RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13910
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 19 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het vooronderzoek gesloten op 19 maart 2026.
Overwegingen
Lichter middel
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 februari (in de zaak NL26.3311) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 28 januari. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 28 januari 2026 tot 19 maart 2026.
Zicht op uitzetting en punitief karakter voortduring maatregel
3. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting naar Pakistan in het geval van eiser ontbreekt, omdat eiser enkel aan het wachten is op zijn asielprocedure. Hiermede wordt de vreemdelingenbewaring ervaren als punitieve maatregel en is de vreemdelingenbewaring niet langer gericht op uitzetting binnen redelijke termijn.
4. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat er concreet zicht op uitzetting naar Pakistan bestaat in het geval van eiser. De nationaliteit van eiser is op 28 juli 2025 door de Pakistaanse autoriteiten bevestigd. Daarnaast stelt de rechtbank dat de bewaringsmaatregel tot doel heeft de verwijdering te effectueren. Op het moment dat duidelijk wordt dat dit niet binnen een redelijke termijn gaat lukken, krijgt de voortduring van de bewaringsmaatregel een punitief en dus onrechtmatig karakter. Nu is overwogen dat zicht op uitzetting naar Pakistan in het geval van eiser binnen een redelijke termijn bestaat, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de voortduring van de maatregel op dit moment een punitief karakter heeft. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser voert aan dat verweerder heeft nagelaten een lichter middel toe te passen, zoals plaatsing op het VBL Ter Apel, waardoor de voortgezette vreemdelingenbewaring onrechtmatig is.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht geen lichter middel heeft toegepast. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan waardoor het risico op onttrekking is afgenomen, of waardoor de maatregel onevenredig bezwarend is geworden. De enkele stelling van eiser dat hij bereid is om zich in een asielzoekerscentrum aan een meldplicht te houden is in het licht van voormelde omstandigheden onvoldoende om te oordelen dat verweerder toch een lichter middel had moeten toepassen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.