RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser,
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.14119
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B.A. Palm) en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister. (gemachtigde: H. Toonders).
Procesverloop
De minister heeft op 8 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Inzicht in de uitzettingsinspanningen
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 januari 2026 (in de zaak: NL25.62068) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van
belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser stelt dat er onvoldoende inzicht bestaat in de voortgang van de uitzettingsinspanningen door de minister. Omdat eiser al vier maanden in bewaring zit, had een belangenafweging moeten worden gemaakt, waarbij de minister verplicht is om het voortduren van de maatregel te toetsen aan artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. Daarbij had een actuele toetsing aan het non-refoulementbeginsel moeten plaatsvinden. Ook bestaat volgens eiser geen concreet zicht op uitzetting.
5. Uit de voortgangsrapportage van 16 maart 2026 blijkt dat de minister sinds de uitspraak van 6 januari 2026 voor het verkrijgen van een laissez-passer (lp) diverse keren heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, laatstelijk op 12 maart 2026. Hiernaast heeft de minister vertrekgesprekken met eiser gevoerd, laatstelijk op 17 februari 2026. De beroepsgrond slaagt niet.
Actuele toetsing aan de Terugkeerrichtlijn
6. Eiser voert aan dat de minister verplicht is om het voortduren van de maatregel te toetsen aan artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn1 en dat de minister de refoulementsbeoordeling steeds moet actualiseren. Uit de met eiser gevoerde vertrekgesprekken is de rechtbank echter niet gebleken dat in dit verband sprake is van gewijzigde feiten en/of omstandigheden sinds het opleggen van de maatregel. Evenmin blijken dergelijke feiten en/of omstandigheden uit de aangevoerde beroepsgronden.
Zicht op uitzetting
7. Ten slotte overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak het zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet ontbreekt.2 De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat dit in het geval van eiser anders is. De Algerijnse autoriteiten hebben vooralsnog niet aangegeven de identiteit en nationaliteit van eiser niet te kunnen bevestigen. Verder is de minister afhankelijk van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten en de tijd die zij nodig hebben voor het onderzoek.
Ambtshalve toetsing
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. Zie hiervoor: Richtlijn 2008/115/EG.
2 Zie hiervoor de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 maart 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.