RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser,
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.123
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Derksen) en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R. Hopman).
Procesverloop
Bij besluit van 13 oktober 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 oktober 20251 is het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De bovenstaande maatregel van bewaring is op 3 november 2025 opgeheven. Bij besluit van dezelfde datum heeft de minister aansluitend aan eiser een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op 2 januari 2026 een kennisgeving gestuurd. In
deze kennisgeving is vermeld dat deze is verzonden, omdat een termijn van 75 dagen is verstreken zonder dat door of namens de vreemdeling beroep is ingesteld tegen de bewaring. Deze kennisgeving moet worden gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep tegen de bewaring en een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 9 januari 2026 de op 3 november 2025 opgelegde maatregel van bewaring opgeheven en schadevergoeding aangeboden. Eiser heeft aangegeven het beroep te handhaven. De minister heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2007.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag
1. NL25.50037
worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig zijn geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers, een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank is van oordeel dat in een situatie zoals hier aan de orde, waarin van de minister een kennisgeving wordt ontvangen ten aanzien van het voortduren van een maatregel van bewaring terwijl uit het dossier blijkt dat deze maatregel is opgeheven en er een nieuwe maatregel van bewaring is opgelegd waartegen nog geen beroep is ingesteld en de termijn van 28 dagen in artikel 94, eerste lid, van de Vw is verstreken, die kennisgeving ook moet worden aangemerkt als een beroep tegen die nieuwe maatregel van bewaring. Dat zou zijn vereist dat eerst een separaat beroep of kennisgeving ten aanzien van die nieuwe maatregel is ontvangen voordat de bewaring door de rechtbank kan worden beoordeeld, verhoudt zich niet met dat de bewaringsmaatregel een ernstige inmenging is in het recht op vrijheid. De door de minister verzonden kennisgeving dient daarom naar het oordeel van de rechtbank te worden gelijkgesteld met zowel een (volg)beroep tegen de maatregel van 13 oktober 2025, als een (eerste) beroep tegen de maatregel van 3 november 2025.
De maatregel van 13 oktober 2025
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 oktober 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (21 oktober 2025) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de op 13 oktober 2025 opgelegde maatregel van bewaring slechts de periode van belang vanaf het moment van het sluiten van dat onderzoek tot aan de opheffing van die maatregel op 3 november 2025. Gesteld noch gebleken is dat deze maatregel op enig moment in die periode onrechtmatig is geweest. Het daartegen ingestelde beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
De maatregel van 3 november 2025
5. Eiser stelt dat (in eerste instantie) niet uit het dossier kon worden opgemaakt op grond van welke maatregel van bewaring en op basis van welke rechtsgrond eiser in bewaring werd gehouden. De maatregel van bewaring in het dossier ontbrak en evenmin bleek uit het dossier dat de maatregel aan eiser is uitgereikt en hij toegang had tot rechtsbijstand. Het beroep is na opheffing en ontvangst van nadere stukken gehandhaafd, omdat er geen beoordeling heeft plaatsgevonden van de maatregel van 3 november 2025. Niet is vastgesteld dat deze rechtmatig is opgelegd en deze beoordeling ligt volgens eiser ook niet voor. Er bestaat daarom recht op schadevergoeding vanaf 3 november 2025, aldus eiser.
6. Allereerst overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar wat hiervoor onder 3 is overwogen, dat anders dan eiser stelt de maatregel van 3 november 2025 wel ter beoordeling voorligt.
7. Verder constateert de rechtbank dat uit de door de minister overgelegde stukken volgt dat eiser op 31 oktober 2025 asiel heeft aangevraagd, dat eiser is gehoord voorafgaand aan de maatregel van 3 november 2025 en dat eisers gemachtigde op de hoogte was van de omzetting. De rechtbank zijn verder ter zake van de oplegging van de nieuwe maatregel van bewaring geen onrechtmatigheden gebleken.
8. De maatregel van bewaring van 3 november 2025 is een nieuwe maatregel van bewaring en kan niet worden aangemerkt als een voortzetting van de eerder opgelegde maatregel.2 Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw moet de minister uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een bewaringsmaatregel de rechtbank hiervan in kennis stellen, tenzij de vreemdeling daarvoor zelf beroep heeft ingesteld.
9. De maatregel van bewaring is aan eiser opgelegd op 3 november 2025. Nu hiertegen geen beroep is ingesteld, moest de minister op basis van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 uiterlijk op 30 november 2025 de rechtbank hiervan in kennis stellen. De minister heeft dit niet gedaan. Dit betekent dat de maatregel vanaf 1 december 2025 onrechtmatig is geworden3 en eiser vanaf die datum tot aan de opheffing van de maatregel op 9 januari 2026 recht heeft op schadevergoeding.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen het voortduren van de bewaring op grond van de maatregel van 13 oktober 2025 is ongegrond. Het beroep tegen de maatregel van 3 november 2025 is gegrond. Nu de bewaring van eiser al is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven.
11. De rechtbank acht gronden aanwezig om eiser een schadevergoeding toe te kennen voor de periode van 1 december 2025 tot en met 9 januari 2026. Dit komt neer op 40 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsnemende maatregel: 40 x
€ 120,-.4 Dit komt neer op een totaalbedrag van € 4.800,-.
12. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor 1).
2 Zie ECLI:NL:RVS:2016:949, r.o. 4.2.
3 Zie o.m. ECLI:NL:RVS:2022:980, r.o. 2
4 De normbedragen voor schadevergoeding bij onrechtmatige vreemdelingenbewaring zijn per 1 januari 2026 verhoogd.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 04 maart 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak op het beroep tegen het voortduren van de bewaring op grond van de maatregel van 13 oktober 2025 staan geen rechtsmiddelen open. Tegen de uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring van 3 november 2025 kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.