beoordelen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, omdat dit, gelet op de aard van de gebreken en de wijze waarop die moeten worden hersteld, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van deze uitspraak (meer specifiek de overwegingen 6.5. tot en met 6.6. over het betrekken van het iMMO-rapport en het FMO-rapport), een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken. Tenzij verweerder bij het nieuw te nemen besluit de asielaanvraag inwilligt, geeft de rechtbank verweerder mee om eerst een nieuw voornemen uit te brengen, waarop eiseres met een zienswijze kan reageren, alvorens het nieuwe besluit te nemen.

Proceskosten

10. Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

11. Eiseres heeft verder verzocht om verweerder te veroordelen in de kosten van het iMMO-rapport.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380, komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Hieruit vloeit voort dat niet is vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke beslissing.

Naar het oordeel van de rechtbank komen de kosten van het iMMO-rapport voor vergoeding in aanmerking. Eiseres heeft dit rapport namelijk redelijkerwijs kunnen laten opstellen om te onderbouwen dat het standpunt van verweerder dat haar asielrelaas ongeloofwaardig is, geen stand kan houden (vgl. de Afdelingsuitspraak van 16 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:996). De rechtbank is verder van oordeel dat de kosten voor het opstellen van het iMMO-rapport, te weten: een bedrag van € 5.460,-, redelijk zijn. De rechtbank wijst ter vergelijking op de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5526, van zittingsplaats Utrecht van 10 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6923, en van zittingsplaats Haarlem van 3 november 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:12118, waaruit blijkt dat dit destijds de gebruikelijke kosten waren voor het opstellen van een iMMO-rapport.

Gelet op het voorgaande dient verweerder de kosten van het iMMO-rapport ter hoogte van een bedrag van € 5.460,- aan eiseres te vergoeden. Van overige kosten van het iMMO die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

12. Verweerder moet dus in totaal een bedrag van (€ 1.868,- + € 5.460,- =) € 7.328,- aan proceskosten aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.A. Groeneveld

Griffier

  • mr. W. Roozeboom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?