ECLI:NL:RBDHA:2026:6887

ECLI:NL:RBDHA:2026:6887

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-03-2026
Datum publicatie 27-03-2026
Zaaknummer NL26.10617
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, vervolgberoep, gronden van de maatregel en lichter middel, zicht op uitzetting en voortvarend handelen, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.10617

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 26 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft op 6 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 4 maart 2026.

Overwegingen

Inleiding

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 januari 2026 (in de zaak NL26.2960) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 26 januari 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 26 januari 2026 tot 6 februari 2026.

Gronden van de maatregel en lichter middel

3. Eiser voert aan dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen en dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd.

4. De rechtbank merkt op dat deze (niet onderbouwde) beroepsgronden eerder zijn aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 28 januari 2026. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverweging 2.1 van deze uitspraak. De stelling dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen, ligt in het vervolgberoep niet ter toetsing voor. De gronden van de maatregel zijn al getoetst in de uitspraak van 14 oktober 2025 op het eerste beroep van eiser (NL25.47149). Datzelfde geldt voor de vraag of verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft geen wijzingen in feiten of omstandigheden naar voren gebracht zodat de rechtbank daarover nu niet anders oordeelt. Deze beroepsgronden slagen niet.

Zicht op uitzetting en voortvarend handelen

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen zicht is op uitzetting binnen afzienbare tijd en dat verweerder niet voortvarend handelt. Hiertoe voert hij aan dat de laissez-passer (lp) al op 4 februari 2026 is verstrekt en dat hij op 12 februari 2026 heeft aangegeven mee te werken aan zowel zijn uitzetting als aan een Strafonderbreking-regeling (SOB-regeling). Daarnaast blijkt uit de stukken dat verweerder op 26 februari 2026 een vlucht heeft aangevraagd, maar is het onduidelijk wanneer eiser daadwerkelijk zal vertrekken. Gezien de meewerkende houding van eiser duurt zijn uitzetting te lang, aldus eiser.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld. Uit de voortgangsrapportage volgt dat verweerder in de te beoordelen periode – die loopt van 26 januari 2026 tot 6 februari 2026 – op 29 januari 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten in verband met de op 30 september 2025 ingediende lp-aanvraag. De lp is op 4 februari 2026 door de Marokkaanse autoriteiten afgegeven, zodat er zicht is op uitzetting. Verder blijkt uit het dossier dat verweerder op 3 februari 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Op 6 februari 2026 is de vreemdelingenbewaring van eiser opgeheven wegens een aan hem opgelegd strafrechtelijk vonnis. Wat er daarna is gebeurd, kan de bewaringsrechter niet meenemen in haar oordeel. Ook is sprake van zicht op uitzetting in het algemeen naar Marokko (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219). Eiser heeft niet gesteld of onderbouwd dat dit in zijn geval anders was. Deze beroepsgronden slagen niet.

Ambtshalve toetsing

7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van

Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858),

gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te

toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond

voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van

sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het

arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de

bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement

en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk

artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de

bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander

voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet

gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich

verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.C. Harting

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?