RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.476
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 15 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 30 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 7 januari 2026.
Overwegingen
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 januari 2026 (in de zaak NL25.63018) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 29 december 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 29 december 2025 tot 30 december 2025.
3. Eiser voert aan dat niet kenbaar is wat de feitelijke en juridische grond(en) zijn geweest voor het besluit om de maatregel van bewaring op te heffen en dat verweerder hiermee heeft gehandeld in strijd met het Unierecht. Hierbij wijst eiser op het arrest Mahdi van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, r.o. 44, 45 en 46), waaruit volgens hem volgt dat het besluit opgave moet doen van de feitelijke en juridische gronden. Eiser betoogt verder dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het verbod op willekeur, omdat volgens hem vanaf 20 oktober 2025 al vaststond dat er geen zicht op uitzetting is en eiser wel degelijk heeft meegewerkt aan de verwijderingsprocedure.
4. De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige beroep de te toetsen periode enkel de periode beslaat van 29 december 2025 tot 30 december 2025. Dat de maatregel tot 29 december 2025 rechtmatig heeft voortgeduurd, is een gegeven.
5. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:232, dat de opheffing van een maatregel van bewaring moet worden aangemerkt als een feitelijke handeling, waar een vreemdeling in een (eerste) beroep of vervolgberoep tegen kan opkomen. De motiveringsvereisten als bedoeld in het arrest Mahdi gelden niet voor een feitelijke handeling waarbij de maatregel van bewaring wordt opgeheven. Het arrest Mahdi heeft, zoals ook volgt uit de door eiser zelf aangehaalde overwegingen, betrekking op besluiten tot het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel zoals de maatregel van bewaring en op besluiten tot verlenging daarvan. Het voorgaande neemt niet weg dat van verweerder mag worden verlangd dat hij inzicht geeft in de redenen voor opheffing van een maatregel van bewaring. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dat in dit geval ook voldoende gedaan. Daartoe wordt overwogen dat in de M113, bezien in samenhang met de voorgangsrapportage van 30 december 2025 is uiteengezet dat de bewaring van eiser op 30 december 2025 is opgeheven vanwege een belangenafweging, waarbij de duur van de bewaringsmaatregel is betrokken en ook de omstandigheid dat de lp-aanvraag bij de Nigeriaanse autoriteiten was afgesloten omdat na presentatie van eiser er geen aantoonbaar bewijs was dat eiser afkomstig is uit Nigeria.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is er ook geen sprake van strijd met het verbod van willekeur. Een belangenafweging vergt maatwerk, en valt eerder in het voordeel van eiser uit naarmate de maatregel langer voortduurt. Het laten voortduren en het opheffen van de maatregel op 30 december 2025 was niet arbitrair. Verweerder heeft blijk gegeven van een kenbare motivering die de rechtbank ook kan volgen.
7. De beroepsgronden slagen niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 29 december 2025 tot het moment van opheffing ervan op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.