ECLI:NL:RBDHA:2026:7148

ECLI:NL:RBDHA:2026:7148

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer NL25.22877
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

hoorplicht, art. 8 EVRM, beroep gegrond

Uitspraak

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E.M.G. Walraven).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning regulier. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vastgelegde hoorplicht heeft geschonden. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’. Hierbij heeft eiseres verzocht om vrijstelling van het zogenoemde mvv-vereiste, op basis van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 april 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de referent, de gemachtigde van eiseres, I.A. Hofmann als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunten partijen over hoorplicht

3. Eiseres voert aan dat de minister in de bezwaarprocedure niet heeft voldaan aan de in artikel 7:2 van de Awb vastgelegde hoorplicht. Er is geen sprake van een van de situaties genoemd in artikel 7:3 van de Awb, waarin van horen kan worden afgezien. Eiseres heeft in bezwaar verzocht om een hoorzitting. Eiseres wijst erop dat zij in bezwaar nieuwe persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht, nieuwe stukken heeft ingebracht en om een hoorzitting heeft verzocht.

4. De minister stelt zich op het standpunt dat in de bezwaarprocedure mocht worden afgezien van horen, omdat het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond was, als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Het bezwaar van eiseres vormde namelijk een herhaling van zetten. Weliswaar heeft eiseres in bezwaar nieuwe documenten overgelegd, maar die konden haar stellingen niet volledig onderbouwen. Andere stellingen heeft eiseres helemaal niet onderbouwd. Eiseres heeft wel verzocht om een hoorzitting, maar zij heeft onvoldoende toegelicht welk belang zij daarbij had.

Oordeel rechtbank

5. Voor het toetsingskader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022.

6. Het horen is een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure. Met het afzien van horen moet terughoudend worden omgesprongen.

7. Eiseres beroept zich in deze zaak op artikel 8 van het EVRM en de minister heeft in dat kader een belangenafweging verricht. Bij dergelijke zaken ligt horen temeer in de rede.

8. Verder is relevant dat de vreemdeling in bezwaar diverse nieuwe omstandigheden naar voren heeft gebracht, die in haar ogen moeten worden meegewogen in het kader van haar beroep op artikel 8 van het EVRM. Zij heeft namelijk onder meer gesteld dat ze zwanger is, dat haar man psychische problemen heeft en dat ze is geboren in [geboorteplaats] .

9. Daarnaast heeft eiseres in bezwaar nieuwe stukken ingebracht. Ter zitting heeft de minister erkend dat deze documenten niet bij de beoordeling zijn betrokken, omdat ze onleesbaar waren. Hoe de minister dan toch – zonder over leesbare exemplaren te beschikken – tot de conclusie heeft kunnen komen dat een hoorzitting niet nodig was, kan de rechtbank niet volgen. Het houden van een hoorzitting had juist gelegenheid kunnen bieden om alsnog de beschikking te krijgen over leesbare exemplaren.

10. Verder is van betekenis dat de vreemdeling bij het indienen van de bezwaargronden uitdrukkelijk heeft gevraagd om te worden gehoord. Duidelijk is dat zij daarbij ook haar persoonlijke omstandigheden wilde toelichten, die relevant kunnen zijn voor de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM.

11. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de minister eiseres had moeten horen in de bezwaarprocedure. De beroepsgrond slaagt.

12. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Naar aanleiding van wat ter zitting aan de orde is gekomen, acht de rechtbank het aangewezen dat de minister eiseres alsnog hoort en vervolgens een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt. Dit betekent ook dat de rechtbank de overige beroepsgronden van eiseres nu niet zal beoordelen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van 12 weken.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 23 april 2025;

- draagt de minister op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Bootsma, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 18 maart 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J. Janssen

Griffier

  • mr. S.J. Bootsma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?