RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer [nummer 1], eiseres
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56126
mede namens haar minderjarige kind
[naam kind] , v-nummer [nummer 2]
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
(gemachtigde: mr. D. Post).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister had de besluitvorming niet hoeven aanhouden in afwachting van een beslissing over het uitstel van vertrek, vindt de problemen als gevolg van de gedwongen uithuwelijking terecht (deels) ongeloofwaardig en stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico op ernstige schade loopt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat een beschrijving van het asielrelaas van eiseres en onder 4 staat waarom de minister de asielaanvraag heeft afgewezen. De beoordeling van de beroepsgronden volgt vanaf overweging 5. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 20 april 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 10 november 2025 afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.56135 (van de echtgenoot van eiseres) op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1995. Zij heeft aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres had, toen zij in Nigeria was, een ziekte. Als gevolg van deze ziekte werd zij gediscrimineerd. Om eiseres voor deze ziekte te behandelen, brachten haar ouders haar op 15-jarige leeftijd naar een traditionele genezer. De vader van eiseres had met deze genezer afgesproken dat hij als tegenprestatie met eiseres mocht trouwen. Eiseres is – zonder formeel huwelijk – bij de genezer gaan wonen, maar kreeg daar te maken met geweld. Nadat eiseres op enig moment door een (zware) mishandeling in het ziekenhuis is terechtgekomen, is zij met de hulp van mensenhandelaar [naam handelaar] gevlucht. Eiseres vreest dat zij bij terugkeer naar Nigeria door de genezer zal worden gedood, omdat hij zal vinden dat eiseres nog een schuld bij hem heeft openstaan en omdat hij haar vriendin [naam vriendin] heeft gedood. Daarnaast vreest zij dat zij zal worden gedood door [naam handelaar], omdat zij ook bij hem nog een schuld zou hebben openstaan.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) Problemen als gevolg van de gedwongen uithuwelijking;
(3) Discriminatie als gevolg van de ziekte en de gedwongen uithuwelijking met een oudere man.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst én de discriminatie als gevolg van de ziekte en de gedwongen uithuwelijking met een oudere man geloofwaardig zijn. De minister vindt de problemen als gevolg van de gedwongen uithuwelijking deels geloofwaardig. De minister gelooft wel dat eiseres is uitgehuwelijkt, dat zij is mishandeld en dat zij met de hulp van mensenhandelaar [naam handelaar] is gevlucht, maar niet dat de genezer haar vriendin [naam vriendin] heeft gedood en dat [naam handelaar] haar bedreigt. De minister heeft vervolgens alleen gekeken of eiseres op grond van de geloofwaardig geachte elementen van het asielrelaas in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen als ongegrond. Omdat de minister voorlopig uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 heeft verleend, heeft de minister geen terugkeerbesluit tegen eiseres uitgevaardigd.
Zijn de aanvullende beroepsgronden van 30 januari 2026 in strijd met de goede procesorde?
5. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiseres op vrijdag 30 januari 2026 om 17:05 uur nog aanvullende beroepsgronden (van zes pagina’s) heeft ingediend, die uiteenvallen in elf onderdelen waarvan de meerderheid nieuwe gronden bevatten ten opzichte van de eerder ingediende gronden. Gelet op het tijdstip van indiening heeft de rechtbank hier pas op maandag 2 februari 2026, dus één werkdag voor de zitting, kennis van kunnen nemen. De rechtbank acht dat in strijd met de goede procesorde. Eiseres heeft zijn beroepschrift van 17 november 2025 in eerste instantie niet van beroepsgronden voorzien en na het bieden van een herstelverzuimtermijn (van een week) op 24 november 2025 slechts enkele (summiere) beroepsgronden ingediend, met daarin de vermelding dat de beroepsgronden nog zouden worden aangevuld voorafgaand aan de te plannen zitting. Gelet op het feit dat eiseres op 3 december 2025 voor de zitting is uitgenodigd, valt niet in te zien waarom het tot 30 januari 2026 heeft moeten duren voordat eiseres zijn aangekondigde aanvullende beroepsgronden heeft ingediend. Ter zitting is door de gemachtigde van eiser ook geen reden gegeven voor de late indiening van de aanvullende gronden. Dat de rechtbank verschillende termijnen (van soms één week en soms vier weken) zou hanteren – zoals de gemachtigde van eiseres op zitting heeft aangevoerd – is geen reden om de beroepsgronden pas een werkdag voor de zitting aan te vullen. De rechtbank heeft vanwege de late aanvulling van de beroepsgronden onvoldoende gelegenheid gehad om deze te bekijken en voor de zitting voor te bereiden en zij ziet onvoldoende ruimte om de behandeling van het beroep om die reden aan te houden, omdat bij dit beroep sprake is van een zogenoemde vierwekenzaak. Het is verder niet gesteld of gebleken dat eiseres door het buiten beschouwing laten van de aanvullende gronden terechtkomt in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank laat de aanvullende gronden en argumenten van 30 januari 2026 daarom buiten beschouwing voor zover zij geen nadere uitwerking zijn van de beroepsgronden van 24 november 2025.
Had de minister de besluitvorming moeten aanhouden in afwachting van een definitieve beslissing over het uitstel van vertrek?
6. Eiseres betoogt dat de minister, met het oog op een zorgvuldige besluitvorming, had moeten afzien van het nemen van een beslissing op de asielaanvraag zolang nog geen duidelijkheid bestond over de uitkomst van de opgestarte procedure over uitstel van vertrek (de zogenoemde artikel 64-procedure). De minister heeft in het bestreden besluit immers erkend dat het voornemen op dit punt niet zorgvuldig is geweest.
Dit betoog slaagt niet. De minister hoefde de besluitvorming niet aan te houden in afwachting van een definitieve beslissing over het uitstel van vertrek. De asielaanvraag van eiseres is behandeld in de algemene asielprocedure, waarbinnen het uitgangspunt is dat binnen zes dagen na het nader gehoor een beslissing op de asielaanvraag volgt. Binnen deze termijn kan niet (altijd) worden beslist of aan een vreemdeling uitstel van vertrek moet worden verleend. De minister hanteert in dat geval het beleid dat wel op de asielaanvraag wordt beslist, maar dat tijdelijk uitstel van vertrek wordt verleend in afwachting van een definitieve beslissing daarover. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen rechtsregel die zich tegen dit beleid van de minister verzet. Dat in het voornemen in eerste instantie geen uitstel van vertrek werd verleend en de minister hierop is teruggekomen, maakt het bestreden besluit verder niet onzorgvuldig. Een voornemen is immers slechts een voorbereidingshandeling, en juist bedoeld om de minister vervolgens door middel van een zienswijze een andere beslissing (bijvoorbeeld over het verlenen van uitstel van vertrek) te doen nemen. Tot slot zegt het feit dat aan eiseres (tijdelijk) uitstel van vertrek is verleend, voor zover zij dat heeft bedoeld te betogen, niets over de vraag in hoeverre zij in staat was om te verklaren tijdens het nader gehoor. Ten behoeve van het nader gehoor is bovendien op 11 februari 2025 door medTadvies een medisch advies uitgebracht, waaruit slechts bleek dat eiseres tijdens het gehoor behoefte had aan ondersteuning, pauzes en (soms) iets meer tijd om antwoorden te geven.
Mocht de minister de problemen als gevolg van de gedwongen uithuwelijking (het tweede asielelement) deels ongeloofwaardig vinden?
7. Eiseres betoogt dat de minister binnen het asielelement van de problemen als gevolg van de gedwongen uithuwelijking óók geloofwaardig had moeten vinden dat de genezer [naam vriendin] heeft gedood, omdat de minister – gelet op haar PTSS-klachten en de shock waarin zij na de dood van [naam vriendin] verkeerde – niet van eiseres mag verwachten dat zij meer verklaart over de dood van haar vriendin [naam vriendin].
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres summier en oppervlakkig heeft verklaard over de dood van haar vriendin [naam vriendin]. De minister heeft in dat verband aan eiseres tegengeworpen dat zij slechts op vermoedens baseert dat [naam vriendin] door de genezer is gedood, en zij – ondanks de hechte band die zij met [naam vriendin] had – ook geen details over de dood van [naam vriendin] kan geven, bijvoorbeeld waar zij is begraven en of er een politieonderzoek is gestart. De PTSS-klachten van eiseres kunnen aan deze tegenwerping niet afdoen. Uit de rechtspraak volgt immers dat de invloed van PTSS op het geheugen per persoon verschilt, zodat de enkele diagnose PTSS – voor zover deze in het geval van eiseres al is gesteld – niet hoeft te betekenen dat zij niet kan verklaren over de dood van [naam vriendin].
Loopt eiseres bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico op ernstige schade?
8. Eiseres betoogt dat zij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister onderkent allereerst niet dat de openstaande schuld bij de mensenhandelaar een probleem zal vormen. Verder is de minister er in het bestreden besluit aan voorbijgegaan dat eiseres zich heeft onttrokken aan de macht van de genezer, dat zij zal moeten terugkeren met een kind dat niet van hem is en dat de genezer actief naar haar op zoek is. Bovendien vreest zij dat zij opnieuw seksueel door hem zal worden misbruikt. De Nigeriaanse autoriteiten kunnen eiseres niet beschermen tegen de dreiging die uitgaat van de mensenhandelaar en de genezer.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico op ernstige schade loopt. De rechtbank heeft onder 7.1 overwogen dat de minister de problemen van eiseres met de mensenhandelaar en de dood van haar vriendin [naam vriendin] ongeloofwaardig mocht vinden. Daarnaast heeft de minister in het bestreden besluit (onbetwist) aan eiseres tegengeworpen dat zij niet kan duiden hoe hoog haar gestelde schuld bij de mensenhandelaar is, dat zij niet weet of hij samenwerkt met andere mensenhandelaren, dat zij niet weet of haar familieleden problemen hebben ondervonden met deze mensenhandelaar en dat zij nooit aangifte heeft gedaan. De enkele verwijzing van eiseres naar haar gestelde schuld leidt daarom niet tot het oordeel dat zij bij terugkeer heeft te vrezen voor deze mensenhandelaar. Verder heeft de minister in het bestreden besluit gemotiveerd dat eiseres geen contact meer heeft met de genezer, dat zij heeft verklaard dat hij niet actief naar haar op zoek is, en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op de hoogte kan raken van de verblijfplaats van eiseres als zij terugkeer naar Nigeria. Eiseres heeft hier in beroep niets tegenover gezet, maar slechts andermaal uitgelegd waarom zij voor de genezer vreest. Zij heeft daarom ook in beroep niet geconcretiseerd waarom zij bij terugkeer heeft te vrezen voor de genezer. De (overigens niet onderbouwde) stelling van eiseres dat de Nigeriaanse autoriteiten haar niet kunnen beschermen tegen de mensenhandelaar of de genezer, kan daarom onbesproken blijven.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van haar asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiseres niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.