ECLI:NL:RBDHA:2026:7137

ECLI:NL:RBDHA:2026:7137

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-03-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer NL23.31101
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Uitspraak van de meervoudige kamer over onder meer de algemene veiligheidssituatie in Syrië. Eiser is afkomstig uit Syrië. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen. Verweerder vindt dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Verweerder vindt ook dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank oordeelt dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom de laagste gradatie van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, in Syrië van toepassing is. Het beroep is dus gegrond. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op de asielaanvraag van eiser.

Uitspraak

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. Wouters),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. M. van Kersbergen en mr. N.N. Bontje).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) en tegen het besluit van 27 mei 2024 (het bestreden besluit). Bij dat besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond en bepaald dat eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) of uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw krijgt. Het bestreden besluit geldt ook als een terugkeerbesluit. Eiser moet terugkeren naar Syrië.

Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft op 24 juni 2024 beroepsgronden ingediend.

Het beroep zou op 17 juni 2025 op de zitting van de enkelvoudige kamer worden behandeld. Voorafgaand aan deze zitting heeft verweerder verzocht om de behandeling van het beroep aan te houden, omdat het Algemeen Ambtsbericht Syrië 2025 (AA Syrië 2025) recent was uitgebracht en de beleidsbeslissingen die daaruit zouden voortvloeien nog werden voorbereid. Eiser heeft zich niet tegen het verzoek verzet. De rechtbank heeft het verzoek toegewezen.

Bij brief van 4 juli 2025 heeft verweerder, desgevraagd, zijn standpunt kenbaar gemaakt over de actuele veiligheidssituatie in Syrië en de gevolgen daarvan voor deze zaak. Eiser heeft hiertegen op 8 september 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend.

De rechtbank heeft het beroep eerst op 18 september 2025 op de zitting van de enkelvoudige kamer behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder, mr. M. van Kersbergen, deelgenomen. Na deze zitting heeft de rechtbank besloten om het onderzoek te heropenen en de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer.

Verweerder heeft op 1 december 2025 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 11 december 2025 op de zitting van de meervoudige kamer behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 2] als tolk en de gemachtigde van verweerder, mr. N.N. Bontje, deelgenomen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven omdat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom de laagste gradatie van willekeurig geweld in Syrië van toepassing is. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op de asielaanvraag van eiser. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Overwegingen

2. De rechtbank geeft hierna allereerst een beschrijving van het asielrelaas van eiser en het daarop gebaseerde bestreden besluit. Vervolgens beoordeelt de rechtbank de aangevoerde beroepsgronden. Daarna volgen de conclusie en de beslissing.

Het asielrelaas van eiser

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1979 en heeft de Syrische nationaliteit. Op 28 april 2022 heeft hij zijn asielaanvraag ingediend.

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is van 1998 tot 2000 in militaire dienst geweest in Syrië. Hierna is hij naar Saudi-Arabië gegaan. Eiser heeft daar van 2001 tot 2022 gewoond en gewerkt. In deze periode is hij drie keer teruggekeerd naar Syrië: in 2006, 2009 en 2022. Zijn laatste bezoek aan Syrië was van begin januari 2022 tot en met eind februari 2022. Hierna is hij naar Saoedi-Arabië teruggegaan en vanuit daar is hij in april 2022 vertrokken naar Nederland. Tijdens zijn laatste terugkeer naar Syrië is hij meerdere keren gecontroleerd en afgeperst bij controleposten. Eiser is Syrië ontvlucht vanwege de algemene veiligheidssituatie daar. Bij terugkeer naar Syrië vreest hij voor de reservistendienst. Verder vreest hij gevaar te lopen vanwege zijn herkomst uit Homs (de wijk Al Qarabis). Ook vreest eiser gevaar te lopen vanwege de slechte algemene veiligheidssituatie in Syrië.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. eiser heeft de militaire dienst vervuld.

Verweerder heeft beide relevante elementen geloofwaardig geacht, maar deze elementen leiden volgens verweerder niet tot de conclusie dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of dat eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade. Eisers herkomst uit Syrië is hiertoe op zichzelf niet genoeg en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft te vrezen voor vervolging vanwege ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging. Eiser heeft volgens verweerder ook niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft te vrezen voor de reservistendienst of vanwege zijn herkomst uit Homs (de wijk Al Qarabis).

Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.

De beroepsgronden van eiser

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Eiser vindt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn vrees voor de reservistendienst en vanwege zijn herkomst uit Homs (de wijk Al Qarabis). Eiser wijst er in dat kader op dat Homs door de autoriteiten wordt gekoppeld aan de oppositie en daarom onder strikte controle van de autoriteiten staat. Daarnaast vindt eiser dat de door hem aangedragen feiten en omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen door verweerder bij de beoordeling van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens eiser werpt verweerder hem ten onrechte tegen dat hij Syrië eerder zonder problemen zou zijn in- en uitgereisd. Eiser heeft namelijk slechts kunnen reizen door omkoping en het gebruikmaken van tussenpersonen. Bovendien maakt een terugreis met behulp van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en/of de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) volgens eiser juist dat hij meer in de belangstelling van de autoriteiten zal komen te staan. Volgens eiser werpt verweerder hem ook ten onrechte tegen dat hij eerder naar Homs is teruggekeerd en toen geen problemen zou hebben ervaren, aangezien het nu gaat om terugkeer na een langdurig verblijf in een westers land.

Het oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank stelt voorop dat het haar taak is om de rechtmatigheid van het bestreden besluit te beoordelen aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden. Dit geldt ook in asielzaken waarin de algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst sinds dat besluit sterk is veranderd. Tegelijkertijd geldt voor asielzaken, op grond van artikelen 83 en 83a van de Vw, dat de toetsing van de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek omvat en dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening moet houden met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd en met beleidswijzigingen die na het bestreden besluit zijn bekendgemaakt.

Met inachtneming van het voorgaande ziet de toetsing van de rechtbank er in deze zaak als volgt uit. Nadat de rechtbank is ingegaan op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit (overwegingen 6.2 tot en met 6.4), beoordeelt zij eerst de rechtmatigheid van het bestreden besluit aan de hand van de feiten en omstandigheden op het moment van het nemen van dat besluit (overwegingen 6.5 tot en met 6.11). Daarna bespreekt de rechtbank de huidige algemene veiligheidssituatie in Syrië en toetst zij het standpunt van verweerder dat er in Syrië sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld (overwegingen 6.12 tot en met 6.17). Tot slot beantwoordt de rechtbank de vraag of het nieuwe asielmotief dat door eiser tijdens het beroep is ingebracht in deze beroepsfase moet worden beoordeeld (overwegingen 6.17 tot en met 6.20).

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit

Eiser heeft verweerder op 1 augustus 2023 in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op zijn op 28 april 2022 ingediende asielaanvraag. Op 29 september 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Op 27 mei 2024 heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser ook betrekking op het bestreden besluit, nu de asielaanvraag van eiser daarbij is afgewezen en verweerder dus niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep.

Omdat verweerder alsnog op de asielaanvraag van eiser heeft beslist, heeft eiser geen belang meer bij een uitspraak op het beroep voor zover dat gericht is tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

De rechtbank ziet wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in dit verband heeft moeten maken. Eiser heeft de ingebrekestelling na het verstrijken van de beslistermijn van zes maanden en vóór de inwerkingtreding van het vertrek- en besluitmoratorium voor Syrië (op 11 december 2024) ingediend. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser een geldige ingebrekestelling heeft ingediend. Verweerder heeft vervolgens niet binnen twee weken een besluit genomen, waarna eiser beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingesteld. Pas (maanden) daarna heeft verweerder een besluit genomen. Dit betekent dat het beroep niet zonder reden was ingesteld, hetgeen een vergoeding van de proceskosten rechtvaardigt. In overweging 7.3 gaat de rechtbank nader in op de hoogte van die proceskosten.

Vrees voor de reservistendienst

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Syrië, ten tijde van het bestreden besluit, te vrezen had voor de reservistendienst. Eiser heeft verklaard dat hij slechts één keer is opgeroepen, aan het begin van de oorlog, en dat hij inmiddels de leeftijd voor dienstplicht is gepasseerd. Uit zijn verklaringen blijkt verder niet dat hij tijdens zijn eerdere dienstplicht specifieke expertise heeft opgebouwd of dat hij actief is benaderd over of gedwongen is tot het vervullen van de reservistendienst, bijvoorbeeld tijdens zijn eerdere reisbewegingen naar Syrië. De rechtbank volgt verweerder daarom in zijn conclusie dat niet is gebleken dat eiser ten tijde van het bestreden besluit nog verplicht was tot het vervullen van de reservistendienst of dat hij over bijzondere kwalificaties beschikt die alsnog tot zo’n verplichting zouden kunnen leiden. Overigens heeft verweerder in beroep gewezen op recente informatie uit openbare bronnen waaruit blijkt dat personen die werden gezocht voor de reservistendienst thans geen problemen zullen ondervinden en dat de (reservisten)dienstplicht inmiddels is afgeschaft. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.

Vrees vanwege herkomst uit Homs

Ook heeft verweerder zich in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Syrië, ten tijde van het bestreden besluit, te vrezen had voor vervolging of ernstige schade vanwege zijn herkomst uit Homs (de wijk Al Qarabis). Ter onderbouwing van deze vrees heeft eiser in beroep opnieuw verwezen naar eerder overgelegde artikelen, maar verweerder heeft terecht gesteld dat uit die artikelen niet blijkt dat personen uit Homs (de wijk Al Qarabis) vanwege hun herkomst worden vervolgd, gediscrimineerd of benadeeld op een manier als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico lopen op ernstige schade. Deze artikelen onderbouwen op zichzelf een dergelijk risico niet. Daarnaast is gebleken dat eiser tijdens zijn eerdere reisbewegingen naar Syrië, waarbij hij ook in Homs is geweest, geen problemen heeft ondervonden. Hij heeft zonder problemen – door tussenkomst van zijn broer – zelf een nieuw paspoort aangevraagd en het land kunnen in- en uitreizen. Hoewel zijn paspoort tijdens die reisbewegingen meerdere keren is gecontroleerd en hem is gevraagd waar hij vandaan kwam, en eiser dus meerdere keren in (direct) contact met de autoriteiten heeft gestaan, heeft dit niet tot problemen geleid vanwege zijn herkomst uit Homs. De rechtbank volgt verweerder daarom in zijn conclusie dat niet is gebleken dat eiser ten tijde van het bestreden besluit te vrezen had voor vervolging of ernstige schade vanwege zijn herkomst uit Homs (de wijk Al Qarabis). De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.

Reëel risico op ernstige schade als vanuit het buitenland terugkerende Syriër

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser, als vanuit het buitenland terugkerende Syriër, bij of na terugkeer naar Syrië, ten tijde van het bestreden besluit, een reëel risico liep op ernstige schade. De rechtbank legt dit hierna uit.

Volgens het landenbeleid voor Syrië dat gold ten tijde van het bestreden besluit (paragraaf C7/33.4.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)) werd aangenomen dat iemand uit Syrië bij of na terugkeer vanuit het buitenland in beginsel een reëel risico liep op ernstige schade en daarom in aanmerking kwam voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. In dit beleid stond ook dat dit algemene uitgangspunt niet gold als de vreemdeling een actieve aanhanger van het regime was, of als uit de individuele feiten en omstandigheden bleek dat de vreemdeling bij of na terugkeer naar Syrië geen risico (meer) liep op ernstige schade. Dat was met name het geval wanneer de vreemdeling na een eerder vertrek weer was teruggekeerd naar Syrië. Dit beleid is goedgekeurd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3175) en is als zodanig niet in geschil tussen partijen. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of uit het asielrelaas van eiser blijkt van individuele feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat hij geen risico op ernstige schade liep bij terugkeer naar Syrië.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle door eiser genoemde individuele feiten en omstandigheden heeft betrokken bij de beoordeling van het terugkeerrisico en dat hij zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser, als terugkeerder vanuit het buitenland, bij of na terugkeer naar Syrië, ten tijde van het bestreden besluit, een reëel risico liep op ernstige schade. Uit de verklaringen van eiser blijkt namelijk, als gezegd, dat hij zonder problemen – door tussenkomst van zijn broer – een nieuw paspoort heeft aangevraagd en dat hij Syrië eerder legaal en zonder problemen is in- en uitgereisd, voor het laatst in 2022. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij heeft betaald voor zijn vervoer tijdens deze reis, maar verweerder heeft terecht gesteld dat het betalen voor vervoer en voor het soepel laten verlopen van een reis vaker voorkomt in Syrië en past binnen de algemene situatie in het land, en dat dit daarom niet wijst op een reëel risico op ernstige schade voor eiser persoonlijk. Verweerder heeft in dit kader ook terecht gesteld dat eisers stelling, dat hij niet persoonlijk is gecontroleerd en geen contact heeft gehad met de autoriteiten, niet strookt met zijn verklaringen tijdens de gehoren (p. 13 AG en p. 4 NG). Eiser heeft tijdens de gehoren namelijk verklaard dat hij zijn paspoort persoonlijk moest tonen bij grenscontroles en dat bij andere controles de buschauffeur zijn paspoort liet zien. Hoe dan ook mocht verweerder hieruit concluderen dat eiser in het zicht van de autoriteiten Syrië is in-, uit- en doorgereisd, zonder daarbij problemen te hebben ondervonden. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt daarom niet.

De rechtbank merkt nog op dat eiser zijn stelling dat het risico op ernstige schade bij terugkeer ten tijde van het bestreden besluit groter is dan bij zijn terugkeer in 2022 omdat hij dan terugkeert na een langer verblijf in een westers land, en met behulp van de DT&V en/of de IOM, onvoldoende heeft onderbouwd. Deze stelling treft reeds hierom geen doel.

Tussenconclusie

Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden die eiser tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd geen aanleiding geven tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit.

De huidige algemene veiligheidssituatie in Syrië

Verweerder heeft in een brief van 4 juli 2025 uitgelegd dat uit het AA Syrië 2025 en de kamerbrief ‘Landenbeleid Syrië’ van 10 juni 2025 blijkt dat de algemene situatie in Syrië redelijk is verbeterd. Volgens verweerder is de belangrijkste oorzaak van onveiligheid, het Assad-regime, verdwenen na de val ervan op 8 december 2024 en kan het uitgangspunt dat vanuit het buitenland terugkerende Syriërs bij terugkeer een reëel risico lopen op ernstige schade daarom worden losgelaten. Verweerder gaat wel uit van “een relatief lager niveau van willekeurig geweld”. Dit betekent dat een vreemdeling aannemelijk moet maken dat hij door persoonlijke omstandigheden een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat heeft eiser niet gedaan. Volgens verweerder leidt de gewijzigde algemene situatie daarom niet alsnog tot een inwilliging van de asielaanvraag van eiser.

Eiser heeft vervolgens op 8 september 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend. Hij stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd heeft geconcludeerd dat er een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan de orde is. Volgens hem heeft verweerder bij zijn beoordeling onvoldoende rekening gehouden met de (slechte) humanitaire situatie in Syrië. Eiser wijst in dat kader op het AA Syrië 2025 en de brief van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) van 12 augustus 2025. Volgens eiser is terugkeer naar Homs in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden omdat het daar nog zeer onveilig is door toegenomen geweld en criminaliteit.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift van 1 december 2025 en tijdens de zitting van 11 december 2025 op het standpunt gesteld dat hij terecht uitgaat van “de laagste gradatie van willekeurig geweld”.

Naar aanleiding van het AA Syrië 2025, van mei 2025, heeft verweerder op 17 juni 2025 het landenbeleid voor Syrië aangepast. Daarin staat nu, voor zover hier van belang, dat verweerder voor heel Syrië aanneemt dat sprake is van ‘een relatief lager niveau van willekeurig geweld’ (paragraaf C7/33.4.2. van de Vc). De rechtbank toetst hierna dit beleid, dat op grond van artikelen 83 en 83a van de Vw onderdeel van deze beroepsprocedure is geworden. De uitkomst van deze toetsing is dat verweerders beleid op dit punt – de beoordeling van de mate van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn) – niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en deugdelijke motivering. Dit legt de rechtbank hierna uit.

Voor de verschillende gradaties van willekeurig geweld die vallen binnen het bereik van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en de criteria die verweerder gebruikt voor de beoordeling daarvan wordt verwezen naar paragraaf C2/3.3.3.1. (en verder) van de Vc. De Afdeling is in haar uitspraken van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154) nader ingegaan op de feiten en omstandigheden (hierna: factoren) die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dit zijn:

de algemene veiligheidssituatie;

de regionale spreiding van het geweld;

de gerichtheid van het geweld en het risico op willekeurige burgerslachtoffers;

de veiligheidsstructuur;

het gebied van terugkeer;

de ontheemdensituatie;

de humanitaire omstandigheden.

Alvorens in te gaan op (enkele van) voormelde factoren overweegt de rechtbank eerst het volgende. Het AA Syrië 2025 gaat over de eerste periode na de val van het Assad-regime en beslaat de periode van 27 november 2024 tot en met april 2025. Dit betreft een (zeer) korte verslagperiode. Deze periode wordt bovendien gekenmerkt door een zeer grote mate van onduidelijkheid en onzekerheid, omdat er sprake is van een nieuwe situatie na een 13 jaar durende burgeroorlog. In het AA Syrië 2025 wordt de veiligheidssituatie gedurende de gehele verslagperiode beschreven als ‘volatiel’ (p. 38) en ook uit andere openbare bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie na de val van het Assad-regime fragiel en onduidelijk is. Wat wél duidelijk is, is dat het in Syrië niet ineens veilig is geworden. In het AA Syrië 2025 staat dat er nog steeds sprake is van verschillende, actieve gewapende conflicten in het land. In de brief van VWN van 12 augustus 2025 wordt gesproken van “een ernstige humanitaire crisis” en uit het door verweerder overgelegde EUAA-rapport van december 2025 volgt onder meer dat een stabiele machtsstructuur voor heel Syrië ontbreekt, dat er sprake is van buitenlandse militaire inmenging en dat er sprake is van interne gewapende conflicten. Uit het AA Syrië 2025 volgt verder dat de veiligheidssituatie in Syrië in de verslagperiode, naast volatiel, in hoge mate gefragmenteerd was, wat betekent dat de geweldsniveaus fluctueerden en het beeld van de veiligheidssituatie per gebied (in de steden zelfs per wijk) en per week kon verschillen.

Over de factor ‘algemene veiligheidssituatie’ overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder diende de hiervoor beschreven zeer grote mate van onduidelijkheid en onzekerheid rondom de veiligheidssituatie in Syrië te betrekken bij en te verdisconteren in zijn vaststelling van de ‘15c-gradatie’. Dat heeft verweerder niet (kenbaar) gedaan. In de brief ‘Landenbeleid Syrië’ van 10 juni 2025 wordt weliswaar een opmerking gemaakt met de strekking dat zal moeten worden bezien hoe de situatie zich verder zal ontwikkelen, maar niet is gebleken dat verweerder de ‘onzekerheidsfactor’ daadwerkelijk heeft betrokken bij en verdisconteerd in zijn vaststelling van de ‘15c-gradatie’. De rechtbank merkt in dit verband op dat een vaststelling dat sprake is van de ‘laagste gradatie van 15c’ in het algemeen niet zonder meer past bij een veiligheidssituatie in een land dat net een jarenlange burgeroorlog achter de rug heeft en die wordt gekenmerkt door een zeer grote mate van onduidelijkheid en onzekerheid. De rechtbank wijst er in dit verband verder nog op dat verweerder in de brief ‘Landenbeleid Syrië’ heeft vermeld dat hij nog geen herbeoordelingen ten aanzien van Syrische statushouders zal gaan verrichten, omdat hij de situatie in Syrië nog niet bestendig genoeg vindt. Hoewel de rechtbank weet dat er voor herbeoordelingen een ander juridisch kader geldt dan voor beoordelingen van asielaanvragen, is zij van oordeel dat een vaststelling dat er sprake is van de ‘laagste gradatie van 15c’ in het algemeen niet zonder meer rijmt met een gedragslijn die inhoudt dat niet wordt overgegaan tot herbeoordelingen om de reden dat de veiligheidssituatie te onbestendig is.

Over de factoren ‘algemene veiligheidssituatie’ en ‘veiligheidsstructuur’ overweegt de rechtbank (aanvullend) als volgt. Verweerder diende ook de hiervoor beschreven hoge mate van fragmentatie en de per gebied (en zelfs per wijk) variërende veiligheidssituatie bij zijn ‘15c-beoordeling’ te betrekken. Dat heeft verweerder op zichzelf gedaan. In de ‘15c-bijlage’ bij de brief ‘Landenbeleid Syrië’ heeft verweerder per regio vermeld wat voor soort geweldsincidenten er daar hebben plaatsgevonden, hoeveel doden er daarbij zijn gevallen en hoe de veiligheidsstructuur daar was. Daaruit blijkt dat het beeld per regio flink verschilt. Ter vergelijking wijst de rechtbank op de verschillen tussen Damascus (waar de door HTS-geleide autoriteiten zijn gevestigd) en Homs (de regio waar eiser vandaan komt). Terwijl volgens de ‘15c-bijlage’ in Damascus geen veiligheidsincidenten plaatsvonden, er sprake was van enige veiligheidsstructuur en het aantal doden 23 (in Q4) en 26 (in Q1) betrof, was er in Homs sprake van talloze veiligheidsincidenten, een gebrek aan veiligheidsstructuur en 43 (Q4) en 93 (in Q1) doden. Gelet op deze flinke verschillen per regio – de verschillen tussen sommige andere regio’s zijn nog groter – diende verweerder op zijn minst te motiveren waarom hij in zijn ‘15c-beleid’ geen onderscheid heeft gemaakt per regio maar heeft gekozen voor één ‘15c-gradatie’ voor heel Syrië. Een dergelijke motivering heeft verweerder in het geheel niet (kenbaar) gegeven. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat ook de humanitaire omstandigheden per regio flink verschillen. Op de factor ‘humanitaire omstandigheden’ gaat de rechtbank verderop in deze uitspraak nader in.

Wat betreft de factor ‘gerichtheid van het geweld en het risico op willekeurige burgerslachtoffers’ volgt uit het AA Syrië 2025 en de brief van VWN dat burgers blijvend gevaar lopen door landmijnen, niet-ontplofte granaten en munitie. In de ‘15c-bijlage’ staat dat verspreid over heel Syrië ontplofbare oorlogsrechten, waaronder mijnen en niet-gesprongen munitie, “een aanhoudende, ernstige bedreiging voor het leven van burgers” vormen. Hoewel verweerder dus heeft onderkend dat hierin een groot veiligheidsrisico is gelegen, heeft hij niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre hij dit risico heeft betrokken en gewogen bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld.

Wat betreft de factor ‘ontheemdensituatie’ overweegt de rechtbank dat verweerder niet kenbaar het aantal ontheemden bij zijn ‘15c-beoordeling’ heeft betrokken. In de ‘15c-bijlage’ is weliswaar per regio een ‘kolom’ opgenomen waarin het aantal ontheemden kon worden vermeld, maar verweerder heeft de aantallen ontheemden per regio daarin niet vermeld. Dat geldt overigens ook voor het aantal gewonden. Slechts het aantal doden is vermeld en betrokken.

Wat betreft de factor ‘humanitaire situatie’ overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt zich op het standpunt, zo begrijpt de rechtbank, dat uit de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat de humanitaire omstandigheden niet worden meegewogen in de beoordeling van de mate van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, als die een gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor, in dit geval het regime van Assad, die partij was in een gewapend conflict maar inmiddels van het toneel is verdwenen. Datzelfde geldt volgens verweerder voor zover de humanitaire situatie het gevolg is van een inmiddels geëindigd gewapend conflict, (voormalige) economische sancties tegen het oude regime of de nalatigheid van het oude regime om voor haar bevolking te zorgen. In die situaties vloeien de humanitaire omstandigheden volgens verweerder niet voort uit het handelen of nalaten van een actor die partij is bij een actief gewapend conflict en daarom vallen die omstandigheden buiten het toepassingsbereik van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

De rechtbank begrijpt deze uitspraken van de Afdeling anders, namelijk dat niet alleen de humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een gewapend conflict moeten worden betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Alleen als (slechte) humanitaire omstandigheden niet in verband staan met het willekeurig geweld, zijn deze in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet relevant. De rechtbank volgt verweerder daarom niet in zijn standpunt.

Eiser heeft gewezen op de brief van VWN waarin, als gezegd, staat dat Syrië in “een ernstige humanitaire crisis” verkeert. Basisbehoeften zoals voedsel, water, elektriciteit, huisvesting en zorg ontbreken voor een groot deel van de bevolking. De Syrische bevolking is afhankelijk van humanitaire hulp om in hun basisbehoeften te voorzien. Mede daardoor lopen de spanningen tussen ontheemden en achterblijvers toe. Verder blijkt uit het AA Syrië 2025 dat de ernst van de humanitaire situatie in Syrië ten tijde van en na de val van Assad groter is dan tijdens de oorlog. Meer dan 90% van de bevolking leeft onder de armoedegrens en volgens cijfers van Unicef leden meer dan 500.000 kinderen onder de vijf jaar aan levensbedreigende ondervoeding. Deze zeer slechte humanitaire situatie is het directe of indirecte gevolg van het gewapende conflict in Syrië, waarin het (inmiddels verdwenen) Assad-regime als actor een groot aandeel heeft gehad en dat overigens, zij het in andere verhoudingen, nog steeds aan de gang is. Gelet op wat er hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze humanitaire omstandigheden had moeten betrekken bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld. Dat heeft verweerder ten onrechte niet gedaan.

Dit alles leidt tot de conclusie dat verweerders beleid in paragraaf C7/33.4.2. van de Vc, dat er in heel Syrië sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld, niet is gebaseerd op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering.

De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt.

De beoordeling van het nieuwe asielmotief dat door eiser tijdens het beroep is ingebracht

Aan het einde van de zitting van 18 september 2025 heeft de gemachtigde van eiser opgemerkt dat de vrouw van eiser van Alawitische afkomst is en dat dit volgens eiser de reden is dat zij na de val van het Assad-regime met het gezin naar Libanon is gevlucht. Dit is toen niet verder toegelicht. Tijdens de zitting van 11 december 2025 is dit punt nader besproken, mede omdat verweerder in het verweerschrift heeft aangegeven dat er in en rond Homs nog af en toe gewelddadige incidenten plaatsvinden die vaak gericht zijn tegen Alawieten. Tijdens de zitting is namens eiser aangegeven dat hij de achtergrond van zijn vrouw niet eerder heeft genoemd omdat hier tijdens de gehoren niet naar is gevraagd. Volgens eiser is deze omstandigheid wel van belang voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. Eiser heeft aangegeven dat hij wil meewerken aan een aanvullend gehoor hierover. Namens verweerder is het standpunt ingenomen dat dit nieuwe asielmotief onvoldoende aanleiding geeft voor een aanvullend gehoor.

Op grond van artikel 83, eerste en derde lid, van de Vw moet de rechtbank rekening houden met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit naar voren zijn gebracht, zolang dit niet in strijd is met de goede procesorde en de behandeling van de zaak daardoor niet onaanvaardbaar wordt vertraagd. Uit het arrest Ahmedbekova en Ahmedbekov van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2018 (ECLI:EU:C:2018:801) volgt dat de rechtbank alleen verplicht is een in beroep ingebracht asielmotief te betrekken als dit volgens de nationale procedureregels tijdig is ingebracht en voldoende concreet is. De Afdeling heeft dit bevestigd en geoordeeld dat een nieuw asielmotief alleen hoeft te worden meegenomen als het in beroep goed kan worden onderzocht (zie de uitspraak van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2073). Daarbij is onder meer van belang of er voldoende feitelijke gegevens beschikbaar zijn, waarom het asielmotief pas in beroep is ingebracht, in welke procedure de zaak is afgedaan, hoeveel onderzoek dit van verweerder vergt en of het asielmotief wezenlijk verschilt van het eerder beoordeelde asielmotief.

De rechtbank overweegt dat het niet mogelijk is om het nieuwe asielmotief in beroep te beoordelen, zonder dat dit leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de beroepsfase in deze zaak. De rechtbank beschikt thans over onvoldoende feitelijke gegevens om dit asielmotief in deze uitspraak te kunnen beoordelen en dat komt vooral door eisers eigen toedoen. Het nieuwe asielmotief is pas voor het eerst genoemd tijdens de zitting van 18 september 2025 en pas tijdens de zitting van 11 december 2025 verder toegelicht, terwijl het AA Syrië 2025 al van mei 2025 dateert en eiser hierna nog aanvullende beroepsgronden heeft ingediend, waarin hij dit asielmotief niet heeft genoemd. Tot aan de zitting van 11 december 2025 heeft eiser ook niet om een aanvullend gehoor verzocht. Het nieuwe asielmotief kan echter niet worden beoordeeld zonder een gehoor met eiser, waarin hij dit asielmotief verder kan en moet toelichten en onderbouwen. Gelet op wat er hiervoor is overwogen over de handelwijze van eiser, ziet de rechtbank, mede gezien de tijd en zorgvuldigheid die daarvoor nodig zijn, geen aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden en verweerder op te dragen binnen het bestek van deze beroepsprocedure een gehoor met eiser te houden over dit nieuwe asielmotief. Ook om praktische redenen bestaat hiervoor geen aanleiding. Zoals hierna wordt uitgelegd zal verweerder een nieuw besluit moeten nemen en daarin zal verweerder het nieuwe asielmotief moeten meenemen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit, gelet op wat hiervoor is overwogen. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen omdat het, achteraf bezien, in strijd is gekomen met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat de hiervoor geconstateerde gebreken niet in de beroepsfase door verweerder zijn hersteld. Verweerder heeft weliswaar in deze zaak op 4 juli 2025 een brief overgelegd waarin hij een standpunt heeft ingenomen over de actuele veiligheidssituatie in Syrië, maar dat standpunt betreft in de kern een verwijzing naar het nieuwe landenbeleid, waaraan het AA Syrië 2025 ten grondslag ligt. De rechtbank heeft overwogen dat de in het kader van het beleid verrichte beoordeling van het niveau van willekeurig geweld onvolledig is, omdat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden daarbij heeft betrokken. De rechtbank stelt dus vast dat de motivering die verweerder met zijn brief van 4 juli 2025 heeft gegeven rechtbank er niet toe kan leiden dat de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten. Hetzelfde geldt voor het verweerschrift en verweerders toelichtingen op de zittingen, omdat ook die in grote mate zijn gebaseerd op het ontoereikend gemotiveerde landenbeleid.

De rechtbank kan ook niet zelf in de zaak voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit, gelet op de aard van de gebreken, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. Verweerder dient een nieuwe, deugdelijk gemotiveerde, beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te verrichten aan de hand van alle relevante en actuele omstandigheden in Syrië. Mocht deze beoordeling niet leiden tot de vaststelling dat er in Syrië sprake is een ‘uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld’ maar tot een vaststelling dat er sprake is van een lagere ‘gradatie van 15c’, dan dient verweerder in het nieuw te nemen besluit op basis van eisers individuele omstandigheden te beoordelen of hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Zoals hiervoor is overwogen dient verweerder ook eisers nieuwe asielmotief over de Alawitische afkomst van zijn vrouw bij zijn nieuw te nemen besluit te betrekken. De rechtbank geeft verweerder een termijn van 16 weken voor het nieuw te nemen besluit.

De rechtbank oordeelt dat verweerder de proceskosten moet betalen die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.736,00 (0,5 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag, 1 punt voor het indienen van de beroepsgronden tegen het bestreden besluit, 0,5 punt voor het indienen van de aanvullende beroepsgronden, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 18 september 2025 en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 11 december 2025, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser;

- verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit;

- vernietigt het bestreden besluit;

- geeft verweerder de opdracht om binnen een termijn van 16 weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.736,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, voorzitter, en mr. C.E. Bos en mr. F.A. Groeneveld, leden, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u de behandeling van het hoger beroep niet kunt afwachten omdat de zaak spoed heeft, dan kunt u de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R. van der Wal
  • mr. C.E. Bos
  • mr. F.A. Groeneveld

Griffier

  • mr. S. Feijtel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?