RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24204
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
(gemachtigde: mr. S.J.R.R. Brock).
Procesverloop
Bij het besluit van 13 maart 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een mvv voor het doel ‘Verblijf als familie-of gezinslid’ bij [referent] (referent) afgewezen.
Bij het besluit van 19 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder is referent verschenen.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2001 en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Eiseres beoogt verblijf bij haar echtgenoot [referent] (referent). Op 15 augustus 2024 heeft referent de mvv-aanvraag ten behoeve van eiseres ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een mvv ongegrond verklaard. Verweerder stelt dat niet wordt voldaan aan het middelenvereiste. Het inkomen dat referent genereert uit arbeid als zelfstandige is niet duurzaam. De onderneming van referent is feitelijk gestart op 1 juli 2024. Referent voldoet op het moment van het bestreden besluit niet aan de eis dat hij anderhalf jaar boven de toepasselijke norm verdient. Verweerder heeft geen resttoets uitgevoerd omdat eiseres geen gegevens of bescheiden heeft overgelegd waaruit volgt dat deze toets wel uitgevoerd had moeten worden. Daarnaast is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat afgeweken wordt van de beleidsregels. De stellingen van eiseres die zij in het kader van artikel 8 van het EVRM aanvoert zijn niet onderbouwd. De belangenafweging die verweerder verricht in de zin van artikel 8 van het EVRM valt nog steeds in het nadeel van eiseres uit. Verweerder heeft tot slot afgezien van het horen in bezwaar.
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Verweerder overweegt ten onrechte dat niet wordt voldaan aan het middelenvereiste. Referent heeft met de loonstroken en jaaropgaven aangetoond dat hij de afgelopen jaren geen beroep heeft gedaan op de bijstand. Uit de gegevens over de onderneming is op te maken dat zijn inkomen voldoende, zelfstandig en duurzaam is. Verweerder had rekening moeten houden met alle omstandigheden van het geval. De individuele toets had bij verweerder moeten leiden tot het oordeel dat voldaan is aan het middelenvereiste. Het besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Voorts is er sprake van gezinsleven tussen eiseres en referent. Zij beroepen zich op de gezinsherenigingsrichtlijn. Uit de omstandigheden volgt dat het economisch welzijn van de Nederlandse staat niet in gevaar is. Het gezinsleven kan niet in het land van herkomst worden uitgevoerd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Op grond van artikel 3.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een verblijfsvergunning verleend indien de vreemdeling, of in dit geval de referent, duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a, van het Vb.
6. Op grond van artikel 3.20, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) zijn middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige eerst duurzaam, indien zij gedurende ten minste anderhalf jaar zijn verworven en nog een jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.
Middelenvereiste
7. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat referent niet aan het middelenvereiste voldoet. Het inkomen van referent is namelijk niet duurzaam. Eiser is zijn onderneming feitelijk gestart op 1 juli 2024. Referent heeft door middel van de ‘verklaring zelfstandig ondernemer’ van 17 april 2025 niet aangetoond dat hij over een periode van achttien maanden op moment van ontvangst van de aanvraag of ten tijde van het bestreden besluit beschikt over (voldoende) middelen van bestaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat door eiseres geen concrete omstandigheden zijn aangevoerd die maken dat referent via een resttoets alsnog aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan het middelenvereiste voldoet.
Belangenafweging
8. De rechtbank toetst de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM vol ten aanzien van de vraag of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in de belangenafweging. Wanneer alle feiten en omstandigheden door verweerder zijn meegewogen, wordt beoordeeld of de uitkomst van deze belangenafweging getuigt van een fair balance tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij het uitoefenen van familie- en gezinsleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse staat bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. Dit aspect wordt enigszins terughoudend getoetst.
9. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de belangenafweging alle relevante feiten en omstandigheden meegewogen. Verweerder heeft in het voordeel van eiseres overwogen dat referent een asielvergunning heeft gehad voordat hij de Nederlandse nationaliteit kreeg en eiseres verblijft in Uganda als erkend vluchteling uit Eritrea. Er is daarom sprake van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen. Echter stelt verweerder dat eiseres en referent het gezinsleven in Uganda zouden kunnen uitoefenen, hetgeen door eiseres niet is betwist. Verweerder heeft in het nadeel van eiseres en referent mogen betrekken dat het in het geval van eiseres gaat om een eerste toelating, omdat zij nooit een verblijfsvergunning heeft gehad in Nederland. Ook heeft verweerder het economisch belang van Nederland niet ten onrechte in het nadeel van eiseres en referent mogen meewegen, omdat referent op het moment van het bestreden besluit niet voldoet aan het inkomensvereiste.
10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder alle feiten en omstandigheden in samenhang bezien en heeft hij voldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat het algemeen belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiseres en referent, zodat geen sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM.
11. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 27 maart 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.