ECLI:NL:RBDHA:2026:7132

ECLI:NL:RBDHA:2026:7132

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer NL25.53043
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Opvolgende BNT, mvv nareis, gegrond, nadere beslistermijn vier weken na gelegenheid herstel verzuim.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.53043

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. A. Khalaf),

en

Procesverloop

Eiser heeft op 12 februari 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis van [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] .

Dit beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats op 19 maart 2025 gegrond verklaard en daarbij is verweerder opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van die uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Indien binnen die termijn wordt besloten dat nader onderzoek moet plaatsvinden en dat aan eiser schriftelijk is meegedeeld, dan moet het besluit binnen twintig weken na de dag van verzending van die uitspraak bekend worden gemaakt. (ECLI:NL:RBDHA:2025:4530)

Eiser heeft vervolgens op 29 oktober 2025 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de door hem ingediende aanvraag.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van het beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het overgelegde formulier is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen.

2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken, in beginsel een ingebrekestelling is vereist in het geval dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit (voor de eerste keer) beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter. Uit deze jurisprudentie volgt ook dat wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich niet aan deze termijn houdt, een nieuwe ingebrekestelling niet is vereist.

3. In haar uitspraak van 19 maart 2025, bekendgemaakt op diezelfde dag, heeft de rechtbank het eerste beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Indien binnen die termijn wordt besloten dat nader onderzoek moet plaatsvinden en dat aan eiser schriftelijk is meegedeeld, dan moet het besluit binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak bekend worden gemaakt. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000.

4. Eiser heeft het tweede beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag ingesteld op 29 oktober 2025. Verweerder heeft nog altijd geen besluit genomen op de aanvragen. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is.

5. De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde beslistermijn van twee weken waarbinnen verweerder een besluit bekend dient te maken. Verweerder heeft namelijk in zijn verweerschrift toegelicht dat hij eiser per brief van 11 maart 2026 in de gelegenheid heeft gesteld om zijn aanvraag compleet te maken en dat eiser op 16 maart 2026 om uitstel heeft gevraagd voor het aanleveren van de gevraagde informatie. Verweerder heeft dit uitstel verleend, tot 8 april 2026. Daarmee rekening houdend, acht de rechtbank een nadere beslistermijn van vier weken, te rekenen vanaf 8 april 2026, redelijk. Dat betekent dat verweerder uiterlijk op 6 mei 2026 een besluit moet nemen. Daarmee wordt recht gedaan aan het belang van verweerder om een zorgvuldige beslissing te nemen en aan het belang van eiser om zo spoedig mogelijk een beslissing te krijgen.

6. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 200 aan eiser verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. De rechtbank merkt in dat verband op dat uit de eerder aan verweerder opgelegde dwangsom vooralsnog een onvoldoende prikkel is gebleken, nu een besluit op de aanvraag is uitgebleven.

7. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

 draagt verweerder op om uiterlijk op 6 mei 2026 een besluit op de aanvraag bekend te maken;

 bepaalt dat verweerder wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag aan eiser een dwangsom van € 200 (tweehonderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro);

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 27 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.L. Weerkamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?