[eiser] ,
geboren op [geboortedag 1] 2003, van Pakistaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een mvv onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon 1] ’ (eisers moeder) op grond van artikel 8 van het EVRM en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 8 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dat ertoe strekt dat hij wordt behandeld als ware hij in het bezit is van een mvv.
Ondanks het verzoek van de rechtbank daartoe, heeft de minister geen inhoudelijk verweerschrift ingediend.
Eiser heeft twee jongere broertjes en een halfzusje, namelijk [naam 1] , geboren op [geboortedag 2] 2005, [naam 2] , geboren op [geboortedag 3] 2012 en [naam 3] , geboren op [geboortedag 4] 2023. De rechtbank heeft [naam 2] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken over deze procedure. Voorafgaand aan de zitting op 26 februari 2026 heeft de rechter in aanwezigheid van de griffier een kindgesprek gehouden met hem.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een digitale verbinding), de moeder van eiser, de stiefvader van eiser, eisers broertje [naam 2] , K. Ghanmi als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De rechtbank heeft voor [naam 2] een aparte terugkoppeling van de beslissing
gemaakt. Deze terugkoppeling, in de vorm van een samenvatting, is als bijlage aan deze
uitspraak gehecht.
Feiten en omstandigheden
5. Eiser, zijn moeder en twee broertjes hebben de Pakistaanse nationaliteit en verbleven gezamenlijk in Pakistan. In 2016 is de moeder van eiser naar Dubai verhuisd om te gaan werken als lerares Engels. Vervolgens zijn eiser en zijn twee broertjes in 2018 ook naar Dubai verhuisd om bij hun moeder te verblijven. Met behulp van een juridisch consultant zijn eisers moeder en broertjes per 21 september 2022 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon 2] ’, de nieuwe echtgenoot van de moeder van eiser. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit. Omdat het volgens de juridisch consultant niet mogelijk was om een aanvraag voor een verblijfsvergunning in te dienen als meerderjarige en eiser op grond van een verblijfsvergunning bij zijn moeder in Dubai verbleef, is eiser achtergebleven en vervolgens terugverhuisd naar Pakistan. In 2023 is de moeder van eiser bevallen van een dochter, die de Nederlandse nationaliteit heeft. In Nederland woont het hele gezin samen, inclusief de drie kinderen van de stiefvader van eiser. Deze kinderen hebben allen de Nederlandse nationaliteit. In 2024 is eiser weer terugverhuisd naar Dubai waar hij momenteel nog steeds verblijft.
Op 2 november 2022 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf bij zijn moeder in Nederland. De aanvraag van eiser is op 8 november 2023 door de minister afgewezen. Eiser is hiertegen in bezwaar gegaan. Op 8 augustus 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is de minister bij de afwijzing van eisers aanvraag gebleven.
Het kindgesprek
6. Aangezien de procedure ook invloed heeft op het belang van het minderjarige
broertje van eiser, [naam 2] , heeft de rechtbank zoals gezegd een kindgesprek met hem
gevoerd. De rechtbank heeft daar op de zitting een samenvatting van gegeven. De
samenvatting is ook aan het digitale dossier toegevoegd. Wat [naam 2] tijdens dit
kindgesprek heeft verteld, zal de rechtbank – voor zover van belang – bij de beoordeling
betrekken.
Standpunt van de minister
7. Volgens de minister is er sprake van familie- en gezinsleven tussen eiser, als jongvolwassene, en zijn moeder zoals bedoeld wordt in artikel 8 van het EVRM. De belangen van de Nederlandse Staat wegen echter in dit geval zwaarder dan het individuele belang van eiser bij uitoefening van het familie- en gezinsleven met zijn moeder in Nederland. De minister heeft hierbij onder andere betrokken dat er geen belemmering bestaat om het familie- en gezinsleven van het hele gezin elders uit te oefenen.
Ten onrechte geen belangenafweging
8. Eiser voert allereerst aan dat aan alle voorwaarden voor toelating op grond van het jongvolwassenbeleid is voldaan. Op de minister rustte en rust daarom de dwingend geformuleerde verplichting om aan eiser toelating te verlenen. De minister komt aan de belangenafweging van artikel 8 van het EVRM zoals genoemd in paragraaf B7/3.8.3 van de Vc niet toe omdat die belangenafweging alleen aan de orde is indien sprake is van een weigering tot toelating omdat niet reeds op grond van het beleid toelating moet worden verleend. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 31 juli 2025.
De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling dient de minister in reguliere zaken, als wordt vastgesteld dat er tussen een meerderjarig kind en zijn gezinsleden familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, een belangenafweging te maken waarbij hij het belang van de Nederlandse Staat afweegt tegen het belang van de betrokkenen. Dat de minister een belangenafweging dient te maken staat daarnaast ook duidelijk beschreven in paragraaf B7/3.8.3 van de Vc. Verder begrijpt de rechtbank de verwijzing van eiser naar voornoemde uitspraak van 31 juli 2025 ook niet. In deze uitspraak is namelijk geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gezinsband is verbroken en waarom eiser dus niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. In onderhavige zaak is niet in geschil dat eiser onder het jongvolwassenenbeleid valt. Deze situatie is daarom niet van toepassing in onderhavige zaak. De beroepsgrond slaagt niet.
De belangenafweging
9. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van
het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of de minister alle relevante feiten en
omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de
rechtbank te toetsen of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat
die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van
het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen
belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder
terughoudendheid toetsen. De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de
rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de bestuursrechter
het gewicht dat de minister aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins
terughoudend moet toetsen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister een onjuist uitgangspunt heeft genomen voor zijn belangenafweging. De rechtbank licht dit hieronder toe en zal daarna uitleggen welke gevolgen dit heeft.
De rechtbank overweegt dat de minister de omstandigheid dat eiser nog nooit een verblijfsvergunning voor verblijf in Nederland heeft gehad en dat er daarom sprake is van een eerste toelating ten onrechte in het nadeel van eiser heeft gewogen. De minister hanteert hiermee een onjuist uitgangspunt omdat dit niet uit de jurisprudentie van het EHRM volgt en ook niet uit paragraaf 7.2 van de WI 2020/16. Dat de minister mag uitgaan van een negatievere uitgangspositie voor de vreemdeling is alleen aan de orde in het specifieke geval dat het familieleven wordt aangegaan tijdens een periode dat het verblijfsrecht onzeker is. Dat is in deze zaak niet aan de orde. In alle overige gevallen is volgens de rechtbank sprake van een neutraal uitgangspunt bij de te verrichten belangenafweging, waarbij vervolgens alle relevante belangen betrokken moeten worden.
Verder heeft de minister de omstandigheid dat er uitsluitend in bijzondere gevallen een positieve verplichting rust op de Staat om verblijf toe te kennen op grond van artikel 8 van het EVRM en dat van bijzondere omstandigheden in het geval van eiser niet is gebleken, ook ten onrechte in het nadeel van eiser gewogen. De rechtbank overweegt allereerst dat niet duidelijk is waarom deze omstandigheid in het nadeel van eiser moet wegen. Voor zover de minister hiermee bedoelt dat alleen in uitzonderlijke gevallen een positieve verplichting op de Staat rust om verblijf toe te kennen op grond van artikel 8 van het EVRM volgt de rechtbank de minister evenmin. Uit WI 2020/16 volgt namelijk dat er bij overkomst van achtergebleven gezinsleden sprake moet zijn van een evenwichtige belangenafweging tussen migratiecontrole en bestaand gezinsleven. Het criterium ‘uitzonderlijke gevallen’ geldt voor dreigende scheiding van een gezin in Nederland dat het gezinsleven is aangegaan tijdens onrechtmatig verblijf. Die situatie is hier niet aan de orde.
Daar komt bij dat de beoordelingsruimte voor de minister in beginsel kleiner is als het gaat om achtergelaten gezinsleden en in alle gevallen kleiner is als kinderen onderdeel van het gezin vormen. Uit het besluit blijkt niet dat de minister rekening heeft gehouden met deze beperktere beoordelingsruimte.
Gelet op voorgaande vastgestelde gebreken kan het bestreden besluit geen stand houden. De minister dient dus wat de rechtbank betreft een nieuwe belangenafweging te maken.
10. In het kader van finale geschilbeslechting overweegt de rechtbank verder dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken. De minister heeft de belangenafweging niet zorgvuldig gemaakt en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank licht dat hierna toe.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de belangen van het minderjarige broertje en het minderjarige zusje van eiser onvoldoende kenbaar bij zijn beoordeling betrokken. Hierbij betrekt de rechtbank dat het belang van het kind voorop moet staan als het gaat om het maken van een belangenafweging waar minderjarige kinderen bij betrokken zijn. Volgens het beleid van de minister vormt in iedere beslissing het belang van het kind een eerste overweging waaraan aanzienlijk gewicht toekomt. De minister heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat het belang van het kind niet expliciet is genoemd in het bestreden besluit maar dat het belang van het hele gezin wel is betrokken bij de beoordeling. Zo kan volgens de minister het contact onderling ook op afstand onderhouden worden of kunnen de kinderen het gezinsleven in Pakistan of elders voortzetten. De rechtbank volgt dit standpunt van de minister niet. De rechtbank leest in het bestreden besluit namelijk niet terug dat de belangen van de broertjes en het zusje van het eiser zijn geïnventariseerd en bij de beoordeling zijn betrokken. De minister had daarom ook bij zijn beoordeling dienen te betrekken wat het voor de minderjarige kinderen betekent om op afstand van elkaar te zijn, temeer nu zij (de minderjarige broertjes) altijd in Pakistan en Dubai hebben samengewoond met eiser.
Ook is de minister onvoldoende ingegaan op de door eiser naar voren gebrachte belemmeringen om het gezinsleven elders uit te oefenen. De rechtbank stelt vast dat het in deze zaak gaat om een samengesteld gezin. Eisers moeder heeft een Nederlands minderjarig kind en ook de kinderen van haar Nederlandse echtgenoot hebben de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank overweegt in dit kader dat de minister niet in zijn beoordeling heeft betrokken dat de Nederlandse kinderen Unieburgers zijn en zij, door een verhuizing naar Pakistan dan wel Dubai, gedwongen zullen worden het grondgebied van de EU te verlaten. De minister heeft hierover het standpunt ingenomen dat ook van Nederlanders kan worden verwacht dat zij zich in een ander land vestigen. De rechtbank begrijpt dit standpunt niet omdat hierdoor niet duidelijk wordt hoe een verhuizing naar buiten de EU zich verhoudt tot het Unieburgerschap van de kinderen. Daar komt bij dat de moeder van de stiefbroers van eiser ook de Nederlandse nationaliteit heeft en niet akkoord is met een verhuizing van haar kinderen naar buiten de EU. De rechtbank overweegt hierover dat als deze omstandigheid al geen objectieve belemmering zou vormen om het gezinsleven elders uit te oefenen, de minister dan vervolgens dient uit te leggen waarom het geen subjectieve belemmering (“certain degree of hardship”) vormt.
Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister bij de nieuw te maken belangenafweging ook deze feiten en omstandigheden kenbaar dient te betrekken.
11. De minister heeft niet alleen nagelaten om alle feiten en omstandigheden bij zijn beoordeling te betrekken. Ook is de weging (“fair balance”) van de feiten en omstandigheden die wél zijn betrokken, op sommige punten gebrekkig geweest.
De rechtbank overweegt dat de minister in beginsel mag meewegen dat hij een restrictief toelatingsbeleid voert. Het belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid is onderdeel van het algemeen belang van de Nederlandse samenleving, in de zin van het economisch welzijn in bredere zin. Het ziet dus op meer dan alleen het belang van de Nederlandse economie in de vorm van uitkeringen vanuit de openbare kas. Naast de vraag in hoeverre de komst van de vreemdeling naar Nederland ten laste van de openbare middelen zal komen, kan dus ook relevant zijn in hoeverre hij in Nederland aanspraak zal maken op al dan niet schaarse andere onderdelen van de maatschappelijke infrastructuur, zoals huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en infrastructuur. In dat verband merkt de rechtbank op dat de minister het economisch belang minder zwaar in het nadeel van eiser heeft laten wegen omdat eisers moeder en stiefvader voldoende verdienen om in het levensonderhoud van eiser te voorzien. Maar aan de andere kant heeft de minister wel in het nadeel van eiser gewogen dat wanneer hij in Nederland komt wonen, hij toegang zal krijgen tot alle voorzieningen in Nederland die vanuit de algemene middelen worden betaald. Dit is volgens de minister niet in het belang van de Nederlandse overheid, zeker niet nu de huisvesting en medische zorg in Nederland al langere tijd onder druk staan. En hoewel eiser in Nederland een zorgverzekering kan afsluiten, zal hij met mogelijke zorgkosten een beroep doen op de algemene middelen. Naar het oordeel van de rechtbank geeft deze weging van de economische situatie van eiser echter blijk van een eenzijdige blik op de feiten. De minister is in het bestreden besluit slechts uitgegaan van algemene uitgangspunten zonder een op de situatie van eiser toegespitste beoordeling te maken. Zo heeft de minister niet betrokken dat eiser een opgeleide en werkzame jongeman is. Zoals volgt uit het dossier is hij werkzaam voor het bedrijf van zijn stiefvader. Op de zitting heeft eisers stiefvader dit nader toegelicht en verklaard dat eiser van grote waarde is voor zijn bedrijf. Het bedrijf faciliteert namelijk internetverbinding op schepen, dit is een nichemarkt. Omdat de internetverbinding via satellieten gaat, is kennis van satellieten van essentieel belang. Eiser beschikt over deze kennis en zal daarom een belangrijke toevoeging kunnen betekenen voor de Nederlandse maatschappij en economie. De rechtbank overweegt dat gelet hierop de minister het positieve economische belang voor Nederland als eiser naar Nederland zou komen ook bij zijn nieuw te nemen belangenafweging dient te betrekken.
De rechtbank overweegt verder dat de minister in het nadeel van eiser heeft gewogen dat zijn moeder hem vrijwillig in Pakistan heeft achtergelaten door haar persoonlijke keuze om zich te vestigen bij haar echtgenoot in Nederland. Op de zitting heeft de minister deze tegenwerping desgevraagd bevestigd. Eiser betwist dit en stelt dat zijn moeder destijds door een juridisch consulent verkeerd geïnformeerd is over de mogelijkheid om hem, een jongvolwassene, toen al mee te nemen naar Nederland. Bij binnenkomst in Nederland heeft de moeder van eiser zelf onderzoek gedaan en na ongeveer een maand onderhavige aanvraag voor eiser ingediend. Wat hier ook van zij, uiteindelijk heeft de moeder van eiser, ondanks het feit dat zij dacht dat hij niet mee kon, er inderdaad voor gekozen om naar Nederland te gaan. Maar de rechtbank volgt de minister niet waar hij stelt dat de keuze van de moeder van eiser om naar Nederland te gaan in het nadeel van eiser wordt gewogen. Naar het oordeel van de rechtbank is de scheiding van eiser en zijn moeder namelijk geen vrijwillige scheiding geweest en de rechtbank ziet ook niet in waarom dat dan in het nadeel wordt gewogen.
Ook heeft er naar het oordeel van de rechtbank geen goede weging plaatsgevonden van de intensiteit van de uitoefening van het gezinsleven tussen eiser en zijn broertjes. In het bestreden besluit is door de minister overwogen dat de relatie tussen eiser en zijn broertjes ook op afstand uitgeoefend kan worden. De minister heeft hier echter niet bij betrokken dat het contact tussen hen in de afgelopen jaren noodgedwongen op afstand heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft de minister gesteld dat eiser zijn broertjes niet meer fysiek heeft ontmoet. Inmiddels is echter gebleken dat eiser één keer naar Nederland is geweest en zijn broertjes hem meermalen in Dubai hebben bezocht. Daar komt bij dat uit het kindgesprek dat de rechtbank met [naam 2] heeft gehouden volgt dat hij en eiser elkaar wekelijks dan wel dagelijks spreken. Ook heeft [naam 2] bevestigd dat hij eiser vorig jaar drie keer heeft bezocht in Dubai en hem erg mist.
12. Tot slot heeft de minister opgemerkt dat eiser zich inmiddels bijna twee jaar zonder de aanwezigheid van zijn moeder in Pakistan zelfstandig kan handhaven. De minister ziet niet in waarom eiser geen invulling kan blijven geven aan het gezinsleven op de wijze waarop hij hier tot nu toe invulling aan heeft gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze opmerking van de minister geen recht aan de vaststellingen dat sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn moeder, dat het gezinsleven op basis van verkeerde voorlichting is verbroken en dat het gezin feitelijk al vanaf hun aankomst in Nederland probeert om eiser met het gezin in Nederland te herenigen. Dit proces duurt inmiddels, zonder toedoen van eiser, al drieënhalf jaar voort.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit op meerdere punten genomen in strijd met de artikelen 3:2 van de Awb (zorgvuldige voorbereiding) en 3:46 van de Awb (deugdelijke motivering). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De minister zal namelijk een nieuwe belangenafweging moeten verrichten.
14. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat
de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De
rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken na de dag van het verzenden van deze
uitspraak.
15. Omdat de rechtbank nu beslist over het beroep van eiser en dit beroep gegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
16. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De minister moet ook het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.32507:
De voorzieningenrechter:
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.32508:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K. Mertens, griffier.
Bijlage: terugkoppeling van de uitspraak [naam 2]
Beste [naam 2] ,
Op 26 februari 2026 hebben wij elkaar gesproken bij de rechtbank. Jij hebt mij toen verteld dat jij graag wilt dat [eiser] naar Nederland komt. Toen jouw moeder is getrouwd met jouw stiefvader zijn jullie naar Nederland gekomen. Jij vond het niet fijn dat [eiser] niet naar Nederland mocht omdat hij boven de 18 jaar was. Jij hebt best vaak contact met hem en je bent ook wel eens bij hem in Dubai geweest. Jij vindt het heel verdrietig dat de minister heeft besloten dat [eiser] niet naar Nederland mag komen.
Aan het eind van het gesprek hebben we samen afgesproken wat ik uit ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jou zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik jou nu deze brief.
Vlak na ons gesprek was de zitting. Daar was jij ook bij aanwezig. Ik heb toen gepraat met jouw moeder, jouw stiefvader en jullie advocaat. Ook heb ik via een digitale verbinding gepraat met [eiser] . Verder heb ik gesproken met de meneer die namens de minister van Asiel en Migratie kwam. Na de zitting heb ik nagedacht over mijn beslissing.
Ik heb besloten dat de minister zijn werk niet goed heeft gedaan en beter naar de situatie van [eiser] moet kijken. Dit betekent ook dat de minister beter moet kijken naar de situatie van jullie hele familie en naar de band die [eiser] met jou heeft. Ook heeft de minister de afweging van de belangen niet goed gemaakt en heeft de minister niet goed uitgelegd waarom het economisch belang van Nederland zwaarder weegt dan het belang [eiser] . Jullie stiefvader heeft namelijk een eigen bedrijf waar [eiser] voor werkt. De minister moet daarom nog een keer goed kijken naar jullie situatie en een nieuwe beslissing nemen. De minister moet dan rekening houden met mijn aanwijzingen.
Mijn beslissing betekent niet dat [eiser] nu naar Nederland mag komen. De minister moet eerst opnieuw naar de situatie kijken en een nieuwe beslissing nemen. Ik heb de minister daarvoor een termijn van zes weken gegeven. Het is de bedoeling dat jullie binnen deze termijn een nieuw besluit krijgen.
Als jullie familie of de minister het niet eens is met mijn beslissing, dan kan die binnen
vier weken in hoger beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat is een hogere rechter, die dan nog eens naar de situatie gaat kijken. Als er geen hoger beroep komt, dan is de rechterlijke procedure na mijn beslissing klaar en moet de minister een nieuw besluit nemen.
Ik vind het heel goed van je dat je bij mij langs bent gekomen om mij te vertellen wat je ervan vindt. Ik hoop dat het zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik deze beslissing heb genomen.
Groetjes,
De rechter.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift
sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd
waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden
ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van
verzending van de uitspraak ziet u hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een
voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.