ECLI:NL:RBDHA:2026:7191

ECLI:NL:RBDHA:2026:7191

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer 09/335181-24 en 09/239146-25 (ttz. gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling meerdere bedreigingen, dwang en voorhanden hebben van een vuurwapen. Oplegging gevangenisstraf 7 maanden met aftrek van voorarrest en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht met DUT en gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/335181-24 en 09/239146-25 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 31 maart 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige kamer verwezen zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1986 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 17 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Noort en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. C. Crince Le Roy naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 17 maart 2026 – ten laste gelegd dat:

Parketnummer 09/335181-24

1

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 augustus 2024 tot en met 5 november 2024 te Gouda en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of op Curaçao (telkens) [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangeefster] telefonisch, via spraakberichten, via chats en/of in persoon dreigend de woorden toe te voegen:

- ' ik ga jou dood maken he mongool',

- ' ik zweer op alles wat mij lief is he sahbi begin jou hoofd op orde te zetten want ik ga jou dood maken',

- ' je kan mij blokken verwijderen alles doen wat je wilt wollah op de Koran al is het laatste wat ik doe ik maak jou dood ah sahbi als jij serieus zo nu op mij komt',

- ' bericht mij en laat mij weten wanneer dat ding weg is enzo. Je moet dit echt nooit meer van je leven doen. Ga niet mijn leven verpesten. Ga niet mij in een situatie dat ik jou nek moet breken',

- ' [aangeefster] ik ga jou dood slaan he sahbi als je niet met serieuze takkies komt,

- ‘ ik moet hard komen, grof, onverwachts. Ik wil op dat moment, wanneer ik vier punten op me pak, ik wil gewoon de dood in je ogen zien. Je weet toch wanneer ik iemand aanpak en die persoon schrikt zich van hey ik ga dood nu dat wil ik zien ah sahbi wollah’,

- ‘ jou tijd is bijna op',

- ‘ als je geen abortus pleegt dan schiet ik je door je achterhoofd’ en/of

- ‘ als je het lef hebt om deze deur uit te lopen dan schiet ik je van achter in je rug',

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2

hij op of omstreeks 5 november 2024 te Gouda een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gaspistool, van het merk Zoraki, type M906, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, voorhanden heeft gehad.

Parketnummer 09/239146-25

1

hij op of omstreeks 21 juli 2025 te Amsterdam, althans in Nederland [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga je doodslaan vriend, snap je" en/of "En zo ga ik dan ook in de rechtbank zeggen, ik zeg mattie als je niet onder toezichtstelling voor deze chimeid gaat regelen nu. Ik ga haar doodslaan met mijn kanker eigen hand, vroeg of laat", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

2

hij op of omstreeks 30 juli 2025 te Amsterdam, althans in Nederland ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om een ander, te weten [aangeefster] ,

door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of een of meer derden, te weten

voornoemde [aangeefster] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden,

- die [aangeefster] een zogenaamd ouderschapsovereenkomst heeft gegeven en/of

- ( meermaals) heeft aangegeven dat als die [aangeefster] deze niet tekent, hij, verdachte, Jeugdzorg zou bellen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding met parketnummer 09/335181-24 (hierna: dagvaarding I) onder 1 en 2 en het bij dagvaarding met parketnummer 09/239146-25 (hierna: dagvaarding II) onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde en het bij dagvaarding II onder 1 en 2 tenlastegelegde en heeft zich met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Dagvaarding I

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024359038 van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 268).

Feit 1

1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] , opgemaakt op 5 november 2024, voor zover inhoudende (p. 23 tot en met p. 26):

Ik doe aangifte van bedreiging met de dood. Dit is gedaan door [verdachte] . Ik ontdekte dat ik zwanger was. Ik was toen ongeveer 4 weken. Ik deed een zwangerschapstest en toen die positief was, heb ik hem via snap het gelijk verteld. Hij begon mij direct te bedreigen, dit was omstreeks 22 augustus 2024. Ik heb meerder bewijzen hiervan op mijn telefoon. Hij bedreigde mij met de dood. Hij zat op dat moment op Curaçao. Ik ben naar een abortuskliniek gegaan en heb daarbinnen gefilmd. Ik wilde de indruk bij [verdachte] wekken dat ik abortus had gedaan. Ik deed dit, omdat ik hoopte dat de bedreigingen zouden stoppen.

Toen ik 10 weken zwanger was had ik gedaan alsof ik abortus had gedaan. Daarna is het contact minder geworden, we hadden een week geen contact.

Gisteren 04 november 2024, had ik een privé verhaal voor familie en vriendinnen

aangemaakt op snapchat. Ik had samen met mijn andere kinderen een genderreveal film gemaakt voor mijn familie. Ik postte de genderreveal in de verkeerde groep, waardoor de zoon van [artiestennaam] het zag. Hij lichtte zijn vader in, denk ik.

Ik zag dat hij om 22.15 uur stond hij bij mij [adres 2] voor de deur. Ik ben toen in zijn auto gestapt. We kwamen in [plaats] bij zijn huis.

Ik pakte mijn jas en tas ik wilde naar huis hij zei je gaat zitten en je gaat niet weg. Ik hoorde dat hij zei: ‘Als je het lef hebt om deze deur uit te lopen dan schiet ik je vanachter in je rug.’ Ik was als de dood. Ik moest de abortuskliniek bellen. Hij keek naar mijn telefoon wat ik deed, maar ik had al SOS naar mijn vriendin gestuurd. Dat zij de politie moest inschakelen. Ik vreesde op dat moment voor mijn leven.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 november 2024, voor zover inhoudende (p. 33 en p. 34):

Op 5 november 2024 was ik, verbalisant, belast met wijkgerichte inzet in het werkgebied van Gouda. In verband met een incident welke zou plaatsvinden op het adres van de [adres 3] , bevond ik mij in de directe omgeving van dit adres. Ik, verbalisant, had zicht vanaf het Margrietplein op de Hoefbladstraat en de aanliggende straten. Omstreeks 12:30 uur diezelfde dag zag ik een vrouw bij de achterklep van een voertuig staan. Hierop ging ik te voet naar deze vrouw, en vroeg haar naam. Ik hoorde haar zeggen: 'Ik heet [aangeefster] . Ben jij van de politie?'. Ik zag aan het gezicht van de vrouw dat zij een geschrokken indruk op mij maakte. Ik: 'Waar bent u bang voor?' [aangeefster] : 'Ik ben zwanger van hem, nu vier maanden. Hij wilt dat ik abortus ga plegen, en dwingt mij daartoe. Hij heeft tegen mij gezegd dat hij met zijn pistool door mijn achterhoofd zou schieten als ik geen abortus zou plegen. Ik ben echt heel, heel erg bang.'

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 december 2024, voor zover inhoudende (p. 212 tot en met p. 222):

Ik, verbalisant deed onderzoek naar veilig gestelde gegevens afkomstig van een telefoontoestel welke door aangeefster en tevens slachtoffer [aangeefster] was afgegeven voor onderzoek naar aanleiding van haar aangifte.

Ik zag onder 'Media' en vervolgens onder 'Video's' tien videofragmenten. Ik hoorde bij het beluisteren van de audioberichten van tegengebruiker steeds​​​​​​​ dezelfde mannelijke stem. Ik herkende de stem direct als die van artiest [artiestennaam] . Ambtshalve is mij bekend dat de personalia van de artiest [verdachte] betreffen.

Ik bekeek een van de tien fragmenten met het bestandsnaam [bestandsnaam] . Ik herkende de interface van de applicatie welke werd weergeven als die van Snapchat. Ik zag dat er linksboven in het scherm donderdag 22 augustus 18:10 uur stond. Ik zag dat het een chatgesprek betrof met tegengebruiker ' [gebruikersnaam] '. Ik zag dat er meerdere audio berichten waren verstuurd door tegengebruiker.

Videofragment 1​​​​​​​: Ik zag dat daaropvolgend een audiobericht van 11 seconden was verstuurd door tegengebruiker. Ik hoorde het volgende: " Ik ga jou dood maken he mongool."

Videofragment 2: Ik zag dat daaropvolgend een audiobericht van 14 seconden was verstuurd door tegengebruiker. Ik hoorde het volgende: Ik zweer op alles wat mij lief is he sahbi begin jou hoofd op orde te zetten want ik ga jou dood maken."

Videofragment 3: Ik zag dat daaropvolgend een audiobericht van 6 seconden was verstuur door tegengebruiker. Ik hoorde het volgende: "Je kan mij blokken verwijderen alles doen wat je wilt wollah op de Koran al is het laatste wat ik doe ik maak jou dood ah sahbi als jij serieus zo nu op mij komt."

Videofragment 8: Ik zag dat daaropvolgend een audiobericht van 23 seconden was verstuurd door tegengebruiker. Ik hoorde het volgende:

"Bericht mij en laat mij weten wanneer dat ding weg is enzo. Je moet dit echt nooit meer van je leven doen. Ga niet mijn leven verpesten. Ga niet mij in een situatie dat ik jou nek moet breken. "

Videofragment 9: Ik zag dat daaropvolgend een audiobericht van 13 seconden was verstuurd door tegengebruiker. Ik hoorde het volgende: [aangeefster] ik ga jou dood slaan he sahbi als je niet met serieuze takkies komt

Videofragment 24

Ik zag dat daaropvolgend een audiobericht van 25 seconden was verstuurd door tegengebruiker. Ik hoorde het volgende:

"Ik moet hard komen, grof, onverwachts (deels onverstaanbaar). Ik wil op dat moment, wanneer ik vier punten op me pak, ik wil gewoon de dood in je ogen zien. Je weet toch wanneer ik iemand aanpak en die persoon schrikt zich van hey ik ga dood nu dat wil ik zien ah sahbi wollah."

Videofragment 29

Ik zag dat daaropvolgend een audiobericht van 19 seconden was verstuurd door tegengebruiker. Ik hoorde het volgende:

"Of ik geen shit om jou gaf kankerezel dan had ik jou gewoon in jouw waarde gelaten. Maar het feit dat je zo tegen mij doet, zo disrespectvol met mij doet terwijl ik gewoon love voor jou heb. Wollah dat maakt mij duivel. Snap je. En dat doe je nog zo kankerstoer (deels onverstaanbaar) of ik met jou geknikkerd of een van jouw ex- vriendjes ben of ik weet niet what the fuck I am not the one."

Daaropvolgend zag ik dat hoofdgebruiker een tekst bericht had verstuurd. Ik zag dat er het volgende stond: "Oké duidelijk"

Daaropvolgend zag ik dat tegengebruiker een tekst bericht had verstuurd. Ik zag dat er het volgende stond: "Jou tijd is bijna op.”

4. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 21 januari 2025, voor zover inhoudende (p. 179):

O: Op de telefoon van mevr. [aangeefster] zijn meerdere spraakmemo's gevonden waarin een politie ambtenaar jouw stem herkent. Ik wil je deze laten horen.

V: Wie hoor je hier?

A: Het zou best zo kunnen zijn dat ik dat ben geweest. Ik was gewoon boos man. Ik heb misschien dingen geroepen in de eerste periode. Mijn eerste reactie was gewoon boos zijn en kijken hoe ver je daar mee komt. Ik voelde me echt genaaid en misschien heb ik dan een woede opmerking gemaakt. Zo'n reactie is misschien niet mooi of leuk maar ik was echt boos. Ik kende haar net 2 of 3 weken. Ik wilde helemaal geen kind met haar.

Feit 2

5. Het proces-verbaal van binnentreden in woning, opgemaakt op 5 november 2024, voor zover inhoudende (p. 86):

Op 5 november 2024 om 14:45 uur trad ik, verbalisant binnen in de woning [adres 3] , bewoond door [verdachte] . In de woning werd inbeslaggenomen: Op een vuurwapen gelijkend voorwerp, zwart kleurig.​​​​​​​ Het inbeslaggenomen goed werd aangetroffen op de tweede verdieping in ruimte [ruimte] .

6. Het proces-verbaal , opgemaakt op 7 november 2024, voor zover inhoudende (p. 127 tot en met p 129):

Op dinsdag 5 november 2024 werd door mij een wapen veiliggesteld. Het wapen werd aangetroffen tijdens de doorzoeking van perceel [adres 3] .

soort wapen: omgebouwd gaspistool

merk: zoraki

model: M906

kaliber:m9mm

Dit wapen is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wetwapens en munitie. Het vuurwapen is, door mij verbalisant, ten behoeve van de politie administratie voorzien van SIN nummer: AARH1943N.

7. Het proces-verbaal vooronderzoek lab, opgemaakt op 4 december 2024, voor zover inhoudende (p. 231 en p. 232):

In verband met een onderzoek naar een verdachte situatie te Gouda werd op verzoek van de Eenheid Den Haag op vrijdag 29 november 2024 door mij een forensisch onderzoek verricht naar biologische sporen aan onderstaande sporendrager:

vuurwapen zoraki m906 (SIN AARH1943NL). Het pistool is door mij bemonsterd op de aanwezigheid van humaan biologisch celmateriaal. In de sporenlijst hieronder zijn de locaties van bemonstering omschreven.

sin AASQ2513NL - wattenstaafje epitheel op de ruwe delen, ribbels en randen pistool

AASQ2514NL - wattenstaafje epitheel op voorste deel loop pistool aan buiten en binnenzijde

8. Het geschrift, te weten een rapport d.d. 22-1-2025 DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van een vuurwapen in Gouda op 5 november 2024, voor zover inhoudende (ongenummerd):

AASQ2513NL#01 (ruwe delen, ribbels en randen pistool): DNA kan afkomstig zijn van: minimaal vijf personen: een relatief grote hoeveelheid DNA (afgeleid DNA-hoofdprofiel):

- verdachte [verdachte] ; bewijskracht: meer dan 1 miljard

AASQ2514NL#01 (voorste deel loop pistool, aan buiten- en binnenzijde): DNA kan afkomstig zijn van: minimaal drie personen: een relatief grote hoeveelheid DNA:

- verdachte [verdachte] ; bewijskracht: meer dan 1 miljard

9. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 21 januari 2025, voor zover inhoudende (p. 178):

V: Op 5 november 2024 is er na je aanhouding een huiszoeking geweest in de woning aan de [adres 3] . Er is inmiddels onderzoek aan het vuurwapen verricht. Jouw DNA is aangetroffen op het vuurwapen. Wat is jouw verklaring daarover?A: Toen jullie mij belden dat het huis omsingeld was ging ik naar beneden en toen zag ik dat ding op tafel liggen. Ik heb het toen gepakt en geprobeerd te verstoppen. V: Waar heb je het geprobeerd te verstoppen?A: Op zolder in een hoek. Ik heb het in een doos verstopt.

Dagvaarding II

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1300-2025191696, van de politie eenheid Amsterdam, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 53).

Feit 1

10. Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] , opgemaakt op 1 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 1 en p. 2):

Op 21 juli 2025 had ik contact met [verdachte] via WhatsApp. [verdachte] flipte toen. Ik was van dit alles zo overstuur dat ik met mijn zoontje naar een vriendin toe ben gegaan. Ik zat bij haar in de auto en op dat moment belde zij met [verdachte] . Tijdens dit telefoongesprek heeft hij, over mij, het volgende tegen mijn vriendin gezegd: Ik ga je doodslaan vriend, snap je? Ik ga ook in de rechtbank zeggen: Mattie, als jullie niet onder toezicht stelling gaan regelen voor deze chimeid nu, ik ga haar doodslaan met mijn kanker eigen handen vroeg of laat. In deze spraakmemo heeft hij het steeds over 'jij'. Hij zegt dit tegen mijn vriendin, maar hij refereert hier naar mij.

11. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 9 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 46):

V: Verder zou jij op 21 juli 2025 een telefoongesprek hebben gehad met een vriendin van [aangeefster] . Wil je iets verklaren over dat gesprek?A: Klopt.V: Dit telefoongesprek is opgenomen en daarin zijn een aantal bedreigingen van jou te horen. Ik lees je nu een gedeelte van het uitgewerkte telefoongesprek voor. Wat vind je nou van deze tekst die jij in het telefoongesprek allemaal hebt gezegd?A: Als ik boos ben dan zeg ik heel veel rare dingen en kan ik mezelf niet inhouden.

Feit 2

12. Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] , opgemaakt op 1 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 3):

Feit: Chantage /afpersing

Plaats delict: [adres 4]

Op 30 juli 2025 is het volgende gebeurd. Hij vertelde over een ouderschapsovereenkomst die hij met zijn advocaat had laten opstellen. Ik heb de overeenkomst toen doorgelezen. In deze ouderschapsovereenkomst staat onder andere dat ik:- [verdachte] elke maand EUR 200 moet betalen tot de 18de verjaardag van mijn zoon als blijkt dat [verdachte] niet de vader is.- Bij overtreding van geheimhouding van wie de vader van het kind is EUR 2500 moet betalen per overtreding plus EUR 250 per dag zolang de situatie voortduurt.- Binnen 6 maanden een stabiele leefomgeving moet vinden omdat het kind anders automatisch naar [verdachte] gaat.- Na drie officiële waarschuwingen het kind aan [verdachte] of jeugdzorg moet overdragen.In de overeenkomst staat ook dat ik de overeenkomst binnen drie dagen na aankomst ervan moet ondertekenen omdat [verdachte] jeugdzorg anders gaat inschakelen.

Ik voel me erg onder druk gezet door de naam die [artiestennaam] en [bijnaam] dragen en het geld wat zij hebben. Ik als alleenstaande moeder met een uitkering, ja, wat moet ik daar tegen? Ik vind dat ik me als ouder zijnde heel erg onder druk gezet heb gevoeld.

13. Het geschrift, te weten een ouderschapsovereenkomst, voor zover inhoudende (p. 6 tot en met pagina 8):

OUDERSCHAPSOVEREENKOMST

Tussen:

[aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2000,

en

[verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1986,

Artikel 10 - Jeugdzorg, sancties en zorgovername

- Indien deze overeenkomst niet binnen drie dagen na ontvangst is ondertekend, zal [verdachte] jeugdzorg inschakelen.

14. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 9 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 47):

V: Volgens [aangeefster] ben jij op 31 juli 2025 naar het hotel gekomen waar zij en haar zoon verbleven. Volgens [aangeefster] had jij toen een formulier bij je met allemaal eisen. Wat voor een formulier was dat?

A: Er staat ook in dat contract.. Als zij niet tekent., dan ga ik naar Jeugdzorg. Zij kan zelf niet voor dat kind zorgen want ze heeft geen huis en geen middelen om dat kind op te voeden.

V: Wat voor eisen stonden er op dit formulier?

A: Het is een ouderschapsovereenkomst.

V: Wie heeft deze ouderschapsovereenkomst opgesteld?

A: Ik zelf. Ik heb het gewoon via Chat GPT opgesteld.

V: Wat is nu verder je plan met omgang tussen jou, [aangeefster] , en jullie kind?

A: Ik ga vechten voor het kind omdat zij een labiel persoon is die het kind niet kan opvoeden. Je maakt geen goeie keuzes in je leven en bent geen stabiele moeder die mijn kind kan opvoeden.

Bewijsoverwegingen

Dagvaarding I

Feit 1

Voor een bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij of zij het leven zou kunnen verliezen en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht.

De rechtbank stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte de in de bewezenverklaring opgenomen uitlatingen heeft gedaan. De door de verdachte geuite woorden, onder meer ‘ik ga je dood maken’, ‘ik ga jou dood slaan’ en ik schiet je in je achterhoofd’ zijn naar het oordeel van de rechtbank van dien aard en onder zodanige omstandigheden gedaan dat bij aangeefster [aangeefster] (hierna: aangeefster) in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou verliezen. Hierbij weegt de rechtbank mee dat sprake was van een situatie waarin aangeefster zwanger was van de verdachte, de verdachte hier overduidelijk niet blij mee was en hij wilde dat aangeefster een abortus zou ondergaan ondanks dat zij dat zelf niet wilde. De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog dat slechts sprake was van een onbeheerste uiting van woede en dat dit nou eenmaal de manier was waarop de verdachte en aangeefster met elkaar communiceerden. Gelet op de hoeveelheid en de inhoud van de berichten kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden begrepen dan dat de verdachte de bedoeling had om bij aangeefster de vrees op te wekken dat zij het leven zou verliezen als zij niet een abortus zou ondergaan. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door de verklaring van de verdachte dat hij boos was en wilde kijken hoe ver hij daar mee kwam. Dat aangeefster zich daadwerkelijk bedreigd heeft gevoeld, blijkt ook uit de omstandigheid dat aangeefster daadwerkelijk naar een abortuskliniek is gegaan en het richting de verdachte heeft laten voorkomen dat zij een abortus had laten plegen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman inhoudende dat niet kan worden bewezen dat de in de audioberichten geuite bedreigingen hebben plaatsgevonden in of omstreeks de ten laste gelegde periode en overweegt hiertoe als volgt. Aangeefster heeft verklaard dat zij de berichten omstreeks 22 augustus 2024 op haar telefoon heeft ontvangen en dat zij toen ongeveer 4 weken zwanger was. Ten tijde van haar aangifte op 5 november 2024 was aangeefster 4 maanden zwanger. Uit de berichten volgt duidelijk dat deze betrekking hadden op de zwangerschap van aangeefster. Dat de berichten door de verdachte in of omstreeks de periode vanaf 22 augustus 2024 tot 5 november 2024 zijn gestuurd, acht de rechtbank daarmee bewezen.

Ook acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de woordelijke bedreigingen, zoals ten laste gelegd onder de laatste twee gedachtestreepjes, heeft begaan. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en neemt hierbij in overweging dat deze steun vindt in de angstige toestand waarin de politie aangeefster op 5 november 2024 bij haar auto aantrof.

Feit 2

Met de raadsman en de officier van justitie acht de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 5 november 2024 in zijn woning in [plaats] een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Het betoog van de raadsman dat het vuurwapen niet van de verdachte was, dat slechts gedurende een heel kort moment sprake is geweest van het voorhanden hebben van het vuurwapen en dat dat strafverminderend zou moeten werken, verwerpt de rechtbank. De rechtbank acht hierbij de verklaring die getuige [getuige] , een vriend van de verdachte, ter terechtzitting heeft afgelegd, voor zover inhoudende dat het vuurwapen aan hem toebehoorde en dat hij het vuurwapen enkele weken voor 5 november 2024 zonder medeweten van de verdachte in diens slaapkamer heeft achtergelaten, ongeloofwaardig. De rechtbank acht voornoemde verklaring vaag, mede omdat de getuige niet duidelijk heeft kunnen maken waar hij het vuurwapen heeft gevonden en hoe hij erachter is gekomen dat de verdachte verdacht wordt van het voorhanden hebben van voornoemd vuurwapen. Daarbij komt dat de verdachte bij de politie wisselend heeft verklaard over het vuurwapen. In zijn eerste verklaring heeft de verdachte aangegeven dat zijn DNA niet zou worden aangetroffen op het vuurwapen. Nadat zijn DNA daarop wel werd aangetroffen, heeft de verdachte verklaard dat hij niet vaak in de woning verbleef en dat hij niemand in de problemen wilde brengen door over het vuurwapen te verklaren.

Door het tijdstip waarop de verklaring door de getuige is afgelegd, kan ten slotte niet meer worden uitgezocht of, behalve het DNA van de verdachte, ook DNA van de getuige op het vuurwapen zat. Gelet op het vorengaande acht de rechtbank de verklaring van getuige [getuige] ongeloofwaardig en zal zij deze terzijde schuiven.

Dagvaarding II

Feit 1

Op 21 juli 2025 heeft de verdachte via een vriendin van aangeefster de volgende woorden geuit in de richting van aangeefster: “ik ga je doodslaan vriend, snap je” en “En zo ga ik dan ook in de rechtbank zeggen, ik zeg mattie als je niet onder toezichtstelling voor deze chimeid gaat regelen nu. Ik ga haar doodslaan met mijn kanker eigen hand, vroeg of laat”.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat ook hier sprake is van een situatie

waarbij de uitspraken van de verdachte van dien aard en onder zulke omstandigheden gedaan zijn dat bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte uitvoering zou geven aan zijn woorden. De rechtbank overweegt dat de bewoordingen die de verdachte gebruikte, volgden op onenigheid tussen de verdachte en aangeefster over de omstandigheden waaronder de verdachte het kind van aangeefster mocht zien.

Ook al zouden er – zoals gesteld door de verdachte – hieraan voorafgaand momenten zijn geweest waarop de verdachte en aangeefster normaal met elkaar zijn omgegaan, betekent dit niet dat de door de verdachte geuite bewoordingen, mede gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, niet als bedreigend konden worden ervaren door aangeefster.

De rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) stelt in het eerste lid strafbaar degene die een ander door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, gericht hetzij tegen die ander hetzij tegen derden, wederrechtelijk dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden. Het kan bij de in artikel 284 Sr genoemde dwangmiddelen gaan om fysieke druk door geweld of om psychische druk door bedreiging met geweld. Bij andere feitelijkheden gaat het om handelingen die niet onder geweld of bedreiging vallen. Het kan daarbij gaan om meer subtiele vormen van psychische druk. Deze handelingen moeten van zodanige aard zijn dat die in de gegeven omstandigheden leiden tot een druk waaraan het slachtoffer geen weerstand kan bieden.

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte via ChatGPT een ouderschapsovereenkomst heeft opgesteld, die hij op 30 juli 2025 aan aangeefster heeft overhandigd. In de overeenkomst stonden diverse eisen en wensen van de verdachte met betrekking tot haar kind en stond vermeld dat de verdachte, in het geval aangeefster de overeenkomst niet binnen drie dagen zou ondertekenen, Jeugdzorg zou inschakelen.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen misbruik heeft gemaakt van de situatie waarin aangeefster zich bevond. Aangeefster had geen eigen huis, zij verbleef in een hotel, haar twee oudere kinderen waren eerder al onder toezicht gesteld en waren uit huis geplaatst. De verdachte was op de hoogte van deze omstandigheden. Zoals de verdachte zelf ook heeft verklaard, heeft hij de ouderschapsovereenkomst opgesteld, omdat hij vond dat aangeefster ‘zelf niet voor haar kind kon zorgen want ze had geen huis en geen middelen om dat kind op te voeden’. In deze situatie was geen sprake van een – zoals bepleit door de raadsman – vrije keuze voor aangeefster om al dan niet de door de verdachte opgestelde ouderschapsovereenkomst te tekenen.

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor omschreven handelingen die de verdachte heeft verricht, kunnen worden gekenmerkt als andere feitelijkheden in de zin van artikel 284 Sr en dat de feitelijkheden van zodanige aard waren dat die in de gegeven omstandigheden en context bij aangeefster zouden leiden tot een zodanige psychische druk dat zij hieraan geen weerstand had kunnen bieden, getuige ook het feit dat aangeefster aangifte tegen de verdachte heeft gedaan naar aanleiding van de ontvangen ouderschapsovereenkomst.

Doordat de verdachte de overeenkomst daadwerkelijk aan aangeefster heeft overhandigd, was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een begin van uitvoering.

De rechtbank overweegt nog dat – in verband met het door de raadsman gevoerde verweer dat in de ouderschapsovereenkomst staat dat de verdachte Jeugdzorg zou ‘inschakelen’, indien aangeefster de overkomst niet binnen drie dagen zou ondertekenen, terwijl in de dagvaarding in dat verband is opgenomen dat hij Jeugdzorg zou ‘bellen’, waardoor er niet tot een bewezenverklaring gekomen kan worden – zij in deze bewoordingen geen wezenlijk verschil ziet, omdat duidelijk is dat de verdachte contact met Jeugdzorg zou opnemen, indien aangeefster niet zou doen wat hij wilde. Aldus volgt de rechtbank de raadsman hierin niet.

De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot dwang.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 1 en 2 en de bij dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I

1

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 augustus 2024 tot en met 5 november 2024 te Gouda en op Curaçao telkens [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangeefster] telefonisch, via spraakberichten, via chats en in persoon dreigend de woorden toe te voegen:

- ' ik ga jou dood maken he mongool',

- ' ik zweer op alles wat mij lief is he sahbi begin jou hoofd op orde te zetten want ik ga jou dood maken',

- ' je kan mij blokken verwijderen alles doen wat je wilt wollah op de Koran al is het laatste wat ik doe ik maak jou dood ah sahbi als jij serieus zo nu op mij komt',

- ' bericht mij en laat mij weten wanneer dat ding weg is enzo. Je moet dit echt nooit meer van je leven doen. Ga niet mijn leven verpesten. Ga niet mij in een situatie dat ik jou nek moet breken',

- ' [aangeefster] ik ga jou dood slaan he sahbi als je niet met serieuze takkies komt,

- ‘ ik moet hard komen, grof, onverwachts. Ik wil op dat moment, wanneer ik vier punten op me pak, ik wil gewoon de dood in je ogen zien. Je weet toch wanneer ik iemand aanpak en die persoon schrikt zich van hey ik ga dood nu dat wil ik zien ah sahbi wollah’,

- ‘ jou tijd is bijna op',

- ‘ als je geen abortus pleegt dan schiet ik je door je achterhoofd’ en/of

- ‘ als je het lef hebt om deze deur uit te lopen dan schiet ik je van achter in je rug';

2

hij op 5 november 2024 te Gouda een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gaspistool van het merk Zoraki, type M906, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad.

Dagvaarding II

1

hij op 21 juli 2025 in Nederland [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga je doodslaan vriend, snap je" en "En zo ga ik dan ook in de rechtbank zeggen, ik zeg mattie als je niet onder toezichtstelling voor deze chimeid gaat regelen nu. Ik ga haar doodslaan met mijn kanker eigen hand, vroeg of laat"

2

hij op 30 juli 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om een ander, te weten [aangeefster] , door enige andere feitelijkheid, voornoemde [aangeefster] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen,

- die [aangeefster] een zogenaamd ouderschapsovereenkomst heeft gegeven en

- heeft aangegeven dat als die [aangeefster] deze niet tekent, hij, verdachte, Jeugdzorg zou inschakelen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De oplegging van de straf en de maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Hiernaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte als vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38v Sr, een contactverbod met [aangeefster] voor de duur van drie jaren wordt opgelegd, met uitzondering van contact met tussenkomst van een hulpverlenende instantie, bijvoorbeeld Veilig Thuis, in verband met de omgang met het kind van [aangeefster] , waarbij per overtreding 2 weken hechtenis zal worden opgelegd, met een maximum van 6 maanden. De officier van justitie heeft gevorderd de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en in plaats daarvan een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en een flinke taakstraf op te leggen. De raadsman heeft in strafverminderende zin gewezen op de gevolgen die de negatieve media-aandacht heeft veroorzaakt voor de verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft in een periode van ruim een half jaar het slachtoffer meerdere malen in zeer heftige bewoordingen bedreigd. De bedreigingen hebben impact gehad op het slachtoffer en als gevolg van het handelen van de verdachte heeft het slachtoffer zich onveilig gevoeld. De achterliggende reden voor de bedreigingen was gelegen in de omstandigheid dat het slachtoffer, tegen de wens van de verdachte in, geen abortus wilde laten plegen en – op een later moment – niet meeging in de wensen van de verdachte met betrekking tot de omgang met het inmiddels geboren kind. De verdachte heeft zich in deze situatie zeer dwingend opgesteld, hetgeen ook blijkt uit de ‘ouderschapsovereenkomst’ waarin hij zelf zijn vergaande eisen/wensen met betrekking tot het kind van het slachtoffer heeft weergegeven en die hij het slachtoffer probeerde te laten ondertekenen door te dreigen met het inschakelen van Jeugdzorg, indien zij dit niet zou doen.

Uit de spreekrechtverklaring van het slachtoffer blijkt wat voor impact het handelen van de verdachte op het slachtoffer heeft gehad en nog altijd heeft. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.

De rechtbank houdt er hierbij ook rekening mee dat de verdachte nadelige gevolgen heeft ondervonden, doordat het slachtoffer de berichten van de verdachte naar de media heeft gelekt. Mede als gevolg hiervan zijn optredens van de verdachte afgezegd en is hij online racistisch en bedreigend bejegend. Daar staat naar het oordeel van de rechtbank in algemene zin tegenover dat de verdachte weet dat hij een publiek bekend persoon is, zodat hij ervan moet uitgaan dat strafbaar handelen door hem in de media aandacht kon krijgen.

De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens levert in de maatschappij een onaanvaardbaar risico op, omdat het bezit van een vuurwapen maar al te gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan. Vuurwapengeweld leidt regelmatig tot slachtoffers en zowel het gebruik als het voorhanden hebben van een wapen brengt ook gevoelens van onveiligheid teweeg in de samenleving. Dit betreft dus tevens een ernstig feit en hiertegen dient, in het bijzonder uit oogpunt van generale preventie, streng te worden opgetreden.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder – onder meer voor soortgelijke feiten – is veroordeeld.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 september 2025, waaruit volgt dat het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. De praktische leefgebieden van de verdachte zijn op orde. De eerdere omgang/relatie met aangeefster, het psychosociaal functioneren van de verdachte en zijn houding zijn

delictgerelateerde factoren. De verdachte laat een coping zien waarbij hij uit emotie verbaal

agressief kan reageren, maar verbale agressiviteit ook inzet om zaken voor elkaar te krijgen.

De reclassering ziet een indicatie voor behandeling die gericht is op coping, emotieregulatie en de wijze van communicatie. De verdachte staat echter niet open voor een behandeling binnen een forensische polikliniek. De reclassering heeft in de afgelopen jaren vaker aanleiding gezien om de verdachte toe te leiden naar een forensische behandeling. Deze behandelpogingen kwamen niet van de grond.

De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert het reeds opgelegde contactverbod ten aanzien van het slachtoffer te continueren.

Oplegging straf en maatregel

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf gelet op de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Die oriëntatiepunten geven als uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in een woning reeds een gevangenisstraf van vier maanden. Daar komt bij dat de verdachte zich gedurende een lange periode meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan ernstige bedreigingen en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot dwang.

Alles overwegend, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

De rechtbank ziet, ter voorkoming van (vergelijkbare) strafbare feiten, voorts aanleiding om op grond van artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, inhoudende een contactverbod ten aanzien van [aangeefster] . Dit contactverbod strekt zich ook uit tot het direct of indirect contact zoeken via social media. Ten aanzien van het contactverbod zal een hierna nog te noemen clausule worden opgenomen, die contact wel mogelijk maakt met tussenkomst van een hulpverlenende instantie, bijvoorbeeld Veilig Thuis, in verband met de omgang met het kind van [aangeefster] . De rechtbank legt de maatregel op, omdat zij van oordeel is dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich op een andere manier belastend naar personen toe zal gedragen. De maatregel zal gelden voor de duur van twee jaren en voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van één week, met een maximum van in totaal zes maanden.

Anders dan verzocht door mr. H.J. Oosterhagen, de advocaat van [aangeefster] , zal de rechtbank niet ook een voorwaarde of maatregel opleggen, bestaande uit een algemeen verbod om in muziek naar [aangeefster] te verwijzen, omdat dit een te vergaande inbreuk op de vrijheid van meningsuiting zal inhouden. De verdachte zal reeds gebonden zijn aan het verbod om direct of indirect contact met de genoemde persoon op te nemen en het doen van smadelijke, beledigende of bedreigende uitspraken valt reeds onder de algemene voorwaarde om geen strafbare feiten te plegen.

Aangezien de situatie die tot de bewezen verklaarde feiten heeft geleid thans nog steeds bestaat, moet er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend zal gedragen jegens een persoon. Gelet hierop zal de rechtbank, overeenkomstig het vierde lid van artikel 38v Sr, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 8.920,13, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 5.420,13 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren wegens de bepleite vrijspraken. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren wegens het late moment van indienen, waardoor de raadsman zich niet voldoende heeft kunnen voorbereiden.

Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering af te wijzen dan wel niet ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is, onvoldoende duidelijk is, causaal verband veelal ontbreekt, de verdachte de vordering betwist en de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het oordeel van de rechtbank

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de vordering namens de benadeelde partij tijdig is ingediend en dat de raadsman voldoende in de gelegenheid is geweest om zich op de vordering voor te bereiden, hetgeen ook blijkt uit de door de raadsman gevoerde verweren.

Materiële schade

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten ‘inkomstenderving’, ‘opvragen medische gegevens’, ‘reiskosten’ en ‘verblijf Blijf van m’n Lijf Huis’, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Voor wat betreft de inkomstenderving overweegt de rechtbank dat uit de bij de vordering gevoegde bijlagen blijkt dat reeds eerder gesprekken zijn gevoerd met de benadeelde partij over haar functioneren, waardoor niet kan worden vastgesteld dat het beëindigen van de arbeidsovereenkomst een direct gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en dat dit niet zou hebben plaatsgevonden als geen sprake was geweest van de bewezen verklaarde feiten van dagvaarding I. De medische gegevens zijn opgevraagd in verband met de omstandigheid dat de benadeelde partij haar pols had doorgesneden. Deze omstandigheid is niet ten laste gelegd en naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier onvoldoende ondersteuning voor de stelling dat deze omstandigheid het gevolg is geweest van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte. Ook voor wat betreft de posten ‘reiskosten’ en ‘verblijf Blijf van m’n Lijf Huis’ ziet de rechtbank onvoldoende verband met de bewezen verklaarde feiten.

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bij dagvaarding I onder 1 en bij dagvaarding II onder 1 bewezen verklaarde feiten. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de aard en de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat voor de benadeelde partij kan worden aangenomen dat zij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. Dit kan aan de verdachte worden toegerekend. De rechtbank zal, gelet op de beschikbare onderbouwing van de vordering en met inachtneming van de zogenoemde ‘Rotterdamse schaal’, de immateriële schade van de benadeelde partijen op dit moment naar billijkheid vaststellen op € 2.000,00 en zal de benadeeldepartij voor wat betreft de immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Totaal toegewezen

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 2.000,00, bestaande uit immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 22 augustus 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Aangezien de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bij dagvaarding I onder 1 en bij dagvaarding II onder 1 bewezen verklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 augustus 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36 f, 38v, 38w, 45, 57, 284 en 285 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09/335181-24 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en de bij dagvaarding met parketnummer 09/239146-25 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van parketnummer 09/335181-24 onder 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

ten aanzien van parketnummer 09/335181-24 onder 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

ten aanzien van parketnummer 09/239146-25 onder 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van parketnummer 09/239146-25 onder 2:

poging om een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

legt op de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende:

dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren op geen enkele wijze – direct of indirect, via social media of op andere wijze – contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangeefster [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2000, met uitzondering van contact met tussenkomst van een hulpverlenende instantie, bijvoorbeeld Veilig Thuis, in verband met de omgang met het kind van [aangeefster] ;

beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week voor iedere keer dat een van de verboden wordt geschonden, met een maximum van 6 (zes) maanden;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 augustus 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 2.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 augustus 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.J. de Haan, voorzitter,

mr. J.L.E. Bakels, rechter,

mr. J. Schaaf, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. V.J. de Haan
  • mr. J.L.E. Bakels
  • mr. J. Schaaf

Griffier

  • mr. N. de Jong

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?