RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10618
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
Procesverloop
Bij het besluit van 25 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Turkmeense nationaliteit. Hij heeft op 26 september 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiging van Roemenië in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 4 juni 2025 tot 2 augustus 2025. Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening heeft Nederland aan Roemenië een verzoek om overname gedaan. Op 20 november 2025 hebben de Roemeense autoriteiten het verzoek aanvaard.
3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en doet een beroep op artikel 10 van de Dublinverordening. Hij voert daartoe aan dat zijn partner een gezinslid is in de zin van artikel 2g van deze verordening. Tussen hem en zijn partner is verder wel degelijk sprake van een duurzame relatie. Eiser en zijn partner zijn in augustus 2024 een relatie aangegaan en hebben deze willen formaliseren door in Turkmenistan te trouwen. Dat dit huwelijk door omstandigheden buiten hun schuld niet is voltrokken, doet volgens eiser niet af aan de duurzaamheid van de relatie. Daarbij wijst eiser op het islamitisch huwelijkscontract, de gezamenlijke registratie in Ter Apel, inschrijving op hetzelfde adres, foto's, onderlinge financiële transacties. Verweerder heeft ook ten onrechte doorslaggevend geacht dat de relatie niet reeds in het land van herkomst bestond en dat zij verschillende reisroutes hebben afgelegd. De relatie heeft een bestendig en reëel karakter en verweerder heeft de overgelegde stukken en verklaringen onvoldoende kenbaar meegewogen. Verweerder heeft zijn beroep op artikel 10 van de Dublinverordening dan ook ten onrechte afgewezen en onvoldoende gemotiveerd. Ook heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Er is wel degelijk sprake van een bijzondere situatie die maakt dat overdracht aan Roemenië van onevenredige hardheid getuigt. In dit verband wijst eiser op de door hem en zijn partner doorgemaakte gebeurtenissen, waaronder de problemen rondom het voorgenomen huwelijk, de vlucht uit Turkmenistan en het verlies van hun ongeboren kind. Verweerder heeft deze omstandigheden onvoldoende in samenhang beoordeeld.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Ingevolge artikel 10 van de Dublinverordening is, wanneer een gezinslid van een verzoeker in een lidstaat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover in eerste aanleg nog geen beslissing ten gronde is genomen, deze lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, mits de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen.
5. Volgens artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening valt onder de definitie van gezinsleden niet-gehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden en deze relatie reeds bestond in het land van herkomst.
6. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is met een door Roemenië verstrekt Schengenvisum het grondgebied van de lidstaten ingereisd. Eiser en zijn gestelde partner zijn niet gezamenlijk Nederland ingereisd. Volgens eisers verklaringen is de relatie in augustus 2024 in Nederland ontstaan. Beiden hebben in Nederland een asielaanvraag ingediend en staan sinds 26 september 2025 op hetzelfde adres ingeschreven. Daarnaast hebben zij schriftelijk verklaard samen in Nederland te willen verblijven.
7. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van eiser en zijn partner niet gesproken kan worden van een gezinslid in de zin van de Dublinverordening. Uit de verklaring van eiser volgt immers dat de relatie eerst in augustus 2024 in Nederland is ontstaan. Daarmee bestond de relatie niet reeds in het land van herkomst, zoals vereist in de Dublinverordening. Van een door de Dublinverordening beschermde gezinsband is dan ook geen sprake. De door eiser overgelegde stukken, waaronder het islamitisch huwelijkscontract, foto's, overboekingen en de inschrijving op hetzelfde adres, leiden niet tot een ander oordeel.
8. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening mag verweerder asielaanvragen onverplicht aan zich trekken. Een dergelijke discretionaire bepaling toetst de rechtbank terughoudend. Verweerder maakt van deze bevoegdheid onder meer gebruik in het geval van bijzondere, individuele omstandigheden die getuigen van onevenredige hardheid. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om zijn asielaanvraag met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Zoals uit overweging 7 blijkt heeft eiser de gestelde gezinsband tussen hem en zijn gestelde partner niet aannemelijk gemaakt. Uit de omstandigheid dat eiser en zijn partner sinds augustus 2024 een relatie hebben, op hetzelfde adres staan ingeschreven en een religieus huwelijk zijn aangegaan en het nodige hebben meegemaakt, heeft verweerder niet hoeven aan te merken als zodanige bijzondere of individuele omstandigheden die ertoe leiden dat een overdracht getuigt van onevenredige hardheid. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat deze relatie in Nederland is ontstaan , Verweerder heeft op goede gronden kunnen overwegen dat de Dublinverordening niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een partner in Nederland kan worden gekregen.
9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.