uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 2000, van Pakistaanse nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
De minister heeft met het bestreden besluit van 8 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Daarnaast heeft de minister eiser een terugkeerbesluit opgelegd waarin staat dat eiser dient terug te keren naar Pakistan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T.J. Hussain als tolk in de taal Urdu en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de minister de asielaanvraag van eiser op goede gronden heeft afgewezen.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
4. Eiser heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij de Pakistaanse nationaliteit heeft en tot de Ahmadi bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft vier jaar lang vrijwilligerswerk gedaan voor de gemeenschap. Hierdoor heeft eiser problemen gekregen. Mensen zijn bij zijn huis langs gekomen. Zij waren naar eiser op zoek, scholden hem uit en zeiden dat hij een ongelovige is. Eiser denkt dat dit TLP leden waren. Ook wordt eiser als Ahmadi in Pakistan gediscrimineerd en kan hij zijn geloof niet vrij belijden. Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser de volgende documenten overgelegd:
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
De minister heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht maar geconcludeerd dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Weliswaar blijkt uit het landenbeleid van Pakistan dat Ahmadi’s als risicoprofiel zijn aangemerkt maar ook bij een risicoprofiel blijft het individualiseringsvereiste gelden. Volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging en loopt hij bij terugkeer naar Pakistan geen reëel risico op ernstige schade.
Problemen met de TLP
6. De minister heeft de problemen met de TLP geloofwaardig geacht maar acht de vrees van eiser dat hij bij terugkeer zal worden gedood door de TLP niet aannemelijk. Dat er mensen langs eisers huis zijn gekomen betreft een eenmalig incident. Voordat dit incident plaatsvond heeft eiser vier jaar lang probleemloos als vrijwilliger gewerkt. Ook na dit incident heeft eiser niet opnieuw problemen gehad. Eiser is niet persoonlijk benaderd of bedreigd. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij met de dood is bedreigd maar als reactie hierop heeft de minister verwezen naar het nader gehoor waarin eiser niet heeft verklaard dat hij met de dood is bedreigd. Ook is zijn familie niet benaderd en zijn er niet opnieuw mensen naar zijn woning gekomen om hem te zoeken. Daarnaast heeft eiser zelf geen dreigbrief ontvangen. Weliswaar heeft eiser verklaard dat hij na het incident niet meer in zijn eigen huis is geweest, echter verbleef hij bij een familielid in hetzelfde dorp. Op de zitting heeft de minister verder toegelicht dat het Algemeen ambtsbericht waar eiser naar verwijst, ziet op bekende Ahmadi en dat is eiser niet. Daarnaast volgt uit het Thematisch ambtsbericht dat het enkele feit dat iemand als Ahmadi geregistreerd staat, nog niet maakt dat hij/zij reeds daarom in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Er zijn daarom geen indicaties dat hij nog steeds wordt gezocht. Dat de TLP in het algemeen een gewelddadige organisatie is die het op (bekende) Ahmadi’s heeft voorzien, is dan ook onvoldoende om aannemelijk te maken dat juist eiser bij terugkeer zal worden vervolgd. Bovendien heeft eiser Pakistan op een legale manier verlaten en volgt uit het Thematisch ambtsbericht dat alleen bepaalde Ahmadi’s moeilijkheden ondervinden bij terugkeer zoals Ahmadi’s van bepaalde diaspora groepen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser zijn persoonlijke vrees voor vervolging door de TLP onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister de problemen met de TLP geloofwaardig heeft geacht. Eiser is hierna direct vertrokken. Hij is eerst naar zijn oom gevlucht waar hij ondergedoken heeft gezeten en heeft na ongeveer een maand Pakistan verlaten. Dat eiser of zijn familie hierna geen problemen meer hebben gehad acht de rechtbank een logisch gevolg van het feit dat eiser het land had verlaten. Met de enkele motivering dat er maar één incident heeft plaatsgevonden en eiser en zijn familie hierna niets meer van de TLP hebben gehoord, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eiser zijn persoonlijke vrees voor vervolging bij terugkeer naar Pakistan niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank ziet niet in waarom er vaker persoonlijke problemen/incidenten moeten hebben plaatsgevonden met de TLP voordat de minister gegronde vrees aanneemt. Daar komt bij dat de situatie met betrekking tot Ahmadi’s alleen maar slechter is geworden sinds het vertrek van eiser uit Pakistan. In dit kader heeft eiser terecht verwezen naar landeninformatie over de verslechterde situatie van Ahmadi’s.
Geloofsvrijheid
7. Verder acht de minister de vrees dat eiser bij terugkeer zijn geloof niet vrijuit kan uiten, niet zwaarwegend genoeg. Volgens de minister geven de verklaringen van eiser geen blijk van een intrinsieke motivatie voor de wens om zijn religie openlijk te uiten en te verspreiden. Dat eiser zich blij voelde toen hij pamfletten uitdeelde en het fijn vindt dat hij zich hier in Nederland kan uiten, maakt niet dat gesproken kan worden van een intrinsieke motivatie. Het enkele keren uitdelen van pamfletten is te weinig om van prediker te spreken. Bovendien is onduidelijk aan wie eiser de pamfletten heeft uitgedeeld, aan Ahamdi’s of aan niet-Ahmadi’s. Ook heeft de minister op de zitting toegelicht dat het onbegrijpelijk is dat eiser de Tabligh niet heeft genoemd in zijn nader gehoor als intrinsieke motivatie, nu dit volgens de minister een belangrijk onderdeel is van het geloof. Op de zitting heeft de minister hieraan toegevoegd dat de activiteiten die eiser heeft verricht ook niet onder de definitie van het begrip Tabligh vallen. Verder heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt dat hij zijn geloof niet kon uitoefenen en dat hij zijn geloof op een andere manier dan hij hiervoor heeft gedaan zou willen uitoefenen bij terugkeer naar Pakistan. De uiting van eisers geloof in Nederland verschilt niet wezenlijk van de uiting van zijn geloof in Pakistan. Eiser kon namelijk naar de moskee, bad, vastte en er waren ook sportactiviteiten die vanuit de gemeenschap werden georganiseerd. Op de zitting heeft de minister hieraan toegevoegd dat niet valt in te zien dat hij geen donaties kan doen aan de gemeenschap in Pakistan. Gelet op het bovenstaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn geloof. Daarnaast is niet gebleken dat het voor eiser onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren in Pakistan. Op de zitting heeft de minister verder toegelicht dat de verklaring van eiser afwijkt van de informatie die volgt uit het Thematisch ambtsbericht. Eiser heeft namelijk tijdens het nader gehoor verklaard dat hij geregistreerd staat als moslim omdat hij het formulier waarop hij kon aangeven dat hij Ahmadi is, niet heeft ondertekend. Dat formulier bevat volgens de minister geen discriminerende verklaringen over het geloof in Mohammed als laatste profeet en gaat het volgens het Thematisch ambtsbericht om twee verschillende verklaringen, één voor moslims en één voor niet-moslims. De minister twijfelt daarom aan de oprechtheid van eiser.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat er sprake is van een intrinsieke motivatie bij eiser om zijn geloof te verspreiden. De rechtbank is van oordeel dat uit eisers verklaring dat het verspreiden van pamfletten voor hem belangrijk is omdat het een religieuze verplichting is en behoort tot de tien geboden, de minister niet mocht concluderen dat het voor eiser niet van bijzonder belang is om zijn geloof te verspreiden. Daar komt bij dat de minister niet heeft betwist dat hij het geloof aanhangt. Bovendien heeft eiser zowel in het nader gehoor als op de zitting verklaard dat hij activiteiten uitvoert die worden georganiseerd door zijn Jamaat (gemeenschap) en op deze manier ook uitvoering geeft aan de Tabligh. Naast het uitdelen van pamfletten heeft eiser verklaard dat zijn gemeenschap op Koningsdag een kraam huurt en daar boeken verkoopt. Als hij de Engelse of Nederlandse taal zou spreken zou hij graag voorbijgangers over het geloof en de boeken vertellen. Daarnaast is het ook mogelijk om een vriend, kennis of bekende die geen Ahmadi is uit te nodigen om naar de moskee te komen en daar wordt dan over het geloof verteld. Op de zitting heeft eiser verder toegelicht dat hij ook op andere manieren uiting geeft aan de Tabligh. Als voorbeeld hiervan heeft eiser verteld dat zijn gemeenschap een opruimactie van vuurwerk op 1 januari 2026 heeft georganiseerd waaraan hij heeft deelgenomen. Eiser heeft uitgelegd dat zij hiermee hun geloof op een positieve manier onder de aandacht willen brengen bij andere mensen. Daarnaast volgt de rechtbank de minister niet in zijn standpunt dat eiser het formulier dat hij Ahmadi is niet heeft ondertekend en dat daarom wordt getwijfeld aan de oprechtheid van eiser. Eiser heeft namelijk in het nader gehoor en op de zitting verklaard dat als hij als Ahmadi geregistreerd wilde worden, hij een formulier moest ondertekenen, waarmee hij erkent dat de oprichter van de Ahmadi niet deugt en dat hij geen moslim is. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee voor een lastig intrinsiek dilemma komt te staan. Volgens het International Human Rights Committee is het, zo volgt uit het Thematisch ambtsbericht, “een kwaadwillende zet om ahmadi’s te kwetsen, en bovendien absurd om iemand te laten verklaren wat hij niet is.” Tegen de achtergrond van wat eiser heeft aangevoerd om zijn intrinsieke geloofsovertuiging aannemelijk te maken heeft de minister daarom naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom die intrinsieke motivatie er niet zou zijn.
Verder overweegt de rechtbank dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte heeft gesteld dat eiser de geloofsactiviteiten die hij voor zijn vertrek uit Pakistan verrichtte weer probleemloos kan hervatten bij een terugkeer naar het land. Uit de verklaringen van eiser blijkt ook dat hij geen religieuze vrijheid had en zich terughoudend moest opstellen. Zo verklaart eiser dat Ahmadi’s elkaar niet op een islamitische manier mogen begroeten, geen islamitische activiteiten mogen doen en niet in het openbaar bijeen mogen komen voor activiteiten. Uit de uitspraak van Afdeling van 10 augustus 2015 volgt dat de minister moet onderzoeken en beoordelen, of en zo ja hoe eiser na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn geloof. Bij deze beoordeling is van belang dat de minister van eiser niet mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloof in het land van herkomst.
Dit klemt te meer nu uit het Algemeen ambtsbericht van 23 juli 2024 blijkt dat het voor een Ahmadi gevaarlijk is zich in Pakistan publiekelijk als zodanig te manifesteren en dat de situatie hieromtrent is verslechterd. Gelet hierop heeft de minister het besluit onzorgvuldig voorbereid en heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging wegens de wijze waarop hij bij terugkeer in Pakistan zijn geloofsovertuiging zou willen uitoefenen.
8. Het beroep is dan ook gegrond. De overige beroepsgronden van eiser behoeven op dit moment geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het in strijd is genomen met de artikelen 3:2 van de Awb en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Mertens, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.