RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11171
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 26 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.M. Lukomski. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bewaringsgronden
Inspanningsverplichting tijdens strafrechtelijke detentie
3. Eiser is op 26 februari 2026 overgenomen uit strafrechtelijke detentie en in bewaring gesteld, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit de einddatum van zijn strafrechtelijke detentie was. De vraag is of verweerder hiermee bekend was. Dit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet. In het dossier zit een document ‘onmiddellijke invrijheidsstelling (preventief gedetineerde) met als datum invrijheidsstelling 4 februari 2026. Ook zit in het dossier een ‘formulier externe bijzonderheden zaak’ van 17 februari 2026 waarin staat dat eiser op 11 februari 2026 is aangehouden vanwege diefstal en dat eiser thans gedetineerd zit met als voorlopige einddatum detentie 18 april 2026. Verder volgt uit eisers uittreksel justitiële documentatie van 27 februari 2026 dat eiser was gedagvaard voor verschillende vermogensdelicten, gepleegd op 29 augustus 2025. Ook volgt hieruit dat eiser op 4 februari 2026 door de politierechter is veroordeeld tot 7 dagen gevangenisstraf waarvan 4 dagen voorwaardelijk voor diefstal in vereniging, gepleegd op 2 februari 2026. Daarbij is de tenuitvoerlegging van een andere zaak gelast, en de tenuitvoerlegging heeft plaatsgevonden tussen 16 en 26 februari 2026 tezamen met weer een andere straf.
4. Eiser heeft gesteld dat verweerder hiermee in elk geval bekend had kunnen en moeten zijn, omdat hij al langer in het vizier van de vreemdelingenpolitie was en omdat het ging om een snelrechtzitting van 16 februari 2026 waarop een gevangenisstraf van 10 dagen is uitgesproken. De rechtbank ziet ook voor dit standpunt in het dossier onvoldoende aanknopingspunten. Uit eisers uittreksel justitiële documentatie van 27 februari 2026 blijkt weliswaar dat een TUL-zaak ten uitvoer is gelegd tussen 16 en 26 februari 2026, maar niet dat verweerder hiermee bekend was of kon zijn. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat verweerder op 17 februari 2026 kennelijk nog in de veronderstelling was dat sprake was van een voorlopige einddatum van 18 april 2026. Gelet op het aantal verschillende veroordelingen, de feiten waarvoor eiser nog gedagvaard stond en de voorwaardelijke straffen waarvan de tenuitvoerlegging nog kon worden gevorderd, vindt de rechtbank het niet onaannemelijk dat verweerder uitging van een andere datum.
5. De rechtbank gaat daarom mee in verweerders standpunt dat de inspanningsverplichting niet geschonden is omdat verweerder onbekend was met de einddatum van de strafrechtelijke detentie. De beroepsgrond slaagt niet.
6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
7. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden zware gronden 3b en 3c, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bewaringsgronden kunnen daarom onbesproken blijven.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.