RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12875
geboren op [geboortedatum] ,
van Oezbeekse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
1. Bij besluit van 27 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vwopgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister (mr. K.J. Diender). De rechtbank heeft een aanvang gemaakt met horen, maar omdat eiser de aanwezige tolk in de Russische taal niet kon verstaan heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst.
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op de zitting van 27 maart 2026, met behulp van telehoren, hervat. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Ook is een tolk in de Oezbeekse taal verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Onrechtmatigheid eerdere maatregel
4. Op 26 februari 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw opgelegd. Blijkens het daarop betrekking hebbende dossier is de maatregel van bewaring op 27 februari 2026 opgeheven, omdat de grondslag van artikel 59b Vw van meet af aan onjuist is geweest. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2025 volgt dat de verplichting om de onrechtmatigheid van een eerdere maatregel te betrekken bij de beoordeling van een opvolgende maatregel niet automatisch betekent dat deze laatste maatregel ook onrechtmatig is. De onrechtmatigheid van een eerdere maatregel kan wel doorwerken als het gebrek een ernstige schending oplevert van het aan de vreemdeling toekomende recht om in vrijheid te worden gesteld wanneer de bewaring onrechtmatig is.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een ernstige schending van het recht om in vrijheid te worden gesteld. Zo heeft Afdeling in de hiervoor onder 4. genoemde uitspraak overwogen dat een periode van drie dagen, waarin een vreemdeling ten onrechte op de onjuiste grondslag in vreemdelingenbewaring is gehouden, geen ernstige schending van het recht oplevert van het aan de vreemdeling toekomende recht om in vrijheid te worden gesteld. De rechtbank stelt vast dat eiser slechts één dag op een verkeerde grondslag in bewaring heeft gezeten.
Voortraject
5. Eiser voert aan dat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling geen informatiefolder in de Oezbeekse taal uitgereikt heeft gekregen. De vertegenwoordiger van de minister heeft desgevraagd aangegeven dat er geen informatiefolder in de Oezbeekse beschikbaar is en dat eiser daarom een versie in de Engelse taal heeft ontvangen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de informatieplicht heeft geschonden. De Afdeling heeft bij uitspraak van 15 november 2023 geoordeeld dat een vreemdeling schriftelijk, in een taal die de vreemdeling verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat, op de hoogte wordt gebracht van de redenen van bewaring en van de in het nationale recht vastgestelde procedures om de maatregel van bewaring aan te vechten. De rechtbank stelt vast dat de minister dat in onderhavige procedure niet heeft gedaan. Er is dan wel een informatiefolder in de Engelse taal uitgereikt, maar eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling aangegeven een beetje Engels te kunnen lezen en dat hij dit aan het leren is via zijn telefoon. De rechtbank acht dit onvoldoende voor de conclusie dat in redelijkerwijs kan worden aangenomen dat eiser de Engelse taal verstaat. Daarbij komt dat de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak dateert van 15 november 2023 en dat daarom mag worden verwacht dat de minister inmiddels ook een informatiefolder in de Oezbeekse taal beschikbaar heeft.
Het niet voldoen aan de informatieplicht maakt de maatregel van bewaring echter pas onrechtmatig als de met de bewaring te dienen belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Dat eiser niet schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte is gesteld van de redenen van bewaring, betekent niet dat hij niet wist waarom hij in bewaring is gesteld. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is met behulp van een tolk in de Oezbeekse taal met eiser gesproken over de redenen waarom hij mogelijk in bewaring zal worden gesteld. Eiser heeft na de oplegging van de maatregel van bewaring met behulp van een advocaat beroep hiertegen ingesteld. Eiser heeft dus ook gebruik kunnen maken van zijn procedurele rechten. Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het gebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank zal de minister wel veroordelen in de proceskosten.
Grondslag
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Eiser heeft op 16 januari 2026 een C-visum voor Spanje gekregen, die geldig was tot 13 februari 2026. Op 4 maart 2026 heeft Spanje het claimverzoek van Nederland geaccepteerd.
Gronden
7. De zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Ten tijde van de inbewaringstelling bestond er dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond daarom niet om de overdracht van eiser te verzekeren. Dat eiser heeft verklaard naar Spanje overgedragen te willen worden doet hieraan niet af.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
9. De rechtbank stelt vast dat ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat de minister voortvarend werkt aan de overdracht van eiser. Ook ontbreekt zicht op overdracht naar Spanje niet, nu ter zitting is gebleken dat eiser op 1 april 2026 zal worden overgedragen aan Spanje.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Gelet op het geconstateerde gebrek in het voortraject is er aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.